Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het gekrookte riet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het gekrookte riet

12 minuten leestijd

Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun. Mijn Uitverkorene, in Denwelke Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den Heidenen voortbrengen. Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat laten horen. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde besteld zal hebben; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. Jes. 42 : 1—4.

Gods Knecht en Uitverkorene

„Zie, Mijn knecht, Die Ik ondersteun, Mijn uitverkorene, in Denwelke Mijne ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven." Dat wij hier aan Christus te denken hebben, blijkt wel duidelijk, als Mattheüs in hoofdstuk 12 de verzen 17—21 Jezus deze verzen uit Jesaja letterlijk laat citeren met betrekking tot Zichzelf.

De Heere Zelf wijst de Messias als met Zijn vinger aan: Zie Mijn knecht, zie Mijn Uitverkorene. Christus is ook de gegevene van de Vader, Hij is de Gezondene van de Vader. Geen wonder, dat de Vader Hem zo duidelijk aanwijst: Hij en Hij alleen, Hij en geen ander. Bij Jezus' ambtsaanvaarding bij de Doop in de Jordaan heeft de Vader Hem aangewezen en bij de verheerlijking op de berg heeft Hij Hem wederom aangewezen, als Zijn stem uit de hoogwaardige heerlijkheid geklonken heeft: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik al Mijn welbehagen heb, hoort Hem!"

Het steekt zo nauw, dat de kerk weet wie de Zaligmaker is, het steekt zo nauw, dat de Vader de eer van Zijn enige aan geen ander zal geven, het steekt zo nauw, dat de Vader al Zijn ondersteuning, al Zijn liefde, al Zijn welbehagen aan Hem en aan geen ander zal geven. Daarom Zie, Zie Mijn knecht! De Heere noemt Christus Zijn knecht, Zijn uitverkorene.

Ook Israël wordt wel Gods knecht genoemd, maar Christus is dit in de al overtreffende trap, Christus is dit in een zeer bijzondere zin. De Ebed Jahweh, de knecht des Heeren. Hij gaat een werk doen, dat zeer bijzonder een werk voor God, een werk voor Zijn Vader is. Als Hij een Dienaar der mensen wordt, een Zoon des mensen, aller dienaar, aller knecht wordt, dan kan Hij dat alleen zijn en doen, omdat Hij de knecht des Vaders wordt. Hij, Die de Zoon was van eeuwigheid. Daartoe heeft de Vader Hem uitverkoren. U zult zeggen: daar was niets en niemand naast Christus uit welke God kon uitverkiezen. Inderdaad kon God voor dit werk geen mens uit heel het geslacht der mensen verkiezen tot deze taak. Ook kon de Heere geen der engelen verkiezen tot deze taak. En als dan God Hem vergelijkend met al de mensen, Hem vergelijkend met de engelen, verkiest als de Enige, dan is dat een keuze, waarin alleen de hoogheid en de heerlijkheid van Christus boven al het geschapene verre uitmunt, zodat Hij en Hij alleen de Redder kan zijn. Zo noemt Hem de Schrift: de uitverkoren Held, de uit het volk Verhoogde! Deze knecht nu, deze Uitverkorene zou God ondersteunen. Naar Zijn Godheid had de Zoon geen enkele zwakheid, ook geen enkele ondersteuning nodig, wijl Hij was de almachtige God, maar naar Zijn mensheid was Hij in al onze zwakheid ingegaan en in die zwakheid is Hij ondersteund door al de almacht van Zijn eigen Goddelijkheid, en eveneens ondersteund door de almacht Zijns Vaders. God geeft ook Zijn Geest op Hem, opdat ook die Hem tot al dat werk, dat Hem te doen stond, in staat zou stellen. Zo is dan de volle Godheid der Drieëenheid in Christus werkzaam, als Hij dat grote werk ging doen, dat Hij een wereld, verloren in schuld, ging redden, ging wederoprichten, om haar aan de Vader weder te geven.

In deze Christus had en heeft de Vader een welbehagen. Er staat dat Zijn ziel in Hem een welbehagen heeft. Dat is een heel sterke uitdrukking, waarin de Vader als het ware Zijn hele innerlijk (anthropomorph — op menselijke manier < — uitgedrukt) bloot legde, openbaarde. Het wil zeggen, dat de Vader een zeer diep welbehagen, een zeer diepe liefde voor deze Zijn Zoon heeft. Alleen in de teerste en diepste ogenblikken van Jezus* leven en optreden spreekt de Vader van dit welbehagen: bij Jezus' geboorte, bij Jezus' Doop, en bij de ingang van Jezus' lijden op de berg der verheerlijking.

Zie dan hier: de Zoon van al Zijn steun, zie dan hier: de Zoon van al Zijn liefde, zie dan hier: de Zoon aan Wie de Vader Zijn Geest geeft! Op Hem gegeven. Gaat de liefde uit het hart Gods uit naar de Zoon, de Vader geeft ook al wat Hij buiten Zijn Zoon heeft, namelijk Zijn Geest, aan de Zoon. Ik zal met U zijn. namelijk Mijn steun, ook Mijn Geest zal met U zijn. Hij zal op U zijn: Zo is de Geest der wijsheid op de Zoon, de Geest der genade en der gebeden, de Geest der kennis en der vreze des Heeren. De Geest Gods zal niet alleen straks aan de kerk Gods gegeven worden, om haar in alle waarheid te leiden, maar Hij wordt nu eerst aan de Zoon gegeven. En aan Hem niet met mate, wat met elk Zijner lidmaten wèl het geval is.

Het gekrookte riet en de vlaswiek

„Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem op de straat laten horen. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen." Hier wordt volgens sommigen een tegenstelling gemaakt tussen Christus en Kores of Cyrus, volgens anderen een tegenstelling tussen Christus en de profeten, die doorgaans in het publieke leven, als het ware op de straten met luider stem het volk opriepen tot bekering, 'k Zou hier liever geen tegenstelling willen zoeken, noch tussen Kores en de Messias, noch tussen de profeten en de Messias. Laat ons eenvoudig een tekening van het optreden van de Christus er in zien. Soms heeft Hij metterdaad met luider stem gesproken, als Hij riep in de tempel bij het Loofhuttenfeest en als Hij riep aan het kruis. Ook heeft Hij wel en vaak voor grote scharen van mensen gesproken, tot wel voor vijfduizend mensen tegelijk. Doorgaans echter was het optreden van de Zaligmaker een zeer bescheiden, een zeer zachtmoedig, stil en nederig optreden. Hij betoonde ook hierin Zijn hoge

afkomst. Zoon naar Zijn mensheid uit een oud vorstenhuis. Zoon naar Zijn Godheid van de Potentaat aller Potentaten. Wat een voornaamheid, wat een diepe innerlijke beschaving. Nooit grof in Zijn spreken, nooit pompeus, nooit aanmatigend, nooit brutaal. Alle reclame maken voor Zijn zaak en koninkrijk is Hem vreemd. Men zal voor Hem niet roepen: Zie hier is de Christus, zie daar is de Christus. Zijn koninkrijk zou niet komen met uiterlijk gelaat en het zal ook zo niet komen. Hij zoekt het zelfs niet eens onder het grote publiek van de straat: bescheiden in de voorhof van Salomo, in het oudste deel van de tempel, aan de oevers van een klein meer, op een berg of aan een berghelling.

Zie, dat is Christus. Laat gerust de kerk en ook haar prediking sober zijn, bescheiden, niet op de voorgrond treden, het niet zoeken in vorstelijke praalgewaden, het niet zoeken in geleerdheid of luid klinkende redenen. Laat ons maar zien op de Meester, die was zachtmoedig en nederig van hart!

Geen wonder, dat Hij Zich over het gekrookte riet ontfermde en over de rokende vlaswiek. Zo was Israël in Jesaja's dagen, zo was de kerk in Jezus' dagen, zo is veel Godvruchtig volk in alle eeuwen. Wat is een riet rank en broos. Zo is de kerk! Wat is een gekrookt riet, een geplet riet, dat iemand plat getreden heeft, of een geknakt riet of een gekreukt riet. Dat is niet meer te genezen, dat heft het hoofd niet meer omhoog. Daar komt nooit meer iets van goed. Zo is de kerk veelmaals geweest. Doorgaans van niet meer waarde geacht als een riet, doorgaans als een vertreden riet, als een gebroken riet. Zo is de kerk, zo is het volk van God in zijn zonden en in zijn ellenden, in zijn menigvuldige aanvechtingen. Een gekrookt riet.

Of ook als een vlaswiek, als een rokende vlaswiek. Men maakte van vlas, dat men draaide, een pit, een soort katoen, die men door een kokertje of door een sleufje legde in een olielampje. Was dan de lamp gevuld met olie en stak men die pit, dat katoen aan, dan gaf dat een spaarzamelijk licht. Wij spreken van een pitje, bepaald klein licht. Ging nu bovendien door oliegebrek die pit, dat katoen uit, dan gaf het practisch geen licht meer, maar nog wel enige walm. Dat is de kerk menig, menigmalen. Weinig licht, maar veel walm. Zo is een christen, menig, menigmalen.

Nu staat er van Christus, dat Hij het gekrookte riet niet verbreekt en de rokende vlaswiek niet uitblust. Het is hier negatief gezegd. Hij denkt niet van dat waardeloze riet: vooruit ermee, weg ermee: wie heeft er wat aan een gekrookt riet. Neen, Hij is daar zuinig op. Hij heelt dat. Hoe is het mogelijk een geknakt, een plat getrapt riet helen. Wie heeft daar dan verder nog wat aan? Want al is het geheeld, het is toch nog maar een riet. Ja en dat is nu die trouwe Zaligmaker zoveel waard. Hem Die het nederige niet veracht. Hem Die het kleine niet vergeet. En een rokende vlaswiek blust Hij niet uit. maar blaast Hij aan. Liever vult Hij het vat, opdat, het koordje, het lampje weer helder gaat branden. Het wordt geen zon. Het wordt geen ster. Het blijft maar een vlaswiek, maar het is van Hem niet veracht.

Het is wel maar negat'ief gezegd, maar het is zeer positief bedoeld. Er volgt op de woorden hier: met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Driemaal staat er iets over het recht in de tekst: eerst dat het recht den heidenen voortgebracht wordt; dan dat het recht van het gekrookte riet met waarheid voortgebracht wordt; ten derde dat het recht op aarde besteld zal worden.

Hier dus het recht van het gekrookte riet met waarheid voortgebracht. Wat voor recht heeft een gekrookt, een vertreden riet? Wat voor waarheid draagt een gebroken riet? Wat voor recht heeft een rokende, een uitgaande en nog wat walmende vlaswiek? Wat voor waarheid heeft zo n pitje, wat voor licht geeft dat? Op al deze vragen kunnen wij zeggen: niets, niets, niets. Nu gaat Jezus het recht van het riet. van de vlaswiek verdedigen. Hij ziet waarheid in dat riet: deze waarheid, dat een gebroken hart bij God niet veracht is. Hij ziet waarheid in die vlaswiek, dat een stervend leven voor Hem de moeite waard is om opgewekt te worden. Geen zaak is te klein, geen mens is te klein voor deze grote Zaligmaker.

Hun zijt Gij goed, die goedertieren hand'len: Oprecht bij hen, die in oprechtheid wand'len; Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn; maar Verkeerden toont Gij U een worstelaar; Want Gij verlost het volk, door druk gebogen: Maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen. Door U, o HEER', geeft mijne lamp haar licht; Mijn God verdrijft de nacht uit mijn gezicht.

Het recht den Heidenen

, , Hij zal niet verdonkerd worden, Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld, en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten." In de Hebreeuwse tekst staat: Hij verkwijnt niet, Hij wordt niet geknakt. Merkwaardig dezelfde woorden van de vlaswiek en van het riet. Maar Zijn licht gaat niet uit, Zijn rietstaf knakt niet. De Heere is als een licht, het mag dan in de wereld niet meer geschat worden als een lampepit, maar het is niet minder als dat van een ster, de ster uit Jacob, niet minder als de zon, als de Zonne der gerechtigheid. En de Heere is als een riet, maar één van ongebroken kracht. Wat een wonder, dat de Heere onzer één geworden is, zwak als een riet. zwak en veracht als Zijn kerk, zwak en veracht als Zijn christenen. En Hij is ook nog gebroken als een riet, geblust als een vlaswiek in Zijn lijden en sterven, maar Hij is opgestaan. Het gekrookte riet stond. De rokende, de uitgebluste lamp vlamde weer helder op. Hij zal niet verbroken worden. Hij zal niet verdonkerd worden. En de kerk zingt van Hem: , , Ik heb bij enen Heid voor Isrel hulp beschoren." En de kerk zingt van Hem: , , Een licht zo groot, zo schoon, gedaald van 's hemels troon, straalt volk bij volk in d' ogen."

Hebt u het ooit gehoord: Christus in een ongebroken kracht staande tussen Zijn gemeente van gekrookte rieten? Hebt u het ooit gehoord: Christus staande in Zijn volle licht tussen rokende vlaswieken? En de kerk weet: Hij is Mijn kracht — Hij is mi, in licht.

Zo nu bestelt de Heere het recht op aarde, het recht den armen en het recht den heidenen zelfs. Hij is niet een Zaligmaker van deugdzame mensen, niet een Zaligmaker van vrome mensen, maar van mensen, die stervende zijn, die gebroken zijn, uitgeblust zijn, zelfs van geheel van Hem afgewekenen en vervreemden, heidenen.

En let nu wel op, dat de Heere spreekt van het recht den heidenen, het recht van het riet en de vlaswiek, het recht der aarde. De Heere Christus zal hun het recht leren, recht en gerechtigheid bij hen instellen, maar ook geeft Hij hun een recht: Hij geeft hun een genaderecht, een genaderecht op de zaligheid, op de genade, op het eeuwige leven en een recht op God, een genaderecht bij God. Zozeer geeft Hij de aarde een recht, dat de eilanden, men kan ook vertalen: die aan de kusten, aan verre stranden wonen, naar Zijn leer wachten. En daar ziet gij ze dan in verre en eenzame streken, aan verafgelegen kusten: mensen, volken niet die Zijn leer leren kennen, maar die Zijn leer verbeiden, die naar Zijn leer wachten. Zo groot is die Zaligmaker (en Hij is maar als een riet, als een vlaswiek), dat men van verre hoopt op Zijn onderwijzing, Zijn thora. Zijn Goddelijke openbaring. Zij zullen ook als in rechtsgedingen de hulp en de bijstand van deze Zaligmaker inroepen. Die het recht der armen, der verdrukten gelden doet. En Hij geeft ze tegen alle aanvechting in een recht op het eeuwige leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 januari 1970

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het gekrookte riet

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 januari 1970

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken