Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET EVANGELIE TE BEREA

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET EVANGELIE TE BEREA

11 minuten leestijd

En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Berea, welke daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden. En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige. Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het woord Gods ook te Berea door Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen. Doch de broeders zonden toen van stonden aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven aldaar. En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe.

Hand. 17:10-15a.

Het woord ontvangen te Berea

Voor ons ligt de geschiedenis van de gemeente van Berea, waarvan wij doorgaans niet meer weten, dan dat daar een edel volk woonde, dat Paulus' prediking toetste aan Gods woord. Op zichzelf is die wetenschap al voldoende om daar onze overdenking aan te wijden, maar de geschiedenis van deze gemeente meldt ons meer en dieper wetenswaardigheden. De stad dan lag op een behoorlijk grote afstand van Thessalonica, vanwaar Paulus en Silas kwamën na het oproer, dat tegen hen ontstaan was in laatst genoemde stad, en Berea lag op een heel grote afstand van Athene, waarheen Paulus uitweek, toen er ook te Berea troebelen ontstonden tegen zijn bediening van het Evangelie. Berea was niet een puur heidense stad, er was ook daar, als in zo vele Griekse steden, een Jodengemeente met een eigen synagoge, waartoe behalve de Joden ook een behoorlijk aantal Jodengenoten, tot het Jodendom bekeerde heidenen, schenen te behoren. In de nacht hadden Paulus en Silas uit Thessalonica moeten vluchten. Zo hadden de broeders in Thessalonica dat gewild. Het getuigt wel van grote moed van de apostelen, dat ze maar weer direct naar de Berese synagoge gingen. Als wij door een bepaald soort mensen uitgeworpen en vervolgd zouden zijn, dan zouden wij denkelijk niet direct daarop in e en volgende plaats ditzelfde soort mensen weer gaan opzoeken. Paulus en Silas deden dat wel. Zij deden dat voor alles, omdat de liefde tot hun eigen volk, die beminden om der vaderen wil, hen dreef. Paulus wist, dat er al eens meer vervolgers tot God bekeerd waren. Daarom ging hij met Silas naar de synagoge niet alleen, maar daarom sprak hij er ook. Dat was niet, omdat hij zichzelf zo graag hoorde spreken. Dat was niet, omdat hij als Jood geen vijf minuten zwijgen kon. De liefde van Christus drong hem om te spreken, hij had een boodschap, die waard was gebracht en gehoord te worden. En hij sprak — en hij preekte — voor een gewillig gehoor of voor een onwillig gehoor!

Dat was een beter volk dari**dat van Thessalonica (hoewel daar ook wel enige broeders waren, als bij voorbeeld Jason), die Bereërs waren edeler. Beter van aard. Die Thessalonicenzen hadden nota bene enkele marktboeven bewogen om volksoproer te maken, waartoe die zelfs de oversten der stad meekregen. Dit volk van Berea was een rustig soort volk, kalme, goedaardige mensen. Dat scheelt voor de prediking ook nog wel heel wat, hoe een bepaalde volksaard is! Zij waren niet alleen goedaardige mensen, maar zij luisterden ook. En zij luisterden niet alleen, maar zij ontvingen het woord. Het werkwoord dechomai betekent: geestelijk opnemen, geestelijk aanvaarden, geloven. Dat is het edelste, wat mensen doen kunnen met de prediking van Christus (zie vers 3): die aanvaarden, die aanhoren en in zich opnemen. Dat is die adeldom, die niet slechts een goed karakter verraadt, die niet slechts bogen kan op zijn afkomst van Abrahams zaad, maar die ontstaat door wederbarende genade. Hier opende God harten voor Zijn woord, hier droeg Gods Geest het woord van Paulus in hun harten. Dat ketste niet af op onwillige vijandigheid, dat bleef er niet buiten door doffe onverschilligheid, dat ging er in door hartelijke genegenheid.

Zij ontvingen het woord met alle toegenegenheid. Dat is een genegenheid, die het oor doet neigen, die het hoofd doet neigen, die het hele lichaam voorover doet neigen, die een pas vooruit doet komen, om het vooral goed te horen, om er geen woord van te missen. Je kunt aan zulke mensen zelfs zien, dat zij het woord opeten, dat zij het indrinken. Met alle toegenegenheid, dat is met een toegenegen hart: De prediking genegen zijn, het woord genegen zijn, Christus genegen zijn. Zij waren edeler dan die van Thessalonica!

Het woord getoetst

„Onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren." Zij toetsten niet de Schrift aan de prediking, maar de prediking aan de Schrift. De preek was niet nummer één, maar het woord Gods was nummer één. Daar zijn predikers, die toornig yvorden als men hun preek toetst aan Gods Woord, aan een tekst of aan teksten. Dan deugt er vast iets niet in hun prediking. Een rechtgeaarde prediker moet blij zijn, als men zijn preek gestadig naast Gods woord legt. Hij is toch immers een feilbaar mens. Hoe dichter een gemeente bij het woord leeft, hoe beter. Dan wil zij niet minder dan het woord, maar dan wil zij ook niet méér dan het woord. Let er wel op: toetsen aan het woord. Er staat, dat zij dagelijks onderzochten de Schriften (meervoud!) of deze dingen alzo waren. Men moet de prediking van Christus toetsen aan de teksten uit de bijbel, maar die dan ook weer gezien in hun verband, en dat dan ook weer gezien in het grote verband van al de Schriften, van de hele bijbel. Voor hen betekende dat dus het gehele Oude Testament. Dit vraagt dan een thuis zijn in de bijbel, een zich inwerken in het gehele woord Gods.

De prediking aan het woord toetsen is dus iets anders dan aan zichzelf, aan zijn opvattingen, aan zijn overtuiging, aan zijn idealen toetsen. Het is ook wat anders, dan de prediking toetsen aan de vast verankerde theologie van zijn volk. Dat deden de Joden van Thessalonica. Theologie is tenslotte menselijke wetenschap. Theologie kan falen en faalt vaak. De religie, die uit God is, faalt niet. En zeker het woord Gods faalt niet. De religie, dat is de levende bevinding van het woord Gods, die alleen ervaart, dat wat de bijbel zegt waar is. Omdat er zoveel religie niet uit God is, gaat men het zekerst met het

woord Gods en de inspraak van Gods Geest. Elke religie heeft tenslotte zijn bevinding, geeft een zekere ervaring. Maar déze proefondervindelijkheid liegt niet; het gelóven van de prediking van Christus, als een Zaligmaker voor zondaren, naar de Schriften.

Dit deden de Bereërs dagelijks. Dat zegt mij twee dingen. Ten eerste, dat zij dagelijks met Gods woord bezig waren. Ten tweede, dat zij een hele week met de gehoorde of te horen preek bezig waren. Nu kan men uit een overspannen geestelijkheid, uit óvergeestelijkheid altijd, te pas en te onpas, met de bijbel en met een zeker soort prediking bezig zijn. Dat komt veel voor bij sekten. De mensen uit Berea waren daar te edel voor. Dat waren geen overdreven mensen, geen overspannen geesten. Maar men kan zonder overdrevenheid, rustig en nuchter ook bij Gods woord en bij de gehoorde prediking léven. Dan worden die ons tot een levensbehoefte, dan worden die ons tot dagelijks manna. Daarin nu waren de Bereërs edeler. Eugenès, van edel geslacht, van edele inborst, is men als men behoort tot het geslacht van die God vrezen, die dus gegrepen hebben het beginsel der wijsheid. Zulken leven nog 's zaterdags uit de zondag en zij leven van maandag af naar de zondag toe!

Des Heeren werken zijn zeer groot; Wie ooit daarin zijn lust genoot, Doorzoekt die ijv'rig en bestendig. Zijn doen is enkel majesteit, Aanbiddelijke heerlijkheid, En Zijn gerechtigheid onendig.

Zijn naam is heilig en geducht; De vijand beeft op Zijn gerucht; Maar 's Heeren vrees zal altoos wezen 't Begin der wijsheid; wien Gods hand Die doet betrachten, heeft verstand; Zijn naam blijft eeuwiglijk geprezen! b

Het woord geloofd d g h

„Velen dan uit hen die geloofden, en van de Griekse eerbare vrouwen en van de mannen niet weinigen." r b

Het horen van het woord, het aanvaarden van het woord, het toetsen van het woord der prediking aan hèt woord geeft toch genade. Deze mensen kwamen er door tot het geloof. Dat was na de afwijzing te Thessalonica voor Silas en Paulus toch weer eens een bemoediging. Het loopt ook niet altijd tegen. De Heere is voor Zijn knechten geen land van uiterste duisternis. Daar kwam echt geloof voort uit de prediking in Berea, het tegenwoordige Verria, eertijds een zeer volkrijke stad. Maar de meeste vrucht viel, hoewel in de synagoge, niet onder de Joden, maar onder de Grieken. Men ziet de genade nogal eens vallen niet onder degenen, die er jaar en dag onder verkeerd hebben en die er jaar en dag dezelfde onder gebleven zijn, maar juist onder degenen, die er tot dusver vreemd en ver van geweest zijn. Dit waren allereerst vrouwen, daarna mannen. De vrouw is in de zonde de eerste geweest, zij is ook in de genade nogal eens de eerste. Let maar eens op de moeders in de gezinnen, op de moeders in de opvoeding, op de moeders in de genade. Het is wel merkwaardig, dat u in de bijbel wel leest de vaste uitdrukking: „Moeders in Israël", niet „Vaders in Israël".

Daar waren er ook niet weinigen, die geloofden. En zij waren eerbare lieden, vrouwen en mannen van eer, van aanzien, van gegoeden huize, van adellijken huize. Het christendom is in edele kringen geboren, leest u maar eens in de Evangeliën, hoofdlieden uit het leger, de rentmeestersvrouw van Herodes, Publius met zijn landhoeven, die van het huis van Nero waren, en nu hier weer edelen van geest en edelen van de bloede. De Reformatie begon ook in de hoge kringen. Thans schijnt het verval van het christendom te beginnen in hoge en wetenschappelijke kringen. Men mag beter de inzet geven van wat goeds dan van wat kwaads. God begint Zijn zaak met vorsten en Hij eindigt er Zijn zaak mee, als Hij ze maakt koningen en priesters.

Het woord vervolgd

„Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het woord Gods ook te Berea door Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen. Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven aldaar. En die Paulus geleidden brachten hem tot Athene toe."

Hier is de tragiek van het Evangelie. Het wordt altijd tegengestaan, het wordt overal tegengestaan. Zo bloeiend kon de gemeente van Berea niet zijn door Gods genade, of de vijanden van Thessalonica maakten ook hier het volk in de war en in beweging. En merkwaardig: Zij zeiden juist van Paulus en Silas (vers 6): „Die de wereld beroerd hebben, zijn ook tot ons gekomen." Die de beroering maken tegen het ware woord Gods, beschuldigen de rechte predikers, dat zij overal beroering rengen. Waar maar mensen bekeerd orden, waar het woord wat doet, daar lijft de tegenstand niet uit. En die tegenstand komt altijd uit de kerk, die er de wereld voorspant. Het is nooit een beste zaak, waar de kerk de wereld voor nodig heeft. Een goede zaak kan de kerk alleen met God wel af.

De broeders zenden haastig Paulus weg en Paulus laat zich wegzenden. Het zaad is nu toch gestrooid. Als er goed gepreekt wordt, als Christus gepreekt wordt voor zondaren, als een schuldovernemende Borg, dan zijn er niet zovéél preken voor nodig, om een goed en blijvend fundament te leggen. Dan kan een leraar gemakkelijk weer vertrekken en het werk en de mensen aan God overlaten.

Ze gebruiken ook een tweetal listen. Terwijl de „oproermaker" Paulus kalmpjes weggaat, laat hij Silas en Timotheüs achter. Terwijl zij hem zoeken en najagen zullen, kunnen Silas en Timotheüs kalm voortpreken en arbeiden. Dat was de eerste list. De tweede was deze, dat Paulus kwansuis naar de zee ging, zodat zij moesten denken, dat hij daar scheep gegaan was voor een grote reis naar verre landen, terwijl hij metterdaad even voor de zee afsloeg de lange weg naar Athene. Een weinig humor, een weinig listigheid tegen de tegenstanders van het Evangelie is nuttig en niet te veroordelen. Tegenover zwaarwichtige tegenstand houdt een weinig geestigheid ons gemoed vrolijk. Tijdens de vervolgingen uit de reformatietijd en uit de afscheidingsjaren hebben de Godvruchtige leraars en kerkleden daar vrijmoedig en blijmoedig en ruim gebruik van gemaakt.

Tenslotte: Zie op uw kaart achterin uw bijbel hoe grote reis Paulus te voet naar Athene heeft moeten maken, en dat in een voor hem onbekend land, bovendien achtervolgd door de vijanden. En dan is het aandoenlijk te zien, hoe die edele Bereërs hem tot Athene toe begeleid hebben, hem, de kleine, moedige kruisgezant. De gemeenschap der heiligen bij een schare wandelaars naar Athene, de stad van de goden, de stad van de wetenschap, in opmars met het Evangelie alleen. En de hen achtervolgende werkers der wet stranden daar ergens ten westen van Berea aan de zee.

Zw.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 augustus 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

HET EVANGELIE TE BEREA

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 augustus 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken