Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

7 minuten leestijd

EHUD (3)

En hij bracht aan Eglon, de koning der Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man.

En het geschiedde, als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden; maar hijzelf keerde wederom van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb een heimelijke zaak aan u, o koning! dewelke zeide: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit.

En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zeide Ehud: Ik heb een woord Gods aan u. Toen stond hij op van de stoel.

Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik;

dat ook het hecht achter het lemmer inging en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik) en de drek uitging. Richteren 3:17-22.

De vorige keer hebben we reeds verteld van het voornemen van Ehud om koning Eglon, de verdrukker van zijn volk uit de weg te ruimen. Daartoe was hij in de gelegenheid, omdat hij de leider was van de groep mensen, die de jaarlijkse schatting bij de koning in Jericho gingen brengen. Hij was links, een verschijnsel, dat blijkens andere mededelingen meer voorkwam onder de Benjaminieten. Hij laat een speciaal zwaard maken, dat hij, omdat hij links was, onder zijn kleren aan zijn rechterheup droeg. En daar bij het binnengaan van het paleis alleen de linkerzijde van de mensen onderzocht werd, om te zien of zij ook wapenen droegen, werd dit niet bemerkt.

Zo brengt Ehud de schatting aan de koning, die aan Israël was opgelegd: En hij bracht aan Eglon, de koning der Mo~ abieten, dat geschenk... (vers 17a). Terloops wordt dan meegedeeld in verband met wat straks geschiedt, dat Eglon erg dik was: Eglon nu was een zeer vet man (vers 17b).

In het paleis heeft Ehud de toestand zeer goed opgenomen, zijn plan neemt een steeds vastere vorm aan, maar om het uit te voeren moet hij alleen zijn. Zonder enige reden tot argwaan te hebben gegeven verlaat hij met zijn mannen het paleis van de koning te Jericho en hij trekt met hen mee tot zij komen bij de gesneden beelden, die te Gilgal waren. Gilgal is hier een dorpje gelegen aan de weg van Jeruzalem naar Jericho. De beelden die daar stonden waren door de Moabieten opgericht, waarschijnlijk om aan de kinderen Israëls zijn macht te tonen. Wanneer men uit het gebied van Benjamin kwam moest men deze beelden passeren en zo ook op de terugweg. Tot dit Gilgal, niet te verwarren met andere plaatsen, die ook Gilgal heetten, lag waarschijnlijk de bezetting van de Moabieten. Ehud heeft dus eerst zijn mannen in veiligheid gebracht voordat hij een poging waagde om door de dood van koning Eglon de overheersing van de Moabieten te doorbreken. En het geschiedde als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden (vers 18).

Van Gilgal keert Ehud dan alleen terug. Wanneer hij weer bij de koning toegelaten is, geeft hij voor, dat hij de koning een geheime mededeling wenst te doen, waarop deze hem onmiddellijk het zwijgen oplegt, hetgeen voor de aanwezige hovelingen het sein is om zich te verwijderen, en dat was juist de bedoeling van Ehud geweest: Maar hijzelf keerde wederom van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: lk heb een heimelijke zaak aan u, o koning! dewelke zeide: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit (vers 19).

Wanneer Ehud bij de koning komt is deze in een opperzaal van het paleis, een privé vertrek van Eglon, boven op het platte dak, waar een aangename koelte heerste: En Ehud kwam tot hem in, daarhij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had (vers (20a). Zo komen we op de hoogte met de situatie. Die opperzaal schijnt weer uit twee vertrekken bestaan te hebben, zoals we uit het vervolg kunnen opmaken. Het waren echter kamers, waar Eglon dikwijls alleen was, zodat het straks ook niet terstond argwaan wekt, dat het zo stil blijft na het vertrek van Ehud. In elk geval komt Ehud nu dichter bij zijn doel. Hij treedt op de koning toe en zegt dat hij een woord Gods voor de koning heeft. Uit eerbied voor dat woord Gods staat Eglon op, deels uit belangstelling, deels ook uit eerbied, want voor het besef van de heiden bestond ook de God van Israël. Wat kon Die hem te zeggen hebben? Zo zeide Ehud: Ik heb een woord Gods aan u! Toen stond hij op van de stoel (vers 20b).

Hier spreekt Ehud van zijn goddelijke roeping. Wat hij nu ging doen was in de diepste grond der zaak een opdracht van de Heere. Hij is geroepen om zijn volk te bevrijden van de onderdrukker. Daarom moet hij in de eerste plaats de strijd voeren tegen Eglon. Hij bedriegt de koning der Moabieten hier dan ook niet wanneer hij spreekt van dat woord of van die zaak Gods, die hij voor de koning heeft, al is de wijze waarop hij zich uitdrukt wel misleidend.

Volkomen argeloos staat koning Eglon thans vlak voor Ehud en deze is niet de man om het juiste ogenblik voorbij te laten gaan. Hij grijpt met zijn linkerhand het vlijmscherpe korte zwaard en stoot dit met zo'n kracht in het vette lichaam van Eglon, dat het met gevest en al er geheel in verdwijnt: Ehud dan reikte zijn linkerhand uit en nam het zwaard van zijn rechterheup en stak het in de buik; dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik) en de drek uitging (vers 21 en 22).

De stoot was dodelijk. Ehud laat daarom zijn wapen achter, hij ziet de vorst neerstorten en de ingewanden naar buiten komen. Nu is het zaak voor hem om zich in veiligheid te stellen. Met volkomen tegenwoordigheid van geest begeeft hij zich naar de buitengalerij sluit het koninklijk vertrek van buiten af en verlaat in alle kalmte het paleis.

De vraag komt hier vanzelf naar voren hoe we hebben te oordelen over deze daad van Ehud? Laten we niet vergeten, dat hij door God geroepen was om Israël te verlossen en daarom ook het volste recht had om tegen koning Eglon op te treden. Ehuds daad moet beschouwd worden in het licht van zijn optreden als verlosser van Gods volk. Want wel is koning Eglon een roede geweest in Gods hand om Israël te tuchtigen, niettemin missen ze het recht om Israël te onderdrukken. Bovendien kunnen we de daad van Ehud niet zonmeer als sluipmoord betitelen, daar hij optrad tegen de nationale vijand. Men was wel zeer onvoorzichtig geweest aan de zijde der Moabieten om zo goedgelovig te wezen daar Israël toch de vijand was van Moab en een zware schatting moest opbrengen. Bovendien heeft Ehud niet gehandeld uit onedele motieven, of persoonlijke wraak. Toch blijft er in deze daad van Ehud iets, dat ons tegen blijft staan. Daarbij mogen we ook het verkeerde in de daad van Ehud niet goedkeuren of goed praten. Ook hier blijkt dat Gods kinderen slechts gebrekkige instrumenten zijn in de hand des Heeren.

De daad van Ehud wordt in de Bijbel weliswaar nergens veroordeeld. Ze was integendeel het begin van de bevrijding van Israël. Maar dat wil nog niet zeggen, dat we daarom deze daad maar goed moeten praten.

We hebben dan ook wel toe te zien, dat we als kinderen van God voor zijn aangezicht wandelen naar zijn wetten en inzettingen. Wanneer we geroepen zijn tot de dienst des Heeren dan hebben we ook in de weg der heiligmaking te wandelen, en na te jagen hetgeen de Heere welbehagelijk is.

Zo menigmaal wordt de zonde goedgepraat met te wijzen op de zwakheid van het vlees. Neen, dat mag niet. De zonde moet zonde genoemd worden en veroordeeld worden. Aan de andere kant hebben we te bedenken, dat ook Gods kinderen nog slechts een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid bezitten. Niet om daar achter weg te schuilen, merken we dit op. Want het zal hun lust en begeerte zijn, wanneer het waar werk is in hun hart, om naar al de geboden Gods te gaan leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 oktober 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 oktober 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken