Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE GROND VAN HET VERTROUWEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE GROND VAN HET VERTROUWEN

14 minuten leestijd

Een belangstellend lezer bracht enige tijd geleden zondag 7 in het geding. Hij schreef: ..Over dit antwoord van de Catechismus wordt verschillend gedacht. Er zijn oude en nieuwe schrijvers, die menen dat het vertrouwen des geloofs, in zondag 7 genoemd, gegrond is op het deelachtig zijn van deze weldaden. Men leze b.v. van der Groe, v. d. Kemp, Petrus de Wit e.a. Maar Comrie, Barueth en anderen tonen klaar aan, dat het woord , , geschonken" hier genoemd niet anders opgevat kan worden dan als geoffreerd of aangeboden. En ik meen, dat dit de reformatorische lijn is, want hoe men anders de eis des geloofs, die op elk hoorder van het Evangelie ligt, kan handhaven, vermag ik niet te begrijpen. Kunt u hier enig licht over geven? "

Het onderwerp is in elk geval de moeite waard, zou ik zeggen. Ik ben dan ook eens rond gaan kijken bij de ouden, want bij hen is wijsheid, zegt de Schrift.

Maar nu zegt onze lezer al van te voren dat zij verschillen. Onder hen zou Th. van der Groe b.v. het vertrouwen des geloofs gronden op het deelachtig zijn van de weldaden en dus niet op het geschonken of aangeboden zijn van de weldaden. Ik wil dit wel geloven, maar is het waar? Ik las toch ook bij van der Groe, dat het vertrouwen des geloofs rust op Gods beloften. Hij spreekt niet van een rusten op een deelachtig zijn van dc weldaden en daarop vertrouwen. Tenminste tegen het einde van zijn preek over zondag 7 niet. In het verband vergelijkt hij daar geloof en ongeloof met licht en duisternis. In de gelovige is geloof en ongeloof. Maar die twee vermengen zich evenmin als licht en duisternis. Licht blijft altijd licht, al is er ook nog zoveel duisternis en nevel mee vermengd. Dan zegt hij: Evenzo is het ook met het geloof gelegen, het bestaat wel tezamen met het ongeloof in dezelfde persoon des gelovigen, als een gemeen onderwerp; maar het blijft in zijn aard en natuur altijd van het ongeloof gescheiden als een geheel ander uiterste. Een oprecht geloof is en blijft altijd een zeker vertrouwen, gelijk de Onderwijzer het hier noemt en dat om drie redenen:1. Omdat het vertrouwen des geloofs onbewegelijk rust op Gods zekere en onfeilbare beloften.

Hier rust dus het vertrouwen op de beloften, en in de beloften zijn toch de weldaden geschonken.

Een tweede opmerking mag ik mij zeker wel veroorloven, nl. dat de vergelijking met licht en duisternis er toe leidt, dat men in de schemering terechtkomt. Dan blijft er wel een invloed van het licht, maar er is ook een invloed van de duisternis. En dan is het licht niet zo groot meer, doch heel klein in zijn uitwerking. Als nu geloof en ongeloof zich ook zo vermengen als licht en duisternis, krijgen we dus ook geloofsschemering.

Maar kan men dan altijd roemen in een zeker en vast vertrouwen? Het is gauw gezegd, dat het geloof altijd de zekerheid in zich bergt en dat geloof ik ook wel, gelijk licht altijd licht is. Maar gelijk de duisternis soms het licht bijna verzwelgt, kan zo het ongeloof het geloof niet overdekken dat de gelovige weinig zekerheid bemerkt? Dat moet toch wel. Toegegeven zij, dat weinig zekerheid ook zekerheid is, gelijk weinig licht ook licht is. Maar het grote geroep over een altijd aanwezige zekerheid des geloofs mag dan gerust een beetje gematigd worden.

Ik wil op deze dingen nog wel wat dieper ingaan. Onze lever heeft van der Groe genoemd. Hoe ziet deze het geloof? Ik wil het anders vragen: Hoe legt hij zondag 7 uit? Laat ik daar iets van vertellen. Vraag 21 zegt, dat het geloof een zekere of vaste kennis is van alles wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Vanuit deze kennis, zegt hij, moeten wij het vertrouwen begrijpen. Daarom begint de predikant van Kralingen met de vraag, wat een zondaar zeker weet en voor waarachtig houdt als God het geloof in hem gewerkt heeft? Dan is hij een groot zondaar voor God. Maar in welke weg geschiedt deze openbaring? Is een uitverkorene eerst een gelovige en wordt hem daarna de kennis der zonde geschonken?

Zo is het niet. Aan het ware geloof gaat altijd iets vooraf. Niemand kan ooit een waar gelovige zijn, tenzij hij tot die staat wordt voorbereid. Van nature leeft de mens in zichzelf gekeerd. Hij zoekt ook zijn behoudenis bij zichzelf. Daarom heeft ieder een zaligmakende ontdekking nodig.

, , Er is zekerlijk een voorafgaande goddelijke ontdekking of verlichting van het verstand nodig, indien het ware geloof krachtdadig zal gewerkt worden door dc Heilige Geest in het hart van de uitverkoren zondaar. Het is de algemene gereformeerde leer, dat alleen in de uitverkorenen het geloof wordt gewerkt.

Ursinus heeft in zijn Schatboek een paragraafje met het opschrift: Aan wien het geloof gegeven wordt". Daarin zegt hij: Het rechtvaardigmakend geloof wordt gegeven aan alle uitverkorenen en aan hen alleen. Ook de kleine kinderen aangaande enige genegenheid. Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke" (Joh. 6:44). „U is gegeven te verstaan de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen; maar dezen is dat niet gegeven" (Matth. 13:11). „Zij hebben geloofd, zovelen verordineerd waren tot het eeuwige leven" (Hand. 13:48). „Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, gerechtvaardigd, verheerlijkt" (Rom. 8:30). „Het geloof is een gave Gods" (Ef. 2:8). „Zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest" (Rom. 10:16). „Het geloof is niet aller" (2 Thess. 3:2).

Het zijn ook alleen de uitverkorenen, die zaligmakend overtuigd worden, d.w.z. bij hen leidt de overtuiging tot Christus. Voordat God zich in Christus openbaart, openbaart Hij zich in de wet. Het is Gods eigen en vaste orde in het zaligmakend bekeren van arme zondaren, dat Hij zich eerst ontdekt aan hen door middel van de wet, teneinde onze gemoederen zo te bereiden voor het licht van het Evangelie.

Door de wet doet Hij zijn toorn kennen om de zielen te doorwonden. Van der Groe neemt het kwalijk, dat men de geestelijke overtuiging door de wet zou willen vervangen door een zg. evangelische leiding. „Hij, die nooit hartelijk verschrikt en verslagen werd door een gevoelig gezicht van zijn zonden en van Gods heilige gerechtigheid, die heeft geen grond om zich te troosten met Gods genade en barmhartigheid."

Mate en trappen, tijd en wijze van de wettische overtuiging zijn verschillend, maar zoveel is nodig, dat de overtuigde tot Christus vlucht.

Wie overtuigd is van zonde, ontvangt ook een ware, duidelijke en levende kennis van zichzelf. Zij krijgen een droevig gezicht van hun ellendige zondestaat, waardoor zij zeer angstig worden. Iemand die dit, door Gods genade niet zelf heeft ondervonden, zal het nooit recht kunnen bevatten. Hoe meer licht de uitverkorene krijgt, hoe meer benauwdheid. Hij wordt nu met zichzelf bekend gemaakt. Wat een smartelijk gezicht! Het verstand is verduisterd, de wil boos en onheilig, alle genegenheden en hartstochten verdorven. In zichzelf ontmoet hij niets dan goddeloosheid en vijandschap tegen God. Daardoor moet de zondaar God rechtvaardigen en zichzelf verdoemen. De overtuigde zondaar wordt gewaar, dat zijn staat geheel hulpeloos, hopeloos, reddeloos en radeloos is en zijn gehele natuur zondig, bedorven, onheilig, goddeloos, ongelovig, vijandig en wederspannig tegen God is.

Zo wordt de geestelijk overtuigde mens verloren in zichzelf en hij zegt: het is buiten hoop. Van der Groe stelt: „Gewisselijk. hier moet het, wat betreft het wezen en de grond en de wortel der zaak met alle mensen komen, die zaligmakend door Gods Geest overtuigd en voor de genade van het Evangelie in Christus Jezus vatbaar gemaakt zullen worden."

Voorts moet aan deze zondaar de weg der zaligheid geopenbaard worden. Het evangelie is immers een diep verzegelde verborgenheid voor het menselijk verstand. Met letterkennis blijven we blind. De onbegrijpelijke heerlijkheid Gods in Christus kunnen wij niet zien. Daarom, zodra de H. Geest door zijn zielzaligende overtuiging de uitverkorenen met de scherpe vlijm van de wet heeft doorwond, begint Hij hen met de verkwikkende balsem van het Evangelie te genezen.

De Geest opent hier nu voor de arme verslagen zielen de rijke schatkamers van de Evangelische genade. Hij doet hen Christus aanschouwen. De ziel aanschouwt in Hem een onuitputtelijke volheid en algenoegzaamheid van genade. De Geest drukt de dierbare beloften van Christus' bereidwilligheid en van Gods vrije genade om alle arme zondaren te verlossen en te zaligen door het geloof in

de Borg, zozeer op het hart, dat de verslagen zondaar ze gaat geloven.

„Het is God Zelf, in Christus, door Zijn Geest, die nu aan het hart van de arme zondaar krachtig werkt met de evangelische beloften om hem daaraan te doen geloven. Hij neemt dat hart nu geheel in met Zijn goddelijk licht en genade en trekt de aandacht en genegenheid af van de ijdele wereld en van alle andere dingen, en buigt het hart lieflijk over naar Christus en Zijn allerdierbaarste gemeenschap." De mens is dan buiten zichzelf van verwondering over de weg Gods.

„O, roept hij uit, wie ben ik, een dode en onreine hond. een allergruwelijkst monster van alle ellende en goddeloosheid, die anders niet verdiend heeft dan door God in de hel gestoten en voor eeuwig verworpen te worden." In deze weg komt de Geest de zondaar krachtdadig te bewerken, zodat hij Jezus aanneemt en uitroept:

Mijn Heere en mijn God."

Aan de schenking van het ware geloof gaan dus drie dingen vooraf: de bevindelijke kennis van God in zijn heiligheid en gerechtigheid, de bevindelijke kennis van onszelf en die van de weg der zaligheid.

We keren nu terug tot zondag 7. Wat heeft de gelovige uit Gods Woord aangenomen en wat weet hij dus zeker?

1. Hij weet zeker, dat hij een groot zondaar is, die al de geboden Gods zwaarlijk heeft overtreden. Dat belijdt hij van ganser harte, met schaamte, droefheid en diep berouw.

2. Deze gelovige heeft geleerd, dat de Heere een heilig God is, die toornt over de zonde en de zondaar tijdelijk en eeuwig zal straffen. Dat weet hij zeker. Hij is daar verslagen onder en gevoelt zich een vervloekt zondaar voor God. Hij roept uit: , , o Heere, straf mij niet in uw toorn, kastijd mij niet in uw grimmigheid."

3. Voorts openbaarde God deze zondaar. dat hij een onmachtig en verloren Adamskind is. die niets kan doen tot zijn behoudenis. Dat bevindt deze mens bij zichzelf. Hij weet het zeker. Hij bevindt zich onmachtig en ellendig. Hij is geheel radeloos in zichzelf.

4. Maar aan de gelovige is ook geopenbaard, dat de Heere goedertieren is en dat Hij een verbond des vredes wil maken met alle doemwaardige zondaren, die tot de Heere hun God willen wederkeren. Dus weet hij „dat de Heere God daartoe Zijn vrede en genade aan alle zondaren en zondaressen, die onder het Evangelie leven, laat aanbieden en hen luide laat toeroepen: wendt u naar Mij toe en wordt behouden".

Zo weet de gelovige zeker, dat God geen behagen heeft in de dood van een zondaar, zelfs van de zondigste niet. Integendeel. Hij laat aan alle zondaren genade verkondigen. Wat een blijdschap.

Hoe gaarne hoort de zondaar dit. Hoe dierbaar is hem de zoete taal van het Evangelie. Het is alsof de Heere wil zeggen: „Hoe zou dat toch in Mij vallen kunnen, dat Ik, de Heere, die zo vol genade en barmhartigheid ben, een arme, ellendige zondaar zou willen laten sterven en vergaan, daar Mijn rechterhand hem verlossen en behouden kan, als hij maar tot Mij wil komen." Wat zegt deze zondaar? Hij zegt: o zoete en grondeloze barmhartigheid Gods.

En, zegt van der Groe, waar komt nu dat vertrouwen des geloofs uit op? Wel, God openbaart de zondaar de weg der genade in Christus, bestemd voor een iegelijk, die gelooft. De Heere openbaart ook hoe Hij zijn Zoon tot een Verlosser en Zaligmaker aanbiedt aan alle arme en gewillige zondaren zonder onderscheid. „Hoe Hij hun allen, met en door zijn Zoon. ook de vergeving van al hun zonden. uit genade belooft en aanbiedt."

Van der Groe schijnt hier het aanbod der genade enigszins te willen beperken.

Het komt mij voor, dat het schijn is. Hij spreekt van arme gewillige zondaren zonder onderscheid, die het aanbod of de schenking ontvangen. In de Schrift is de aanbieding altijd door een voorwaarde omgeven. Daar lezen we van armen, of vermoeiden en belasten, of dorstigen of gelovigen. Het aanbod geschiedt in de Schrift aan allen, doch dan altijd met een voorwaarde. Dat bedoelt van der Groe ook blijkens zijn woorden: Hoe Hij hun allen, met en door Zijn Zoon, ook de vergeving aller hunner zonden uit genade belooft en aanbiedt, gelijk Paulus dit ook predikte aan al de Joden (zonder beperking dus, L.V.) zeggende. Hand. 13:38:

Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat u door Dezen vergeving van zonden verkondigd wordt.'' Dus door Christus wordt aan alle Joden onder het gehoor van Paulus vergeving verkondigd. Van der Groe stelt , , verkondigd" gelijk met „geschonken en aangeboden". Maar deze schenking aan allen bevat de voorwaarde van geloof. Van der Groe schrijft: indien gij maar met een oprecht geloof die genade Gods, door Christus, op de beloften des Evangelies wilt ontvangen en aannemen." Dit is een weergave van Hand. 13:19: En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt."

Dus komt het evangelie Gods tot de zondaar. Deze hoeft niets te doen dan zijn hart er wijd voor openen en de aangeboden Middelaar aannemen. Dit aanbod is algemeen, voor alle arme zondaren, die zodanig een Borg en Zaligmaker met al zijn heilsgoederen werkelijk nodig hebben. Christus roept alle arme zondaren zeer vriendelijk tot Zich (Matth. 11 : 28, Openb. 22 : 17).

Wat is het Evangelie? Het is de boodschap, waarin de Heere aan alle arme zondaren een vaste belofte doet, dat Hij hun de Heere Jezus tot een Zaligmaker schenkt en in Hem al de goederen des heils, als de zondaren op de Goddelijke belofte geheel en alleen willen vertrou-wen en zich geheel aan Christus overgeven.

Om een oprecht geloof te ontvangen moeten wij eerst dit Evangelie door 's Heeren Geest leren verstaan en geloven. Als nu de zondaar dit Evangelie kent en gelooft, gaat hij een zeker vertrouwen des geloofs oefenen. Dit gaat zo. Nadat het Evangelie aan hem bekend gemaakt is, heeft hij het lief gekregen. Voorts heeft hij een hartelijke begeerte naar de genade, daarin geopenbaard. Hij hijgt naar Gods genade en naar de vergeving der zonden.

Hij kan het niet meer zonder Christus stellen, want als dit moet zal hij bezwijken onder Gods toorn.

Nu strekt de gelovige door de kracht des Geestes zijn hart zo wijd uit, dat hij met een oprecht geloof de aangeboden genade aanneemt en Christus aangrijpt. Hij zegt: Heere, ik geloof al uw beloften en zet er mijn vertrouwen op. Help mij, Heere, om er mijn vertrouwen op te blijven stellen. Ik ben zo zwak, Heere, maar ik betrouw op U. Ik zoek al mijn vastigheid in uw beloften. Kom mijn ongeloof te hulp. Dit is voor van der Groe het zekere vertrouwen, dat de Catechismus bedoelt. Het gaat bij veel gelovigen gepaard met duisternis, ongeloof en twijfel. Velen zijn dikwijls zeer zwak in het geloven.

Maar elk kruimeltje geloof en vertrouwen heeft z'n eigen zekerheid in zich.

Misschien heb ik wat overgeslagen, maar het is mij niet gelukt bij v. d. Groe te vinden, dat hij het vertrouwen grondt op het deelachtig zijn van de weldaden.

Hier ging het even om. De prediker van Kralingen grondt het vertrouwen alleen op de beloften van het Evangelie. Dat kan men ook moeilijk anders van hem verwachten. Men luistere maar naar deze zinsnede:

„O Heere, mijn genadige God en Vader! ik wil aan deze, Uwe gewisse beloften, geenszins twijfelen, maar ik wil die zekerlijk en vast met mijn hart geloven, er al mijn vertrouwen, in leven en sterven, daar alleen op stellen." Of die andere: „Zodra de arme zondaar alzo waarlijk dat Evangelie Gods, dat hij nu in zijn hart zekerlijk kent en verstaat, op Gods getuigenissen in het Woord oprechtelijk, als een gewisse ontwijfelbare en vaste waarheid gelooft, zo gaat hij nu door de werking des Heiligen Geestes, als een vast en noodzakelijk gevolg daarvan, een zeker vertrouwen des geloofs oefenen op God en Christus, en op de grond der Evangelische beloften.

P.S. In het nummer van 27 febr. op blz. 67, 2e kolom halverwege, staat: Hier is de Geest wel in de zegengroet opgenomen". Daar moet aan voorafgaan:2 Cor. 13:13. Dan klopt het.

Een man die dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan is.

Spreuken 29 : 1.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 maart 1965

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE GROND VAN HET VERTROUWEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 maart 1965

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken