Bekijk het origineel

Simon de tovenaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Simon de tovenaar

12 minuten leestijd

Gij hebt geen deel noch lot in dit woord; want uw hart is niet recht voor God. Handelingen 8:21.

Waarom prediken wij uit Handelingen 8 altijd over de kamerling en waarom nooit over dat eerste stuk uit dit hoofdstuk? Dat zo'n Moorse hoogwaardigheidsbekleder voor het Koninkrijk Gods gewonnen werd, dat is inderdaad groot. Maar is het minder groot, dat de landstreek Samaria goeddeels voor het Evangelie gewonnen werd; dat is toch niet minder groot, vooral als ge bedenkt, dat dit geschiedde toen in Jeruzalem de vervolgingen waren uitgebroken. Neem nu eens de val van Simon de tovenaar, die in dit land gehouden werd voor de grote kracht Gods, die is voor dat land van enorme geestelijke betekenis geweest. Het Koninkrijk Gods is zowel gebaat bij de val van tegenstanders als bij de winst van mensen voor Christus. Van deze man willen wij nu horen.

De man Filippus, die in Handelingen 8 optreedt, is niet de apostel van die naam, de vriend van Nathanaël. Hij is een van de in Hand. 6 gekozen diakenen. Hij heeft ook niet het apostolische vermogen om de Heilige Geest mede te delen. Daartoe komen Johannes en Petrus uit Jeruzalem. In dit land heeft de Heere Christus Zelf het eerste Evangeliezaad gestrooid. Dit werk schijnt door de arbeid van Simon de tovenaar weer enigszins verstoord te zijn geweest. Johannes, die over dit volk, dat toen zo weerbarstig was, vuur van de hemel heeft willen bidden, komt nu de vruchten van Filippus' arbeid in ogenschouw nemen. Hoewel Filippus diaken is, neemt hij in dat geestelijke niemandsland de vrijheid er te prediken. Hij predikt hun Christus. In vers 12 wordt gezegd, dat hij predikt het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van de naam van Jezus Christus. De ingang van zijn woord is zeer groot. Velen houden zich eendrachtiglijk aan zijn woord, velen worden gedoopt, beide mannen en vrouwen. Dit te meer, door de tekenen die Filippus doet. Daar worden geraakten en kreupelen genezen en daar worden velen van onreine geesten genezen, die roepende met grote stem van hen uitgaan. Daar komt zelfs grote blijdschap in de stad.

Het grootste wat gebeurt schijnt wel dit te zijn. Daar is een man in de stad, die Simon heet en die toverij gepleegd heeft. Deze man zegt van zichzelf, dat hij wat groots is. Het hele volk hangt hem aan, van de kleinste tot de grootste. En zij noemen hem zelfs de grote kracht Gods. Als iemand over ongewone krachten beschikt, dat is al wat, maar vertrouwen wekt dit doorgaans als dat in verband met God gebracht wordt. Dit wekte meer vertrouwen, omdat dit volk der Samaritanen de boeken van Mozes aanvaardde en ook de Messias verwachtte in die dagen. Het volk is lange tijd verrukt geweest over deze man. En deze man komt ook zelf tot het geloof. Hij is niet eens nijdig, dat hij ineens al zijn aanhang kwijt raakt. Hij gaat net als het volk achter Filippus aan en hij blijft zelfs gedurig bij hem, laat zich dopen en hij, die toch zelf ook wel het een en ander gepresteerd heeft, staat nu versteld over de tekenen en krachten, die Filippus doet. Filippus heeft er zoveel vertrouwen in, dat hij hem aanneemt en doopt.

Wat is dit voor geloof geweest? Men is daar wel wat vlot mee klaar, dat dit ongeloof geweest zou zijn. Calvijn zegt, dat er tussen oprecht geloof en louter huichelarij nog een middenweg is. Hier is zoiets als de kracht der overtuiging door het Woord, zonder dat dit gepaard gaat met de Geest der aanneming door de wedergeboorte. Ik mag u niet voor tovenaars houden, maar ik mag wel dit zeggen, dat dit geloof van Simon een nogal veelvuldig voorkomend geloof is. En dan moet u daar niet gering over denken, als iemand zijn toverij verlaat, zijn gehoor laat schieten en het Evangelie navolgt tot en met de Doop.

Dat is niet gering als iemand de constante volgeling wordt van een prediker, die behoort tot de vervolgden. Wij zouden dit doen alleszins betrouwbaar achten. Calvijn zegt, dat dit het tijdgeloof is, waarover de Heere spreekt in het Evangelie van Marcus. Door wereld en zorgen en door zondige begeerte wordt het verstikt. D~ze man gevoelt, dat de leer van het Evangelie waarachtig is en zijn geweten dringt hem dit aan te nemen, maar het fundament van de zelfverloochening ontbreekt er aan. Zijn hart is vol huichelarij, wat spoedig openbaar zal komen. Maar deze man is stukken beter dan de openbare of bedekte ongelovige. Voorshands meent hij het, zouden wij zeggen, oprecht.

Nu komen dan de apostelen Johannes en Petrus. Zij hebben in Jeruzalem gehoord. dat Samaria het Woord Gods aangenomen heeft. Het is dus zo algemeen, dat men zegt, dat Samaria het Woord heeft aangenomen. Johannes en Petrus worden door de apostelen gezonden. Petrus is dan allesbehalve een soort bisschop of paus. De apostelen tezamen zenden hen. Petrus heeft zijn linnen laken nog niet gehad. De les aan de Jacobsbron is voor hem voldoende geweest om althans de Samaritanen aan te nemen. En Johannes wil niet meer bidden om vuur van de hemel, wel om iets anders, nl. om de komst van de Heilige Geest. Want de Heilige Geest was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de naam van de Heere Jezus. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat zij niet ook in de naam des Vaders en in de naam

des Heiligen Geestes gedoopt zijn. Maar dat zij de Heilige Geest niet hebben ontvangen, ambtelijk. Ook niet de schare als zodanig ontvangt de Heilige Geest. Zomin als dat op de Pinksterdag geschied is. Toen rustte de Heilige Geest op een iegelijk van hen, nl. van de discipelen en zij allen werden vervuld met de Heilige Geest. Dit vermogen om de Heilige Geest mede te delen was dan ook niet aan Filippus, maar aan de apostelen. Als de apostelen dit doen, dan is dat zelfs niet aan Petrus en Johannes gegeven om over de Heilige Geest te beschikken en die mede te delen. Zij kunnen dit niet anders doen, dan na het gebed.

En nu is het juist dit, wat de tovenaar Simon van hen vraagt, nl. het mededelen van de Heilige Geest. Hij vraagt niet om de gave van de Heilige Geest zelf. Dat zou alleszins gewettigd geweest zijn, maar hij vraagt om die gave van de Heilige Geest te kunnen mededelen. Hij vraagt om de gave, die zelfs Filippus niet bezeten heeft, hij vraagt om de gave van Johannes en Petrus.

Dat zou wat zijn! Kon hij tevoren zovele mensen door zijn toverkunst op allerlei manieren van dienst zijn, nu hij gezien heeft wat Filippus kon en wat daarboven nog de apostelen konden, nu beseft hij terdege wel, dat dit nog heel wat meer is. Zijn vroegere bedrijf leverde hem veel geld op, maar wat zal dit hem dan wel niet opleveren? Daar heeft hij nog wel wat voor over, daar heeft hij zelfs veel geld voor over.

Hij gaat tot de apostelen en biedt hen geld aan. En dan spreekt Petrus dit geduchte woord: „Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt. Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God."

En Petrus zegt nog meer. ..Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid." Die apostelen durven. Dat zijn mannen, die dwars door iemand heen kijken. Dat zijn mannen, die iemand tot diep in hun binnenste kijken. Dat wordt dan maar rondweg gezegd: „Uw hart is niet recht voor God." Petrus ziet dat het geloof van deze man niet echt is, dat hij het ook met zijn doop niet wel meent. Petrus ziet, dat Simon niet een verloochend man is, dat hij innerlijk met zijn oude leven niet gebroken heeft en dat hij de heilige dingen naar beneden haalt tot koopwaar. Hij zocht niet het wel van het volk, maar hij zocht zich met geestelijke waarden ten hunnen koste te verrijken. Dat is die bittere gal voor het volk. Hier worden aan elkaar geknoopt ongerechtigheden, de heilige dingen en eigen winzucht. Zo in de trant van de vroegere toverij.

Uw hart is niet recht voor God. Lezer(es), dat mogen wij niet zeggen, hè? En zeker in de pastorale praktijk, zomaar op de man af. En stel dan nog eens voor, dat wij ook nog eens zeiden: U gaat ten verderve en uw geld dan nog eens. Zijn er tegenwoordig geen tovenaars? Zijn er tegenwoordig geen mensen, die de geestelijke waar zo voor geld begeren? Zijn er geen aflaten meer? En zijn er geen die de genade en de gave Gods te koop aanbieden? Filippus maakt Christus groot en zichzelf klein. Simon maakt Christus klein en zichzelf groot. Hij zei, dat hij wat groots was. En nu zegt hij dat op een andere wijze nog eens weer. Groot willen worden op kosten van Gods genade en op kosten van Gods gaven. Zo is het heus niet bij Simon alleen! Uw hart is dan niet recht voor God.

Niets is, o Oppermajesteit, Bedekt voor Uw alwetendheid. Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daan, Gij weet mijn zitten en mijn staan. Wat ik beraad of wil betrachten, Gij kent van verre mijn gedachten.

Doorgrond m' en ken mijn hart, o Heer', Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m' en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed'; En doe mij toch met vaste schreden De weg ter zaligheid betreden.

Uw hart is niet recht voor God. Neen, geen deel of lot in dit woord. Dat zijn harde woorden, die de apostel spreekt, maar het zijn wel rechte woorden. En het is toch altijd beter om de mensen eerlijk te behandelen. En 't is toch altijd beter om eerlijk behandeld te worden. Wat hebben wij toch weinig van de apostelen. Wij knippen precies altijd de mooie teksten uit de bijbel. Wij doen niets dan zegenen, wij durven nooit eens een vloekwoord uit te spreken. Is dat recht? Is dan ons hart wel recht voor God? En de mensen willen zo graag uit de mond van Gods dienaren alleen maar goede woorden horen. Dat wordt haast benauwend. Bent u daar dan zo gerust op? Zoudt u er niet veel beter mee zijn, als de prediking en ook als het persoonlijk gesproken woord eens wat meer ontdekkend was? Doorzien wij dan de mensen zo weinig? En willen de mensen dan zo weinig eerlijk weten, waar zij aan toe zijn?

Petrus laat het hier niet bij. Hij voegt er aan toe: „Bekeer u dan van deze uwe boosheid en bid God of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd." Als Petrus zegt: of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd, dan bedoelt hij niet de genade en de vergeving Gods op losse schroeven te zetten. Wat hij zeggen wil is dit, dat de vergeving geen vanzelfsprekende zaak is. Petrus gebruikt deze uitdrukking ongetwijfeld niet om het hart van Simon in verslagenheid te laten, maar om hem te meer tot ijver in het bidden aan te sporen. Hij wil hem er aan herinneren, dat de grootte van zijn zonde wel zo groot is, dat de vergeving waarlijk te vinden zal zijn. De zonde van Simon was niet de onvergeeflijke zonde, maar ze vergde wel niet minder dan een hartelijke bekering en een innig en hartelijk gebed.

Lezer (es), onze mond heeft voor en na al wat uitgesproken tegen God, tegen Zijn dienaren, tegen de kerk. Juist in de godsdienst worden zoveel vermetele woorden gesproken. Dacht u dat daar zonder meer de spons over gaat? Wij hebben ons wel degelijk van onze boze woorden en daden te bekeren en die nooit meer te doen. En zij zullen werkelijk wel een voorwerp van hartelijk bidden moeten worden. Ik wil u geen twijfel aanpreken in de vergeving, maar ik meen wel in ernst, dat gij deze dingen niet als vanzelfsprekend moet beschouwen. Leert eens bidden om vergeving van reële zonden, van aanwijsbare zonden in uw leven. Dan krijgt uw gebed wat meer vaste grond en ook de vergeving. U moet ook nog eens beseffen, wat er u vergeven moet worden.

Tenslotte Simons antwoord: „Bidt gijlieden voor mij tot de Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt." Dat was dus: het geld ten verderve en ik ten verderve. Daar kan ik wat goeds over zeggen en wat kwaads. Het goede maar eerst. Simon vraagt de voorbede van de apostelen. Hij had zich toch zonder meer boos en geërgerd kunnen terugtrekken. En hij had er nog wel iets, misschien wel veel voor over gehad. Hij gevoelt zich niet onheus bejegend. Het tegenwoordig geslacht gevoelt zich iets eerder op zijn tenen getrapt. De hoogmoed zelfs bij Gereformeerde belijders is enorm. Men vraagt een ontdekkende preek, maar o wee als men zelf aan zijn zonden, met name genoemd, in de prediking ontdekt wordt. Een arme wil niet arm zijn, wil ook niet arm genoemd worden en een schuldige mag niet schuldig genoemd worden. Dit was toch wel goed van Simon. Petrus heeft Simon met harde woorden neergeslagen, maar hij richt hem toch wel weer op tot de troost der genade. Calvijn gaat zelfs zover, dat hij tegen de geschriften van de oude kerkvaders in, aanneemt, dat Simon zich bekeerd heeft. Dit was dan het goede, wat ik hierover opmerken wil.

En nu het kwade. Simon vraagt om de voorbede of al wat Petrus over hem voorzegd heeft, niet over hem komen mocht. Hij vraagt dan om de voorbede ter wegneming van de straf, niet van de zonde zelf. Petrus had toch ook nog iets gezegd over de bekering. Daar rept Simon bij zijn vraag om de voorbede niet met een woord over. Velen bidden niet eens meer om de wegneming van de straf. Zij zijn zo botongelovig geworden, dat het ze niets meer deert of God nu straft of niet. Maar er zijn er ook velen, die wel de straf willen ontgaan, maar niet tot genade willen komen. Hun wil ik tenslotte dit nog zeggen: „Bekering en vergeving gaan hand in hand."

K.a.Z.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 juli 1963

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Simon de tovenaar

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 juli 1963

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken