Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Aan de schone poort

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Aan de schone poort

11 minuten leestijd

In de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel! En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op: en ter~ stond werden zijn voeten en enkelen vast.

Hand. 3 : 6b en 7.

Voor ons ligt de eenvoudige geschiedenis, waarmee de handelingen der apostelen, de eigenlijke handelingen, beginnen. Hierachter ligt de Pinkstergeschiedenis.

Het gevolg van deze geschiedenis is, dat Petrus een rede houdt in het voorhof van Salomo, waarop velen geloofden en waarop de discipelen voor het eerst een nacht over in de gevangenis raakten, waarna zij door het hele hogepriesterlijk geslacht (Annas, Kajafas, een zekere Johannes, en Alexander) werden verhoord. Het moet dus wel een gebeurtenis van belang geweest zijn, dat een bedelaar tot het geloof gekomen is, dat de eerste preek in de tempel gehouden is (van welke preek wij dus met zekerheid weten, dat hij in de tempel gehouden is) en dat zeer velen door de genezing van de kreupele tot het geloof gekomen zijn. Daar zijn veel meer tekenen en wonderen door de apostelen gedaan, zoals ons Handelingen 2 : 43 bericht, maar de Heilige Geest heeft dit voor ons bewaard en te boek gesteld. Onder de vele bekeerlingen zullen alle discipelen paarsgewijs gearbeid hebben, bij groepen dus, en Lucas heeft blijkbaar alleen het optreden van Johannes en Petrus en later dat van Paulus beschreven. Er is dus nog wel tienvoudig gearbeid naast de arbeid van dit tweetal, Johannes en Petrus. Wat een troostvolle en bemoedigende gedachte, dat het koninkrijk Gods veel breder zich ontwikkelt dan wij weten en weten kunnen. De bijbel pocht of praalt nooit, maar is zo waar, dat er nog veel meer waar is, dan hijzelf ons meedeelt. Johannes en Petrus gaan hier samen, terwijl zij elk met een broer geroepen waren en eerst hadden samengewerkt. Het leven haalt mensen in de kerk, ook onder Gods knechten, uit elkaar en voegt ook weer mensen samen, om het werk te doen. In Gods Kerk werkt nooit iemand alleen. Wij mogen ook ambtelijk geloven in de gemeenschap der heiligen!

Petrus wordt eerst genoemd. Petrus treedt ook op en voert 't woord. Johannes staat er zo maar bij.

Toch heeft hij er even veel aan gedaan als Petrus. „Zie op ons!"

Toch is hij evenals Petrus gevangen gezet en verhoord. Daar is een trouwe vriend, die schoon stilzwijgend, zijn vriend niet in de steek laat. En Johannes, de hoog begaafde, had kunnen spreken op een voortreffelijke wijze. Samen dan gaan zij naar de kerk, 's middags om drie uur, om te bidden. Dat was het uur van het avondoffer. Het offer is nu gebracht en daar schiet in de plaats van de Joodse cultus alleen nog stof over tot danken en bidden. Zij gaan door één van de poorten de tempel binnen, nl. door de deuren, die Nicanor geschonken heeft, koperen deuren. Deze ingang, één van de vele, wordt hier genoemd de Schone Poort. Nergens anders wordt deze naam in de bijbel of in enig profaan geschrift genoemd. Zo heette deze ingang denkelijk in de volksmond. Hij geeft blijkbaar toegang tot de voorhof van Salomo, één van de oudste delen van de tempel, waar wij Jezus met de discipelen ook meermalen aangetroffen hebben in de Evangeliën. Ieder heeft zo zijn vaste gang in Gods huis. De discipelen gaan in de voetstappen van de Meester.

Deze Schone Poort nu is de plaats, waarvoor en waarachter een schone geschiedenis plaats greep. Overigens slechts met een ongelukkige man, overigens slechts met een bedelaar. Maar een man, over wiens genezing èn bekering, de engelen in de hemel straks zingen zullen. Hij wordt met name niet genoemd. De bijbel kent niet zozeer heiligenverering. Ook Petrus en Johannes wijzen de eer van het wonder van zich af. Er is maar één Heilige, die onder ons vereerd wordt, namelijk Jezus Christus, de Nazarener. De man was van zijn geboorte aan kreupel. De bijbel zegt het zo teer: „van moeders lijf". Al spoedig na zijn geboorte bleek, dat de voeten en de enkels het kinderlichaampje niet droegen. Wat er natuurlijk geenszins beter op werd, toen dit kind een jongen werd en toen die jongen een man werd. Zijn beide voeten droegen hem niet, zijn beide enkels waren onvast. „Kreupel", ja zo noemt een moeder dat dan, wat verzachtend voor haar kind, wat verzachtend voor haarzelf. Hij moest intussen gedragen worden en waar zij hem zetten, ja daar zat hij. En zo was het dag aan dag. Een lichaamsgebrek went wel, maar slijt nooit.

Bedelen moest hij. Of bedelen wilde hij. Dat was wel bij de wet in Israël verboden. De Heere wilde namelijk, dat Israël zou gedenken, dat zij tezamen slaven waren geweest in Egypte en dat zij nu zoveel zorg voor elkaar zouden hebben, dat er geen arme onder het volk zou zijn en dat er dus geen bedelarij zou voorkomen. U leest dat in Exodus 22 en 23. Maar ach, de wetten Gods waren ondanks alle wetticisme in Israël vergeten. De priesters zelf lieten zich dik betalen voor hun eerambten en kleedden daartoe zelfs weduwen en wezen uit. Dat er nu zelfs aan zo'n prachtig versierde „Schone Poort" een arme, ongelukkige stakker dagelijks gedragen werd om er zijn verboden beroep uit te oefenen, is wel een felle aanklacht tegen de godsdienst van het volk en van de adellijke priesterschap.

De man zelf was ook het toonbeeld van een volk zonder God. Dagelijks zette men hem daar. Dagelijks bedelde hij daar, hopend op de goeddadigheid van het vele volk, dat opging. Om meer dan aalmoezen was het hem dan ook niet te doen. Hoger dingen bedacht hij niet. Hij hield het maar buiten de Schone Poort van de tempel. Met het offer 's morgens of zoals nu, te negen ure, had hij niets van doen. Met de gebedsuren, driemaal daags, was hij niet onder de schare, die binnen ging om God aan te roepen om een hoger en om een blijvend, om een eeuwig goed. Het enige gebed, dat hij dagelijks en maar steeds deed, was een gebed tot de massa: Een aalmoes, een aalmoes!

Of deze man de discipelen gekend heeft, of hij de Heere Jezus, Die hier zoveel gepredikt en gewerkt heeft, gekend

heeft, weten wij niet. Uit zijn woorden tot Johannes en Petrus spreekt een zekere eerbied. , , Hij bad, dat hij een aalmoes mocht ontvangen." Ook bedelaars kennen hun fatsoen en wellevendheid, hun beleefdheden. Als hij straks God looft, dan is men geneigd te denken, dat hij daar iets meer van geweten moet hebben. In elk geval wekt Jezus' wondermacht in hem een nieuw leven, tegelijk met de gezondheid zijner voeten. Calvijn zegt daarover dit: „Men moet echter in gedachtenis houden, wat ik reeds gezegd heb, dat wij in deze geschiedenis als het ware een voorbeeld hebben van onze geestelijke vernieuwing, te weten, dat gelijkerwijs het Woord, dat deze kreupele aanvaardt, hem zijn gezondheid hergeven heeft, alzo God met Zijn woord tot in de zielen doordringt, om ze weder gezond te maken. En in de eerste plaats spreekt Hij door de mond van mensen en wekt ons op tot de gehoorzaamheid des geloofs; daarna beweegt Hij van binnen ons hart door Zijn Heilige Geest, zodat het Woord levende wortelen in ons schiet; eindelijk strekt Hij de hand uit en volbrengt geheel en al Zijn werk in ons. Dat wij aldus de wonderen moeten behandelen, wordt ons ook door Mattheüs geleerd." Aldus Calvijn.

De mogelijkheid bestaat dan zeer wel, dat onze man van alle geestelijkheid, ook van alle geestelijk leven gespeend was. Dat Petrus tot hem moet zeggen: „Zie op ons!" bewijst wel, dat zelfs terwijl hij vraagt om een gift, zijn ogen alweer afdwalen naar volgende tempelgangers. Petrus had hem al een poosje sterk aangezien, zonder dat de man het merkte. Daar wordt wat gevraagd zonder wat te verwachten! Daar wordt wat gebeden zonder het te menen, zonder er zelfs de gedachten bij te hebben. Hier staat een tweetal mensen bij hem stil, zonder dat hij er acht op geeft. Hier wordt door vier christenogen, door vier apostelogen, een nood gepeild, die de man zelf niet kende.

Neen, hij heeft op geen voeten en vamen beseft, wat voor mensen hier voor hem stilstonden. Hier staan de dragers van het levende Woord Gods, de gezanten van Christus voor hem stil. Hier staat als het ware het Woord Gods, hier staat als het ware Christus voor hem stil. „Zie op ons!" Niet alsof wij door onze kracht u iets geven kunnen, maar in de Naam van Christus staan wij hier voor u. — Dat moesten wij als verkondigers van het Woord Gods kunnen zeggen: „Zie op ons!" Zozeer moest het Woord Gods en de kracht des Evangelies in ons léven, dat wij zelf geloven konden, dat wij zelf zeker zijn konden, dat op ons woord kreupelen zouden wandelen, dat op ons woord doden zouden leven, dat zondaars behouden werden. Niet in onze naam, niet te onzer eer, maar in Zijn Naam en tot Zijn eer. Zie op ons, diénaren des levens, diénaren der hoop, diénaren des geloofs.

Looft Gods macht, die onbeperkt Gadeloze wond'ren werkt; Want Zijn gunst, alom verspreid.

Zal bestaan in eeuwigheid.

Die in onze lage stand Ons genadig bood de hand; Want Zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.

Geeft de God des hemels eer, Lof zij aller scheps'len Heer'; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Dan spreekt Petrus zijn befaamde woord: „Zilver of goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb... dat gééf ik u: in de naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel!" Petrus gebruikt het smaadwoord: de Nazarener, zoals mogelijk de bedelaar aan Jezus' poort de Heere Jezus gekend heeft, om uit Zijn smaad Zijn ere te bereiden. Wat een geloof van Petrus — en Johannes stond daar maar bij — wat een geloof van Johannes, dat door Christus' kracht in de geboorte verstorven voeten tot leven, tot wasdom en tot kracht konden komen en dat een man, die nooit had leren lopen, die nooit had kunnen lopen, metterdaad genezen zou worden. Wat een geloof van Petrus èn van Johannes, dat die man dat geloven zou en terstond zonder aarzelen dat doen zou. Niet door het geloof van Petrus, maar door het geloof van die bedelaar genas die man, door diens geloof in de Nazarener: Jezus Christus. Waarom gebruikte Petrus de vernederende naam Nazarener? Om gebruik te maken van Jezus' vernedering om deze diep-ongelukkige te brengen tot genade en ere.

Petrus' geloof doet grote kracht op het geloof van deze bedelaar. Hij grijpt hem bij de hand, bij de rechterhand en richt hem op. Dat is sacramentele genade, geloof ondersteunende genade. Dat is de rechte handreiking, om iemand uit zijn nood en ellende op te heffen. En terstond, op het aanraken van Petrus, werden 's mans voeten en enkelen vast. Daar geneest wat, daar groeit wat in die lamme voeten.

U weet, dat iets niet gemakkelijk geneest, wat men van zijn geboorte af meekrijgt. Ja, maar voor de genade staat geen ding, staan geen aangeboren of verkregen gebreken, staat geen erfzonde en geen dadelijke zonde. De man was maar een bedelaar. U wilt een bedelaar misschien een aalmoes in de hand werpen, maar zo'n man een hand geven aan de Schone Poort des tempels tussen al het kerkgaande volk? Dat is onze eer wel wat te na! Laten wij oppassen op de priester en de leviet, die aan de overzijde voorbijgaan! Zijn wij dat niet? Doen wij dat niet?

De man hield aan Petrus en Johannes vast.

Daar is een vriend, die meer aankleeft dan een broeder. Daar zijn van die mensen, die je niet los kunt laten, wier hand je wel altijd vast wilt houden, vanwege de hulp en de kracht, die er van die mensen is uitgegaan. Daar geschiedt het ongelooflijke, dat een verfomfaaide bedelaar, met de bedelpenningen in zijn kleed, een man met eertijds kromme voeten, nu niet door vrienden gedragen wordt, maar mèt twee nieuwe vrienden gaat, niet tot buiten de Schone Poort, maar tot in de Schone Poort... in Salomo's voorhof. Hand in hand met Petrus en Johannes! Zo vertelt het de bijbel.

Springende, wandelende, Gode lovende de tempel in. En hij hield vast aan Petrus en Johannes, toen deze gingen leren in de tempel voor al het volk.

Dit is het werk Gods... hieraan zult gij het weten, dat het niet een wondergeloof, maar een zaligmakend geloof is, zo gij van het wonder van Christus komt tot Zijn leer. Mèt wonder of zónder wonder aan ons lichaam geschied, dit is het wonder aller wonderen, zo iemand gelooft in de eniggeboren Zoon Gods.

Daarin is onze zaligheid! 'k Zal met vreugd opspringen in Hem!

Zw.

W. L. T.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juni 1967

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Aan de schone poort

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juni 1967

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken