Bekijk het origineel

Saul te Endor

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Saul te Endor

16 minuten leestijd

Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft.

1 Samuël 28 : 7c.

Een gesloten hemeldeur.

Ons teksthoofdstuk handelt over de laatste dagen van Saul, de gezalfde des Heeren. Wat had die man een veelbelovende jeugd. Fiere, koninklijke gestalte, knap van uiterlijk, vertoonde hij al die gratie, die voor een vorst nodig was. Deze man was koning geworden op zo heel bijzondere wijze, niet uit den bloede. Ware dit zo geweest, dan had hij kunnen bogen op de traditie van een voorgeslacht, die zijn goede, maar ook zijn kwade zijden had kunnen hebben. Ook was hij niet door het volk naar voren geschoven, maar van de Heere Zelf daartoe gezalfd. Deze man was van God geroepen met een goddelijke roeping tot een ambt. dat hij zelf niet begeerd had. Niet alleen geroepen, maar ook van God bekwaamd. De Heere gaf hem kennelijk die gaven, die nodig waren voor dat werk. Bijzonder talentvol is Saul geweest. Degenen die daar meer verstand van hebben dan wij beweren, dat hij een voortreffelijk veldheer geweest is. Uit de tactiek van verschillende veldslagen blijkt dat. Bij het volk was hij dan ook algemeen geacht en gezien. Ja, zelfs Samuël beminde hem tot zijn dood toe. En als hij verworpen wordt van de Heere, dan blijft Samuël rouw over hem dragen, rouw over een levende. Zijn hier ook zulke rouwdragers?

Men denkt over Saul vaak veel te laag. Maar zie eens wat die man deed. Hij heeft geprofeteerd met de profeten, hij heeft geofferd als een priester en hij heeft geregeerd als een koning. Ook dit teksthoofdstuk laat ons een goede kant zien van deze koning. Er wordt nl. verhaald, dat hij de waarzeggers en de duivelskunstenaars weggedaan had uit het ganse land. Waar vindt ge zulk een koning, die wegdoet alle waarzeggerij?

Wij lezen van hem, dat hij gedurig het aangezicht des Heeren vraagt, de stem van de profeet, en de urim en de thummim, bij alle voorkomende krijgsverrichtingen. Vraagt men te onzent de mond des Heeren? Neen, Saul was nog niet zo'n slecht vorst als wij wel denken. Saul was een man die hinkte op twee gedachten: God wat en de wereld wat, zoals er zoveel duizenden op twee gedachten hinken. Daar zijn er die God niets geven, maar de mens alles. Zo was Saul niet. Daar zijn er die God wat geven en de mensen veel. Zo was Saul dunkt me ook niet eens. Er zijn er die God wat geven en de mensen wat. Zo was dunkt me Saul. En het had moeten zijn: God alles en de mens niets. Gij kent de oorzaak van Sauls val. Het komt bij Saul niet tot een volledige overgave des harten. De Heere beproeft hem of hij gehoorzamen wil en of hij waarlijk een theocratisch koning wil zijn. En dan komt Sauls val. 't Begon met het ongehoorzaam zijn als de Heere hem laat wachten tot Samuël komt en Saul offert vast. Daarna valt hij al dieper in ongehoorzaamheid.

le. Hij brengt Israëls vijanden niet ten onder.

2e. Hij maakt de stammen Israëls niet tot een eenheid.

3e. Hij voert het volk niet terug tot de Heere.

Gelijke tred met zijn gehoorzaamheid houden de zegeningen. Maar ook: gelijke tred met zijn ongehoorzaamheid houden de straffen. En in het eind zucht het volk als nooit te voren onder de druk der vijanden. Dan komt de persoonlijke druk voor Saul als hij de nieuwe gezalfde David aan zijn hof ziet verschijnen, als hij ziet hoe David gezegend wordt en hij zelf meer en meer verlaten wordt. En in de laatste dagen van zijn leven is het wel heel somber geworden. De Filistijnen beheersen de grote karavaanweg, die dwars door Israël loopt. Ze beheersen de vruchtbare vlakten van Jizreël met de passen van Megiddo. Ze beheersen Beth-Sean met de veren in Oost-Jordaanland. Kortom, de Filistijnen beheersen de sleutelposities en de vruchtbare vlakten en de Israëlieten zijn teruggedrongen in het onvruchtbare gebergte. Nog nooit heeft Israël er zo slecht voorgestaan als in deze laatste dagen van Saul. En dat zo'n begaafde veldheer. Al zijn gaven baten hem niets. Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. Dan gaat Saul weder naar de Heere vragen, maar de Heere antwoordt hem niet meer. De tijd der genade is voorbij. Hij, Die Zich ontfermt over wie Hij wil, kent voor Saul geen pardon meer. Wat hij ook probeert, het gaat niet meer. Door geen droom antwoordt de Heere meer, door geen urim, door geen thummim, ook niet meer door Gods knechten. De hemeldeur is gesloten.

Lezer (es), wat kan er veel zijn, wat voor de eeuwigheid niet voldoende is en ook wat is de genadetijd kort en daarom kostelijk! Hoe menigeen had een veelbelovende jeugd, waarin hij met Saul klein van zichzelf dacht en nochthans van God gekozen was. Misschien gesierd met schone gaven voor kerk en maatschappij. Bemind bij het volk en geliefd bij Gods knechten. Hoe menigeen kent in zijn jeugd een oprechte ijver voor de Heere en voor Zijn dienst, zodat zelfs Gods volk en knechten goede verwachtingen over u koesterden. Geroepen werd ge wellicht tot een ambt in Gods kerk. En de Heere beproeft u maar of uw hart volkomen met de Heere wil zijn. God niets en de mens alles, zo gaat het niet. God wat en de mens veel, zo gaat het ook niet. God veel en de mens wat, zo gaat het zeker ook niet. God alles en de mens niets, zo alleen gaat het. En nu is het niet bij ons, om dat zo te maken, dat zal genade alleen kunnen leren, maar de geschiedenis van Saul leert het ons, dat wij zelf verantwoordelijk blijven. Hoe menigeen doorstond die proef niet. O zeker, wel godsdienstig met Saul, maar toch zondigen. En dan al dieper wegzakken. Al minder gevoelig voor God. Al minder gehoorzamen aan Gods geboden. Al verder van God af en daarom ook al dieper in de ellende. Want wie God verlaat hééft smart op smart te vrezen. En daar gaat dan zo'n veelbelovend leven henen. Totdat het tenslotte helemaal vastloopt. En dan roepen tot God, maar dan geen stem en geen antwoorder meer. De genadetijd voorbij en de nood zo groot.

Een klop op de hellepoort.

Saul wil weten hoe het gaan zal in de strijd op Gilboa. Hij is ongerust. Ja, er

blijft tenslotte alleen maar rust over voor het volk van God. De wereld geeft geen rust en de zonde geeft geen rust. In zijn onrust zoekt Saul enige houvast, maar hij vindt het niet. Dan zegt hij tot zijn knechten: „Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggende geest heeft." Dan zeggen de knechten: „Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft." Ongelukkige staf, ongelukkige hofkliek. Ze zijn nog slechter dan hun koning. De koning heeft alle waarzeggers uitgeroeid, maar zij kennen ze. Zelfs dat verborgen adres kennen ze. En als de koning een misstap wil begaan, dan heeft er geen de moed om te zeggen: Terug, o koning, tot de Heere. Wie weet, Hij mocht Zich wenden van Zijn afkering. Maar ze hebben de moed niet gehad om hem dat te zeggen. Ze zijn zo thuis in dat occulte bedrijf der waarzeggerij, dat ze die heks in haar schuilplaats van het gebergte Gilboa weten te vinden.

Zie, te Endor is zo'n vrouw.

En dan gaat Saul, eens de gezalfde des Heeren, heen het heilloos pad om te gaan kloppen op de poort der hel. En hoe doet hij dat? In de nacht. Die de zonde doen, beminnen de duisternis. Wat in het duister van de avond moet gebeuren is haast nooit goed. De duisternis haat het licht, omdat haar werken boos zijn. In de nacht gaat hij om te kloppen op de poorten van het rijk des doods. Hij wil het ook niet goed weten, want hij vermomt zich. O, wat is het naar het leven getekend. De zonde zoekt altijd bedekking. Dat is in het Paradijs al begonnen en dat blijft nu zo. Hij komt in de schuilplaats, waar de vrouw zich ophoudt, misschien een huis, misschien een grotwoning. Daar staat de koning Israëls, voor een vrouw, zo'n vrouw als hij er tientallen weggedaan heeft in het land. Hoe moet zijn geweten spreken!

Hoe spreekt Gods woord: een wouw. Dat kan toch nooit goed zijn. De duivel zet al Gods ordeningen onderste boven. Laat God door de man profeteren, de duivel doet het hier door de vrouw.

De vrouw strubbelt tegen. O, wat is God toch traag tot de ondergang van deze man. Als de genegenheid tot zondigen er is, dan beneemt de Heere nogal eens wel de gelegenheid en als de gelegenheid er is ontbreekt nogal eens de genegenheid. Saul beneemt haar alle vrees en hij zweert nog bij de Heere. Ontzettend, hij klopt op de poort der hel en tegelijk roept hij de naam des Heeren aan als zijn getuige. O, halfslachtige, tweeslachtige houding. Tegelijk roepen tot God en de duivel, tegelijk grijpen naar de hel en de hemel.

Wie zal ik u doen opkomen? En hij kiest. Hij kiest Samuël. Waarom toch Samuël? Deze ongelukkige, die alle stuur kwijt raakt, weet terwijl hij bij de duivel aanklopt, dat de duivel hem niet helpen kan en toch doet hij het. Een mengeling van goddeloosheid en godsvrucht: Samuël. Samuël, dat was de man die Saul lief had. Saul roept in zijn ellendige verlatenheid nog eenmaal die liefelijke figuur voor zich, als om zich nog eens te koesteren aan zijn vroegere liefde. Beelden uit zijn kinderjaren trekken aan zijn geestesoog voorbij.

De vrouw begint haar sinister werk, waarschijnlijk in een nevenvertrek. Nog een waarschuwing. O, een mens gaat nooit ongewaarschuwd verloren, al moeten de zondaars er voor gebruikt worden om te vermanen, de zonde wordt nooit ongewaarschuwd gedaan. Zij spartelt terug. Zij wil niet. Zij, die nooit anders deed, durft niet. Die mompelende vrouw, die altijd fluisterend haar werk deed, róépt het uit: Gij zijt Saul! Maar Saul, hoewel ontdekt, staat nu sterk en vastberaden. Vrees niet, wat ziet gij?

Ik zie goden uit de aarde opkomende. In algemene, onduidelijke taal spraken die soort mensen.

Hoe is zijn gedaante dan? Er komt een oud man op en hij is met een mantel bekleed.

Weer zo'n vage aanduiding. Geen wonder, want het rijk der duisternis is alleen duister. Daar wordt niet klaar gezien, daar wordt niet klaar gekend. De klop op de deur der hel is gehoord en zal beantwoord worden. Reeds gaan de poorten der hel open.

Lezer (es), een mens kan niet zonder God en zonder godsdienst. In de kritieke ogenblikken van ons leven komt dat openbaar. Als alles tegenloopt en misloopt, dan moet hij toch wat hebben. Als alle steun hem begint te ontvallen, dan grijpt hij maar rond zich heen. Dat ziet u in deze boze tijd, waarin menigeen zit op de puinhopen van zijn vervlogen geluk en dan wil hij over het laatste stukje van zijn leven nog licht hebben, want aan de dood wil hij niet denken. En zo grijpen duizenden naar het Spiritisme. In 1934 telde Amerika 600 spiritistische kerken en honderdduizenden aanhangers. In Nederland in 1924 in Den Haag alleen 1600 leden. Thans over de dorpen en steden verspreid vele duizenden.

Maar wij kunnen dichter bij huis blijven. Met godsdienst gemengd tasten vele vastgelopen mensen angstig rond. Op de sterfbedden vraagt men, vastklemmend aan Gods volk, met smekende ogent: Hoe zal 't mij gaan? Arme mens! Zonder God en zonder hope klemt hij zich aan herinneringen vast uit het verleden. Toen en toen was 't mij beter dan nu. Alsof die herinneringen hem helpen konden.

Een antwoord der duisternis.

Zou dat Samuël werkelijk geweest zijn, die deze vrouw zag opkomen? Zou die vrouw werkelijk iets gezien hebben — zou — want straks spreekt Samuël persoonlijk tot Saul — die vrouw was slechts het medium — zou Samuël werkelijk de stem van Saul gehoord hebben? Is er iets van al dit griezelige aan of is er niets van aan?

Daar is veel bedrog bij. Jesaja 8 : 19 en 20 zegt: Vraagt de waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen en binnensmonds mompelen. Zal men voor de levenden de doden vragen? Tot de wet en tot de getuigenis! Zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat ze geen dageraad hebben." Al dat geheimzinnige gedoe is niets dan camouflage. Dus Saul heeft hier niets gehoord en 't is alles verbeelding? Neen, de Schrift zegt dat hij wel degelijk iets hoorde. De tovenaars in Egypte konden wel wat. En de duivel kan ook wel wat! En de onderdanen van de duivel kunnen ook wel wat!

Zou dit dan toch Samuël geweest zijn? Zeker niet! Die vrouw ziet hem uit de aarde opkomen, zijn geest nl. Maar Pred. 3 zegt duidelijk, dat de geest van de mens opwaarts gaat tot God, Die hem gegeven heeft. En als de Heere geen aardse profeet meer tot Saul laat spreken, zal Hij dan toelaten dat een hemelse nog tot hem spreekt? Geen sprake van. Als de Heere zelfs de steentjes urim en thummim niet meer tot Saul laat spreken, zal Hij het dan Zijn levende knecht laten doen? Neen, verre vandaar.

Wij geloven zeker, dat dit bijbelverhaal waar gebeurd is, maar wij geloven ook zeker, dat hier de hel geopend is en dat de satan in hoogst eigen persoon, zij het in het kleed van Samuël, verschijnt en dat satan zelf hier spreekt.

Satan gaat spreken, hij die in de gedaante van een engel kan verschijnen en die zijn knecht Herodes een stem Gods kan geven, kan ook wel Samuëls stem nabootsen.

Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt? De duivel is de leugenaar van de beginne. Hier zijn twee leugenen bijeen. Samuël die in de rust Gods is ingegaan, zal in die rust in eeuwigheid niet gestoord worden. En de satan behoeft niet onrustig gemaakt te worden, want hij heeft rust noch duur dag en nacht.

Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij en God is van mij geweken en antwoordt mij niet meer.

Dan is het antwoord uit de duisternis: Waarom vraagt gij mij toch, wijl de Heere uw vijand geworden is? Dat is het duivelse; eerst heeft hij Saul opgezet om te zondigen en nu die man vastgelopen is hoont hij hem en verwijt hem zijn zonde. En nu gaat de satan als een engel des lichts hem bestraffen. Die kan nu net zoals hij wil, hij kan lachen en hij kan huilen. En dan voorspelt hij hem zijn einde tegen de dag van morgen. Morgen zullen gij en uw zonen sterven en zal Israël geslagen zijn.

Nu is vaker de vraag gesteld of de satan dan de toekomst kan weten, die de Heere toch in Zijn eigen hand gesteld heeft. Mij dunkt, het antwoord kan vrij eenvoudig zijn. Of het precies op de dag van morgen geschied is laat zich denken. Maar dat het misliep, dat kon zelfs Saul zelf wel zien, daar had hij de duivel niet voor nodig. Daarenboven weet satan veel. Job 1 vertelt ons hoe de Heere al Jobs bezit in satans hand gegeven had, ook het leven van zijn kinderen. Alleen Jobs leven niet. Daar kan dus de duivel weten wanneer hij Jobs kinderen van plan was

weg te rukken. En zo kan hier de duivel, in wiens macht Saul wordt overgegeven, weten dat morgen de dag zou zijn, waarop Saul met zijn zonen sneuvelen zouden.

Zo voorzegt dan de stem uit de duisternis Saul zijn einde. Hier wordt Saul overgegeven in de macht van satan.

Zij die de doden vragen en met de geesten in contact treden, dragen in de regel de sporen van hun zonde in hun lichaam. Die met de geesten spreken, zien er zelf uit als geesten. Hun zenuwgestel raakt geheel in de war. Dit zien wij ook aan Saul. Hij beeft en vreest en er is geen kracht meer in hem. Arme man, wat is er van de frisse krachtige jongeling van weleer overgebleven, die van zijn schouderen opwaarts hoger was dan al het volk, schoner dan hij was er geen man onder de kinderen Israëls. De deur van de hel gaat dicht en de stem zwijgt, maar nog een dag of enkele dagen en daar is een man op het gebergte van Gilboa gevallen in zijn eigen zwaard en hij ging naar zijn eigen plaats.

Lezer (es), wat zullen wij doen? Zullen wij hardelijk spreken over hem, aan wie de Heere recht gedaan heeft? Ach, wij kunnen niet zegenen die God gevloekt heeft. Maar zullen wij hardelijk spreken over hem, die zo jammerlijk geworsteld heeft tot vlak voor zijn dood, die tot het laatst toe gehinkt heeft op twee gedachten? Wij kunnen en mogen hem niet zalig spreken, want wij menen eerlijk, dat hij verloren is. Maar wij willen veeleer doen wat David deed. David scheurde zijn klederen en weeklaagde en weende en vastte tot de avond, niet alleen over Jonathan zijn vriend, die vallen moest om zijns vaders zonden, maar ook over Saul en zelfs na zijn rampzalige dood noemt hij hem nog de gezalfde des Heeren en daar weent David het uit:

„O sieraad van Israël! Op uwe hoogten is hij verslagen! Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon, opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden. Gij bergen van Gilboa! noch dauw, noch regen moet op u zijn, noch velden der hefofferen, want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie! Gij dochteren van Israël! weent over Saul!"

Maar toch ook ziet hier het vreselijk einde van degenen, die zonder God sterven zullen. Zouden wij u niet ernstig waarschuwen voor het heilloos spoor der zonde? Hoe menig veelbelovend jongeling kan niet diezelfde weg inslaan. Zo goed begonnen, maar ten halve gekeerd. En ge weet niet waarin ge terecht komt. Misschien de zonde, die ge als Saul nu verfoeit en uit wilt roeien, straks begaan om dan in de nacht te luisteren aan de poorten der hel om u de toekomst te doen voorspellen. O, bekeert u, bekeert u toch reeds jong tot de Heere. Dan liever met Jonathan alles verliezen, maar God gewinnen dan met Saul alles winnen, maar God verliezen en straks met God ook nog al wat gij hebt. En laat toch uw hart volkomen zijn met de Heere. Niet God wat en de wereld wat, ook niet God veel en de wereld wat, maar God alles, voor Hem uw hart, voor Hem uw leven. Kiest u heden wie ge dienen zult: de Heere of satan.

K.a.Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 september 1963

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Saul te Endor

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 september 1963

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken