Bekijk het origineel

LIEFDE WEKT LIEFDE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

LIEFDE WEKT LIEFDE

10 minuten leestijd

In Lukas 7 lezen we, dat Jezus te gast was bij een farizeeër, genaamd Simon. Blijkbaar was er nog geen definitieve breuk tussen Hem en de farizeeërs, ook al was Zijn woord telkens tegenover hen vlijmscherp. Zodoende konden leden van de partij der farizeeërs zonder bezwaar Jezus aan de maaltijd noden. Lukas vertelt dat meermalen.

Maar de gewenste hartelijkheid en vriendelijkheid was toch al ver zoek. Simon, de farizeeër, had immers geen water gegeven tot reiniging der voeten, zoals dat een goede gastheer betaamde. Ook

had hij geen kus ter begroeting gegeven, zoals dat de gewoonte was.

Het aanrichten en houden van een gastmaal ging in het oosten een beetje anders toe dan bij ons. De huizen der rijke joden hadden rond de binnenplaats zuilengangen. En naar de gewoonte van het oosten mochten ook vreemden vanuit die binnenplaats kijken naar de hoge en plechtige gastmaaltijd. Op de tafel stond een rijkdom van spijzen en vruchten. En voor de tafel stonden de hoge en zachte rustbanken, waarop de gasten zouden aanliggen. De houding bij het aanliggen was zo, dat de gasten steunden op de linkerarm, terwijl de blote van sandalen bevrijde voeten naar achteren waren gestrekt.

Als de gasten dan kwamen in hun veelkleurige gewaden, ging de heer des huizes op ieder van hen toe om hem te begroeten met de woorden „Vrede zij met u" en met het geven van de vredekus. Deze begroeting verzekerde de gast, dat hij welkom was en getuigde van liefde en vriendschap.

Dan kwamen de dienaren en wasten de gasten de door het stof van de straat verontreinigde voeten en sprengden welriekende zalf over hoofd en ledematen van de gast.

Welnu, zo was dan Jezus ook tot een dergelijke gastmaaltijd uitgenodigd. Hij had deze uitnodiging ongetwijfeld aanvaard, omdat Hij geen gelegenheid wilde voorbij laten gaan om bekering te prediken, opdat Hij zielen mocht redden. Hoe groot blijkt ook hieruit zijn opzoekende liefde te zijn. Hij wilde disgenoot der farizeeërs zijn en liet zich nodigen, hoewel Hij wist, dat zij beraadslaagd hadden om Hem te doden (6 : 11). Ondanks hun vijandschap vreesde de Heere hen niet, en toonde hen wat liefde tot de vijanden is. Hij trotseerde er zelfs in de gereserveerde en onbeleefde houding van Simon. Wij zouden zeggen: an voel je je wel opgelaten; je zou stilletjes zoeken weg te wezen. Niet alzo Jezus.

Heel dit verhaal van mij is bedoeld als een inleiding op het eigenlijke onderwerp, dat ik wil aansnijden. Het gaat mij eigenlijk om de' verzen 37 en 38: En zie, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in des farizeeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf, en staande achter aan zijn voeten, wenende, begon ze zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijn voeten, en zalfde ze met zalf.

Deze vrouw zal vanzelf gehoord hebben, bij wie Jezus aanlag aan de maaltijd. Vanuit de binnenhof kwam ze de zuilengang binnen en ging bij Jezus' voeten staan, de plaats van de dienaar. Zij had naar Hem heen gemoeten, met de fles kostbare zalf als huldeblijk bij zich. Maar op het ogenblik, dat zij aan de Zaligmaker door zalving haar hulde wilde bewijzen, brak er bij haar een stroom tranen los, die op Jezus' voeten dropen. Geen doek hebbend om af te vegen maakte ze in haar verlegenheid haar hoofdhaar los en droogde daarmee de voeten van de Heiland. Met loshangend haar te verschijnen in het openbaar was in het oosten voor een vrouw wel het vernederendste, wat er was. Maar niets kon deze vrouw weerhouden. Ze gaf haar vrouwelijke eer prijs terwille van Jezus. En toen brak ze de lange hals van het flesje, dat ze bij zich droeg en goot de kostbare inhoud uit over Zijn voeten, als waren het haar de dierbaarste voorwerpen.

Wie was deze vrouw? — Een zondares. Meer wordt hier van haar niet gezegd. Zo zal ze in de stad bekend gestaan hebben. Wie eenmaal die naam heeft, behoudt die, Haar leven zal er eertijds naar geweest zijn. Het Evangelie laat haar hier naamloos verschijnen. Mogelijk, opdat ieder, die zich van binnen in haar herkent zijn of haar eigen naam zou invullen. Want ik ben er van overtuigd, uit het Woord en eigen ervaring, dat, al mag dan ons leven niet openlijk getekend staan onder de mensen als van deze vrouw, toch — als we bij het ontdekkend licht van Geest en Woord wat nader kennis van ons eigen hart genomen hebben — ons eigen bestaan wordt open gelegd. Wie is rein van de overtreding, waarin zij verzonken was geweest. Dan is daar verder het woord van Christus: Wie een vrouw aanziet om haar te begeren heeft al overspel in zijn hart bedreven. Ook zegt de Schrift: Wie in één gebod gestruikeld heeft, staat schuldig aan de ganse wet. Wie is er, als hij tenminste enige zelfkennis heeft opgedaan, die niet geschrokken is van het woord: Geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker en dergelijke zal het koninkrijk Gods beërven?

Maar we nemen de zonde niet in bescherming en vergoeilijken haar niet. Integendeel, ze is verschrikkelijk. De tranen van deze vrouw spreken dat ook uit. Ze was in eigen oog een verworpene. Haar zondig leven was haar een gruwel geworden. Maar die eenmaal gezondigd heeft is altijd een zondaar. Zo oordeelt de wereld nu eenmaal, terwijl ze zichzelf rechtvaardigt in haar goddeloosheid. Dat oordeel der wereld moest echter die vrouw billijken. Anders was ze immers niet in het huis van Simon gekomen. „Ieder zegge maar, wie ik ben, want ik ben nog veel slechter; maar ik moet naar die Jezus toe, koste wat het kost." *

Tegenwoordig ontmoet je in de christenheid veelal goede en lieve mensen; mensen, die gered en verzoend zijn, en daarom zo druk zijn met het leefbaar maken der wereld. Men weet niet meer wat zonde is, omdat Gods wet opgeborgen wordt als een oudheidkundig museumstuk. Echter God zal blijken God te zijn, die zijn wet doet flitsen als de bliksem. Wee, onzer, als we haar niet voor ernst genomen hebben.

Maar hoe kwam die vrouw er toch toe om in het huis van de farizeeër Simon te verschijnen? — Uit alles blijkt, dat zij niet voor het eerst Jezus heeft ontmoet. Ze moet eerder van Hem gehoord hebben en Hem gezien hebben. Ze moet in haar zonde-ellende, waarin zij zich steeds dieper voelde wegzinken, getroffen zijn door een lichtstraal van zijn Woord, van het Evangelie zijner zondaarsliefde. Ja, ze moet hebben begrepen, dat — waar zij door ieder veracht werd en zij zichzelf het meest verachtte — zij door Hem werd aangetrokken, om haar uit haar ellende te bevrijden en tot een nieuw leven te brengen vanuit de schuldvergevende liefde Gods. Zij moet in Jezus van Nazareth de Messias hebben gezien, de Redder van zondaren, degene, in wie de liefde Gods naar haar de verworpene uitging. De straal der liefde Gods, die in Jezus van Nazareth haar in het diepst der ziel raakte, had de vonk over doen springen. Er was iets nieuws in haar hart geboren, iets dat een nieuw begin maakte en haar Gods heil deed zien. Zij moest de inspraak van haar hart volgen; zij moest naar die Heiland heen om Hem te huldigen, toen zij vernam, dat Hij in het huis van Simon, de farizeeër, was. Zij kon niet wachten.

Wat was dat nieuwe, dat in haar hart geboren was? — De liefde, niets anders dan de liefde van het zuiverste gehalte. Die tranen waren tranen der liefde. Ja, ook tranen van smart over haar zonden, maar vooral tranen der liefde. Die tranen spraken van de liefde van Christus, van het onbegrijpelijke wonder, dat Hij naar zó één omzag. Maar in die tranen goot zij zichzelf ook uit in de liefde. Haar tranen spraken ook van haar liefde tot Jezus.

Wie zal uitschrijven, wat de liefde is, die door Christus liefde gewekt wordt? Dan vergeet de ziel zichzelf, want Jezus is het alleen, tot wie het hart gaat heen.

Waarom ik dit gedeelte der Schrift zo nadrukkelijk heb behandeld? — Opdat we toch de Heere vrij laten in Zijn werken. Als Hij iets laat verstaan van zijn oneindige liefde, al is het nog zo'n klein straaltje, dat in ons hart valt, dan wordt er iets van de warmtegloed der liefde gewekt. Dat ik, juist ik het Evangelie mag horen, dat God het oog zijner barmhartigheid op mij vestigt, voor mij zo'n heilsweg heeft uitgedacht, mij wil opzoeken; dat de Zoon voor zo één in de wereld kwam en zich liet hangen; tot mij komt, terwijl anderen rustig heenleven op de weg van het verderf; dat de Heilige Geest nog ogen geeft om onze voeten te richten op de paden des vredes... o, welke liefde! En die liefde wekt wederliefde.

Niet dat we dan iets zijn of hebben. Allerminst, dat we in eigen oog mensen zijn, die de liefde hebben. Maar we zijn liefde, waarbij we onszelf vergeten. Die vrouw stond niet stil bij haar liefde, maar werd gevangen door Jezus' liefde. En zo had ze lief.

Nu dacht ik, dat alleen in de ontmoeting met Christus de ware kinderliefde geboren wordt. Maar dan ook van de beginne af, hoe teer het plantje van het leven ook nog is. Doch het is liefde uit Christus' zondaarsliefde. Dit beginnende liefhebben kan ingedrukt worden, vooral door bepraten der stukken in gebrek aan de liefde; dit beginnende liefhebben kan worden uitgelokt en verlevendigd onder de bediening des Geestes in hartelijke bemoediging

en uitnodiging, b.v. om met elkaar er maar eens van te zingen, dat de Heere woning heeft zelfs voor de mus bij Gods altaren.

Zo is het leven van Gods kinderen als een bloemknop, die ontluikt. En de liefde bloeit open en wordt verdiept en komt tot manlijke rijping in de verheerlijking van Gods recht in ons hart in Christus; als de zondaar en goddeloze ondergaat in de liefde Gods des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.

Een klein kind heeft lief, en een manlijke zoon heeft lief. Maar de laatste is, meen ik, heel vaak jaloers op de eerste. Och, mocht ik toch zo weer eens liefhebben, zo onbevangen als dat kleine kind, en zó onbevangen mijn liefde uiten!

Nu nog iets. Stel, dat die vrouw van ons Schriftgedeelte later haar liefde als bankje heeft gehanteerd. Dan heeft ze gerust op haar liefde, terwijl zij zich nu juist kwijt was aan Jezus' liefde. Voelt u, hoe nauw het ligt? Zo gauw we met onze liefde wat worden of zijn, hebben we niet meer lief.

Maar dat gevaar is nog veel groter bij hen, die bevestigd werden in de kennis Gods in Christus. We zijn toch zulke gedrochten. We weten zelfs de liefde nog te maken tot een stuk leer, waarop we maar zitten te kauwen, zonder dat er nog een druppeltje sap in zit.

We blijven en worden armen en ellendigen. We kunnen de Geest des Vaders en des Zoons niet één ogenblik missen in zijn bediening, leiding en zegening. We ontmoeten alle gebrek in onze liefde. Wat een lauwheid, wat een traagheid. Maar niet in Zijn liefde, want die is volmaakt. En daarom zingen we toch weer — kom. ook u, die uw hoofd laat zakken: Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen...

v. SI.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 december 1969

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

LIEFDE WEKT LIEFDE

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 december 1969

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken