Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

8 minuten leestijd

SIMSON (9)

En Simson ging af naar Timnath, en gezien hebbende een vrouw te Timnath, van dc dochters der Filistijnen,

zo ging hij opwaarts en gaf het aan zijn vader en zijn moeder te ktnnen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Timnath, van de dochters der Filistijnen; nu dan, neemt mij die tot een vrouw.

Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochters uwer broederen en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zei tot zijn vader: Neem mij die, want ze is bevallig in mijn ogen.

Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van de Heere was, dat hij een gelegenheid zocht tegen de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dier tijd over Israël. Richt. 14:1—4.

Tot nu toe hebben we gesproken over de geboorte en jeugd van Simson. We hebben gezien hoe de Heere in de diepste nood waarin Israël gezonken was na de dood van Eli, deze Simson verwekt heeft tot een richter en verlosser van zijn volk. Hij heeft daartoe van God ook een bijzonder ambt ontvangen. Hij zal een Nazireër Gods zijn, hij zal een man zijn, die zijn leven offert aan de Heere en zijn dienst. En toen hij nog een jongen was, zo hebben we aan het slot van Richteren 13 gelezen, begon de Heere hem al te drijven tot het richterschap, om straks op te treden tot verlossing van zijn verdrukte volk.

Maar wanneer we nu deze eerste verzen van Richteren 14 lezen komt de vraag toch wel bij ons op: Is dat nu een Nazireër Gods? Moet deze man nu het uitverkoren instrument wezen om Israël te verlossen uit de hand der Filistijnen? En wanneer we dan verder doorlezen in de levensgeschiedenis van deze Simson, dan komt de twijfel bij ons op of we wel met een uitverkorene te doen hebben, of dit wel een held des geloofs is, die in Hebreën 11 een plaats mag hebben. Deze man, die zijn vleselijke lusten laat heersen zo menigmaal over zijn heilige roeping en die daardoor ook in grote nood komt, kan toch geen uitverkoren vat Gods genoemd worden? Is er eigenlijk wel één woord tot verdediging van zijn leven te zeggen? Neen, geen woord. God keurt de zonde niet goed, ook niet in zijn volk, ook niet in Simson. Kunnen we niet op vele plaatsen in Gods Woord vinden, dat de Heere juist de zonden van zijn volk zwaar straft? En moeten juist Gods kinderen hun zonden en overtredingen niet menigmaal met bittere tranen bewenen?

Maar laten we Simson toch niet verwerpen, want God heeft hem niet verworpen. Zeker, we moeten de zonde verwerpen in Simson, we moeten de zonde afkeuren bovenal in onszelf, want God haat de zonde. Och, dat we de zonde nog eens recht mochten leren haten en vlieden. Maar laten we daarbij niet vergeten, dat Simson een uitverkorene Gods was. De Heere heeft hem uit de diepte van het verderf behouden. Ook Simson heeft de bittere vrucht van de zonde geplukt en geschreid uit de diepten van ellende. En wanneer we op onszelf zien dan moeten we immers de hand op de mond leggen. Dan kunnen we ook alleen door genade behouden worden. Dan kunnen we ook alleen door die Borg en Middelaar met God verzoend worden.

Willen we daarmee de zonde van Simson goedpraten? Neen, beslist niet. Maar we willen u wijzen op de liefde Gods en op de ontferming des Heeren, waardoor zondaren nog behouden kunnen worden. En al noemt gij u de grootste der zondaren, dan is het met u toch nog niet verloren, want er is zo grote en heerlijke genade bij God in Christus.

Van nature zijn we vleselijk verkocht onder de zonde. We zijn door de wederbarende werking des Heilige Geestes een twee-mens. Het vlees strijdt nog tegen de geest. Maar daarom moet er ook een strijd zijn tegen de zonde. Hoe langer echter de mens op de leerschool Gods is, hoe meer hij leert verstaan, dat zalig worden een wonder Gods is. En dat heeft ook Simson geleerd. Hij is door eigen zonde en schuld in bange en diepe wegen gekomen. Maar hij was toch een uitverkorene Gods. En op een bijzondere wijze uitverkoren. Want hij moet richter en verlosser zijn van zijn volk, en daarin is hij een type van Christus. Die zijn volk door een eeuwige verlossing behoudt.

Wanneer Simson zo ongeveer twintig jaar oud is komt de Geest des Heeren wederom over hem. Deze drijft hem uit naar de Filistijnen, de vijanden en onderdrukkers van zijn volk Israël. Het zal nu tot een treffen komen tussen deze richter en de Filistijnen, die Israël geheel in hun macht hebben. En Simson ging af naar Timnath... (vers la). Bij de intocht in Kanaan was deze stad aan de stam van Dan toegewezen, maar de mannen van die stam hebben zich daar niet kunnen handhaven en in déze tijd is Timnath klaarblij-% kelijk geheel in handen van de Filistijnen. Maar dan lezen we iets dat ons verbijsterd doet vragen: Is dat nu de Nazireër Gods? Is dat nu die geroepen en uitverkoren richter? „En Simson ging af naar Timnath, en gezien hebbende een vrouw te Timnath. van de dochters der Filistijnen, zo ging hij opwaarts en gaf het aan zijn vader en zijn moeder te kennen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Timnath, van de dochters der Filistijnen, nu dan, neemt mij die tot een vrouw (vers 1 en 2).

Alsof het dus de gewoonste zaak van de wereld is vraagt Simson om toestemming aan zijn ouders te trouwen met een Filistijns meisje. Het is geer» wonder, dat we dit niet zo maar kunnen verwerken. Simson is immers geroepen om de Heere te dienen, om de Filistijnen op leven en dood te bekampen, om deze vijanden des Heeren terug te dringen, en nu wil hij zich met hen gaan verzwageren!

Het is geen wonder, dat deze plannen bij de ouders van Simson op verzet stuiten. Ze zijn blijkbaar ook verbijsterd en zijn vader en moeder zijn het samen goed eens, dat dit toch niet kan. Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochters uwer broeren en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de Filistijnen. die onbesnedenen (vers 3a).

Het doet ons goed, dat deze ouders in een tijd van algemene afval de wet des Heeren nog willen houden. En die ook voorhouden aan hun kind. De Heere heeft het immers in zijn wet nadrukkelijk verboden zich te verbinden met de heidenen: Gij zult u met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen en de toorn des heeren zou tegen ulieden ontsteken en u haast verdelgen" (Deut. 7 : 3—4). En het was juist de ellende van het volk Israël, dat het zich aan de wet des Heeren niet stoorde, da ze zich wel vermengd hebben met de heidenen. Daarvan lezen we immers aan het begin van het Richterenboek: , Zo namen zij zich derzelver dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan derzelver zonen en zij dienden derzelver goden". En daarom heeft de Heere hen immers onder het juk der Filistijnen gebracht. En zal nu de verkoren richter, de Nazireër Gods, hetzelfde doen?

Al de waarschuwingen van zijn ouders helpen niet. Simson zet koppig door: „En Simson zei tot zijn vader: neem mij die, want ze is bevallig in mijn ogen (vers 3b). Dat komt meer voor, dat jonge mensen doorzetten ondanks alle waarschuwingen en vermaningen van de ouders, omdat het meisje van hun keuze bevallig is in hun ogen. En daar moet het Woord Gods en de wet des Heeren dan maar voor wijken. Hoe zal daar zegen op kunnen rusten?

Toch is dit hier bij Simson iets bijzonders. Het licht en donker liggen in een mensenleven altijd al doorheen gevlochten, maar in het leven van Simson toch wel in sterke mate. Door dit meisje tot vrouw te nemen wil hij beslist zijn roeping niet verloochenen. Dat roepingsbesef om zijn volk te verlossen van de Filistijnen is krachtig. Zijn ouders hebben hem vanzelfsprekend verteld wat de Heere gezegd heeft voor zijn geboorte. En nu gaat het

zo anders dan zij gedacht hadden. Maar daar is toch ook. de Heere in bezig. Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet dat dit van de Heere was. dat hij een gelegen' heid zocht tegen de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dier tijd over Israël (vers 4).

Zo is Simson zeker de held des geloofs, die in Gods kracht het alleen durft op te nemen tegen de Filistijnen. Hij zocht daartoe de opzettelijke aanraking met de Filistijnen en volgde daarin de drijving des Geestes. Hij verloochent zijn ambt niet, al menen zijn ouders dit. Maar hij wil tegelijk aan zijn vlees alle rechten geven. Hij meent zijn eigen vlees te kunnen volgen. zijn zinnen en hartstochten volle speelruimte te kunnen laten en tegelijk zijn ambt te kunnen vervullen.

En hier vinden we onszelf weer terug. Want is dat niet de strijd van ons eigen hart. We willen de Heere dienen en tegelijk ons vlees en onze begeerlijkheid de ruimte geven. Daarom moet het vlees en zijn begeerlijkheden gedood worden. Wij moeten met Christus gekruisigd worden en met Hem sterven, maar ook met Hem opstaan tot een nieuw leven. Opdat we Gode leren leven en onze roeping mogen vervullen tot eer van de naam des Heeren.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 januari 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 januari 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken