Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Droefheid naar God

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Droefheid naar God

9 minuten leestijd

(1)

Er kwam een vraag om iets te schrijven over het in de titel hierboven genoemde onderwerp. ~

De uitdrukking vinden we in 2 Kor. 7:10. Paulus komt er in van een bijzonder geval .— zijn ervaring met de gemeente te Korinthe — tot een algemene regel. Daarom lijkt het mij goed om de achtergrond van dit woord eerst naar voren te halen.

De uitleggers stemmen in het algemeen met elkaar overeen aangaande de toedracht der dingen. We hebben ons het een en ander dan als volgt voor te stellen:

Paulus had achttien maanden in Korinthe gewerkt. We kunnen daarvan lezen in Handelingen 18. Daarna is hij vertrokken naar Efeze in Azië, aan de overkant van de Egdsche Zee. Maar daar heeft hij over de gemeente te Korinthe zeer verontrustende berichten ontvangen. Er schijnen er in de gemeente teruggevallen te zijn tot een heidens levenspeil. We zullen moeten denken aan een slecht levensgedrag, zelfs hoererij en zwelgerij. Het ergste was echter, dat de gemeente deze zonden liet geschieden zonder er zich tegen te verzetten.

Dat heeft de apostel zo verontrust, dat hij overhaast moet besloten hebben tot een bezoek aan Korinthe. Mogelijk dat er juist een schip gereed lag tot vertrek. Zo heeft hij dan zich zonder langer te aarzelen ingescheept en is hij onverwachts in de Korinthische gemeente verschenen.

Maar dat bezoek moet op een bittere teleeurstelling zijn uitgelopen. Het werd een smartelijke ervaring. Met de zonde werd niet gebroken. Men trad er niet tegen op. Integendeel, men moet zich van de apostel

eigenlijk hebben gedistancieerd. En er zijn er geweest, die Paulus zelfs hebben gebrutaliseerd. Zo is hij tot in het diepst van zijn ziel gekrenkt en bedroefd.

Onverrichterzake en diep teleurgesteld is dan ook de apostel teruggekeerd in Efeze.

Maar we kunnen het ons goed indenken, dat Paulus het er niet bij kon laten zitten. Hij had er geen rust van. Hij kon de gemeente in Korinthe niet aan haar lot overlaten. Hij heeft naar de pen gegrepen „als een vader, die zijn lastig, ongezeggelijk kind niet kon loslaten" (C. Vonk). Dat moet de brief zijn geworden, waarop de apostel in 2 Kor. 7 : 8 doelt: Want hoewel ik u in de zendbrief bedroefd heb... Aan diezelfde brief moeten we denken bij het lezen van 2 Kor. 2:4: Want ik heb u uit veel verdrukking en benauwdheid des harten, met veel tranen geschreven... Vandaar, dat deze brief onder de uitleggers bekend staat als de tranenbrief.

Deze brief is niet bewaard in de Kanon van de Heilige Schrift. Zij is dus voorafgegaan aan wat we thans als de tweede Korinthebrief hebben.

Mogelijk vragen we ons af, hoe dat mogelijk is? —' Daarop moet ik antwoorden, dat in de Kanon van de Heilige Schrift alleen samengevoegd is, wat de Heilige Geest nodig achtte te bewaren voor de Kerk van alle navolgende eeuwen. De apostelen en profeten hebben toch meer gesproken en geschreven dan van hen in de Bijbel voor de nageslachten bewaard is. Maar wat de Heilige Geest als geïnspireerde openbaring Gods wilde bewaren voor de kerk, dat is in de Kanon gelegd in haar schoot. Wij zouden nu wel graag deze „tranenbrief" kennen, maar de Goddelijke wijsheid had ze niet bestemd voor de afgezonderde openbaringsgeschriften, die in de Bijbel moesten overgeleverd worden als het Woord van God.

Zijdelings wordt ons hier een antwoord gegeven op de vraag, of we met een open of gesloten Kanon hebben te doen? De vraag is meermalen gesteld, of — stel dat b.v. de tranenbrief of ook mogelijk een ander apostolisch geschrift uit het zand te voorschijn zou komen < — dan zo'n apostolisch getuigenis aan de Heilige Schrift zou moeten óf mogen worden toegevoegd? Deze vraagstelling gaat echter van een verkeerde vóóronderstelling uit. De geschriften van de Kanon zijn immers* niet bewaard omdat ze door profeten en apostelen geschreven zijn; en nog minder als zouden deze boeken de enige geschriften zijn, die zij hebben samengesteld. Maar de Kerk belijdt, dat de Heilige Geest door een , .zonderlinge" zorg en leiding juist deze geschriften en deze alleen heeft samengevoegd tot het geheel van de Woordopenbaring Gods. Daarbij heeft de Heilige Geest na de tijd der apostelen bij de Kerk het bewustzijn en de belijdenis opgeroepen, dat in dit geheel van de Bijbel haar de volle openbaring Gods — naar Gods maatstaf en orde en welbehagen — afdoende en afgesloten geschonken was. Dat heeft de Kerk beleden op het concilie te Hippo Regius in 393 en te Carthago in 397. Natuurlijk zijn profeten en apostelen wel als bijzondere organen van de Heilige Geest gesteld; maar in laatste instantie is het de Heilige Geest, die geïnspireerd en geleid en afgesloten heeft; en is het ook de Heilige Geest, die de Kerk in de strijd met de dwaalgeesten tot dit besef en ootmoedig belijden gebracht heeft.

Maar we keren terug tot ons onderwerp. De „tranenbrief" is dus aan wat wij thans noemen de tweede Korinthebrief voorafgegaan.

Als nu alle gegevens met elkaar vergeleken worden, moet het verder als volgt zijn gegaan. De zogenaamde „tranenbrief" had de apostel „uit veel verdrukking en benauwdheid des harten" geschreven. Als gezant van Christus zal hij niemand gespaard hebben.

Maar toen die brief weg was, moet er in Paulus' „vaderhart" grote zorg geweest zijn: „als zijn schrijven nu maar goed begrepen wordt!, als het maar de rechte uitwerking mag hebben!" — We kunnen ons indenken, hoe hij zuchtend en worstelend aan de troon der genade zijn weg is gegaan. Daarbij zal hij veel er over gesproken hebben met zijn trouwe metgezel Titus. Tenslotte moeten ze afgesproken hebben, dat Titus de brief zou achterna reizen. Deze is dus naar Korinthe gegaan — waarschijnlijk over land — om zo nodig de brief toe te lichten en tevens zich op de hoogte te stellen van de uitwerking ervan. Paulus zal hem wel gevraagd hebben gauw terug te komen. Wat moet hij immers uitgezien hebben naar tijding, elke dag weer.

Hoeveel kommunicatiemiddelen zijn er tegenwoordig en hoeveel sneller gaat het verkeer. En toch kennen we ook heden telkens weer die spanningen, omdat de afstand toch altijd weer een woord meespreekt. Vooral in de zending hebben we daarmee steeds weer te maken. Toch altijd zijn er verscheidene dagen mee gemoeid, soms weken, eer de brief aankomt, en dat, terwijl je vandaag nog met elkaar rond de tafel zou willen zitten. En er raakt ook nog wel eens een brief zoek.

Dat alles doet ons beseffen de spanning, die de apostel moet hebben gehad. Wanbegrip en misverstand doen zó hun werk, waardoor de ellende niet te overzien is. En we kunnen ook begrijpen, dat Paulus tenslotte het in Efeze niet meer heeft kunnen uithouden. Hij is op weg gegaan, in de hoop Titus gauw te ontmoeten.

Er lag niet altijd maar een schip gereed. Trouwens Titus zou over land terugkeren. Daarom moet Paulus naar het noorden getrokken zijn tot hij tenslotte in Troas kwam. Natuurlijk droeg hij intussen overal het Evangelie uit, want zonder dat kunnen we ons hem eenvoudigweg niet voorstellen. Titus liet zich echter nog nergens zien, zodat Paulus overgestoken is naar Neapolis in Europa.

Eindelijk hebben de twee elkander getroffen in Macedonië. Wellicht in één der gemeenten daar, b.v. Filippi. Ja, en toen is de spanning, waarin Paulus al die tijd geleefd had, gebroken. Een pak viel er van zijn hart. Want Titus bracht goede tijding mee. Paulus' brief had onder de zegen des Heeren een goede uitwerking gehad. Zij had een radikale omkeer in Corinthe gebracht. De gemeente was er door getroffen en tot bekering gekomen. Ze had innerlijk gebroken met de zonden en de zondaars niet langer de hand boven het hoofd gehouden. De goede verhouding tot .de apostel was weer hersteld. Wat middelijkerwijs Titus daartoe heeft mogen bijdragen moeten we in het midden laten.

Maar we kunnen ons voorstellen, dat de blijdschap en dankbaarheid, die Paulus' hart vervuld hebben, zonder grenzen is geweest. We zien ze in de geest samen: Titus verslag uitbrengend — Paulus een en al oor, vol van vertroosting en dankzegging, zijn ogen telkens opslaande naar boven tot zijn God, die zijn geliefde gemeente te Korinthe en hem en Titus dit had bereid. De vader had zijn kinderen terug. Had hij niet eens geschreven aan deze gemeente: Want al had gij tienduizend leermeesters in Christus, zo hebt gij toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld? (1 Kor. 4 : 15).

Uit de volheid van zijn gemoed heeft hij toen in diepe ontroering geschreven wat wij nu de tweede Korinthebrief noemen. Wel jaat nu de aanhef van deze brief voor ons bijzonder spreken: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting; Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelf van God vertroost worden. Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. —

Tegen de achtergrond van alles, wat ik geschreven heb, gaat het zevende hoofdstuk nu wel bijzonder spreken. Het is in grote zielsbewogenheid geschreven. De apostel vraagt om een ruime plaats voor hem in het hart van de Korinthiërs. Hij heeft alleen maar hun welzijn gezocht (vers 2). De band des Geestes aan hen doet hem bereid zijn dood en leven met hen te delen (3). Enkel dankzegging en blijdschap spreken uit het vierde en vijfde vers: nu God, die de nederigen vertroost, hem heeft getroost door de komst van Titus (6). En vooral ook door hetgeen deze verhaalde aangaande het verlangen der Korinthiërs naar Paulus (7). Daarom berouwt het Paulus niet, dat hij hen in zijn zendbrief bedroefd heeft, hoewel hij er smart over heeft gehad (8). Maar nu verblijdt Paulus zich, niet omdat ze bedroefd zijn als zodanig, maar omdat ze bedroefd werden tot bekering. Ze zijn bedroefd geworden naar God. En dat betekent, dat ze door het harde aanpakken van hen in zijn brief geen enkel nadeel hebben ondervonden, maar dat het integendeel tot hun nut is geweest. Want de droefheid, die naar God is, werkt immers jeen onberouwelijke bekering tot zaligheid, terwijl daarentegen de droefheid, die de wereld — de van God vervreemde

mensheid — kent, niets anders dan de dood tot gevolg heeft (10).

Zo is dan de apostel van het bijzondere geval gekomen tot een algemene regel. Uit het verband moet het ons wel duidelijk worden, wat bedoeld wordt met de „droefheid naar God". Maar daarover dan nader

D.V. een volgende keer.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juni 1972

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Droefheid naar God

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juni 1972

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken