Bekijk het origineel

Ik ellendig mens

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ik ellendig mens

12 minuten leestijd

lk ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit 't lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde. Rom. 7 : 24—26.

Ik ellendig mens

, , Ik ellendig mens!, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods." Dit is wel een heel bekende tekst uit de bijbel, althans bij het Sion Gods. Of echter deze klacht veel wordt overgenomen is wel een vraag. Zij wordt wel overgenomen door de oprechten. De eerste woorden zijn een uitroep, waarin dit diepe hoofdstuk van de Romeinenbrief eindigt. De catechismus begint met de opmerking, dat wij onze ellende moeten leren kennen. Dat is bijbels. Hier vinden wij het met woorden geleerd. De catechismus leert ook waaruit onze ellende bestaat. Daar is altijd nogal wat verzet tegen geweest. Men heeft getracht te bewijzen, dat het onderwijs met de verlossing moet beginnen. Alleen werd daar nooit bij gezegd waar en op welke plaats de kennis der ellende dan moest komen. Men heeft er veelvuldig op gewezen, dat de leer van 's mensen ellende maar drie zondagen beslaat en de leer der verlossing wel acht en twintig zondagen en de leer der dankbaarheid wel twintig zondagen. Is het u echter wel eens opgevallen hoeveel er in de twee stukken van verlossing en dankbaarheid over zonde en ellende gesproken wordt? Ik meen, dat wij de stukken niet zo uit elkander kunnen en moeten halen. Men moet elk der stukken zijn hele leven lang leren, ook dat der ellende. Ik zou zeggen: Daar is Romeinen 7 een levend bewijs van. Hier spreekt een ervaren en bedaagd christen, de apostel Paulus, en hij wijst op zijn dood als het punt van de uiteindelijke en volkomen verlossing. En het is zijn, zijn eigen belijdenis, vol zelfkennis: , , Ik ellendig mens." Dat is de man, die roemen kan zoals in Romeinen 8. Dat is de man, die vlak voor dit hoofdstuk van blijde en hoge roem in de genade van Christus door de Heilige Geest, nog zo'n klacht uit. Ik ellendig mens.

Is dat de man van arm, nochtans rijk? Van niets hebbende, nochtans alles bezittende, als droevig zijnde, doch altijd blijde, als arm doch velen rijk makende, als getuchtigd en niet gedood, als onbekend en nochtans bekend, als stervende en ziet wij leven? Ja voorwaar, dat is die man! Dit is een echte klacht. Dit is een levende klacht. Ellendig, maar in zichzelf, niet in zijn God, niet in zijn Zaligmaker, niet in zijn geloof. Ellendig in zijn zonden.

Hij vraagt en het klinkt haast vertwijfeld: Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Toch lijdt het geen twijfel aan Wie hij denkt bij deze zijn v^aag. Het hoofdstuk, waarmee deze verzen eindigt, bewijst het wel, dat hij geenszins aan zichzelf denkt, ook niet aan enig mens, ook niet meer aan de offerdieren der wet. Dat heeft hij grondig afgeleerd, wat Psalm 40 dienaangaande leert. Hij richt deze klacht tot zijn God, de Vader van de Heere Jezus Christus. Dat spreekt hij met ronde woorden uit in het volgende vers. Verlossen, dat kan er toch maar Eén. Verlossen van de zonde, dat kan er maar Eén. Dat heeft Paulus zo goed geweten, dat hij deze verlossing door deze Ene tot het thema en het gedurig onderwerp van zijn prediking maakte, als hij zei: „Ik heb mij niet voorgenomen iets onder u te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd." Nu had Christus dat enig en voldoend offer gebracht. Bovendien was Christus en Zijn verlossing Paulus persoonlijk geopenbaard en geschonken. En had hij dan nu nog en nog weer verlossing nodig? Paulus wist het zo goed, dat de Heere hem verlost had, verloste en nog verlossen zou. En nu moet hij in de doorleving van het stuk der heiligmaking nog verlost worden, telkens weer verlost worden en eens ten volle verlost worden. En daarom vraagt hij klagend in onze tekst: „Wie zal mij verlossen? " Het is Paulus' vraag, maar eigenlijk helemaal geen vraag. Die Ene is Christus en Christus alleen.

Verlossen uit het lichaam dezes doods.

Paulus heeft indrukwekkende dingen gezegd over de tweestrijd in hem, van de oude en de nieuwe mens. Hier noemt hij zijn oude mens, zijn zondige bestaan, het lichaam des doods. Dan denkt hij natuurlijk niet aan een tegenstelling tussen lichaam en ziel, alsof het kwaad alleen in het lichaam zat. Neen, hij spreekt in dit hoofdstuk van de geestelijke mens en de vleselijke mens. En nu wil hij van die vleselijke mens, die zich niet onderwerpt aan de wet Gods, die niet wil doen dan de zonde, verlost worden. Hij noemt die mens niet alleen een lichaam, maar zelfs een lichaam des doods. Dat dode werken voortbrengt en niet de levende werken des Geestes doet.

Het is ook die mens, dat lichaam dat sterven moet, dat des doods schuldig is. En Paulus weet, dat dat zondigen van de vleselijke mens niet eerder ophoudt dan met de dood. Omdat dit proces van het sterven van de oude mens zo lang duurt, uit hij zijn diepe klacht: „Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? " Dézes doods, van die dood van de zondige werken, van de werken des doods. Dat is toch de ergste dood, niet het verloren gaan, ook niet het sterven, maar de zonde als oorzaak van alle dood. De geestelijke dood, de dood der zonde, dié is de zwaarste. Wie zal daarvan verlossen? Slechts Eén.

Ik dank God

„Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere." Weer een merkwaardig woord van Paulus. Na de verzuchting, die hij geslaakt heeft in het vorige vers, komt nu een dank aan God, zonder dat gezegd wordt waarvoor gedankt wordt. Iemand maakt hierbij de opmerking, dat de inhoud van die dank ligt in heel het volgende hoofdstuk. Dat zal wel waar zijn, maar deze zin en dan nog de klacht uit het volgende en laatste vers van dit hoofdstuk, doen dat niet voor waarschijnlijk houden. De tekst staat geheel in het verband van de strijd tussen de oude mens en de nieuwe mens, en dan in het verband van de haast vergeefse strijd tegen de zonde. Het is waar, dat Romeinen 8 wonderbaarlijk na de uitzichtloze strijd tegen de zonde uit Romeinen 7, plotseling ons doet zien hoe het nieuwe leven opbloeit in de heiligmaking tot de heerlijkheid van het kindschap Gods en dat door de Heilige Geest. Laten wij het bij onze verklaring maar houden

bij de woorden van de tekst zelf. Paulus dankt God in al zijn strijd, in zijn onvolkomenheid, in zijn zondigheid. Dat is alvast een goed ding, als men bij alle gebrek, bij alle geestelijk gebrek God dankt. Zelfs al heeft men niets te roemen en alles te klagen, dan is dit toch goed om God te danken. Dat Hij er is, dat Hij er voor ons is, dat Hij ons draagt en verdraagt, 'k Zou zeggen, dat is een best gebed, het beste gebed, het meest inhoudvolle gebed, dat men doen kan. Als men niet weet, wat men vragen moet en wat men klagen moet (en Paulus wist wat hij te vragen en te klagen had) dan kan men het best danken. Toch meen ik te weten, waarvoor Paulus dankt. Als hij deze zijn klachten geuit heeft over zijn geestelijke strijd en dan eindigt met de vraag: „Wie zal mij verlossen", dan weet hij, dat hij met deze dingen, ook met het hopeloze van zijn leven, bij zijn God terecht kan en dan kent hij zijn God zo goed, dat hij weet, dat God antwoordt eer zij roepen. En op grond daarvan dankt hij zijnerzijds voor wat de Heere nog zal moeten geven. Dat is een wonderlijk volk, een echt volk, dat dankt voordat het ontvangt, zelfs eer het gevraagd heeft. Hier gaat het Amen aan een onuitgesproken gebed vooraf. De overleggingen zijns harten, en juist deze dingen, die hij om Gods wil, om de wil Gods, om het gebod Gods begeert, zijn toch altijd Gode dierbaar. Nooit zal iemand om het houden van Gods gebod vragen, of hij heeft zeker God mee.

Ik weet, waarvoor Paulus dankt. Hij dankt God door Jezus Christus. Dat wil zeggen, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft tot een verzoening van onze zonden, dan ook tot onze heiligmaking. Heeft Hij niet Zelf gezegd: „Ik heilig Mijzelven voor hen, opdat zij in waarheid geheiligd zullen zijn"? Zijn heiliging is onze heiliging, Zijn gehoorzaamheid de onze. Dankt nu Paulus de Vader door Christus Jezus, dan is dat een dank voor de gave van de Vader in de Zoon. Hij heeft Zijn Zoon gegeven, ook aan Paulus, in wie het Hem behaagd heeft Hem te openbaren. Als de Vader Hem geeft aan een zondaar, dan geeft Hij hem tot een verzoening voor onze zonden.

Dan is er nog iets. Is dus in Christus al deze schuld, al dit tekort van Paulus verzoend, vergeven, Hij heeft aan Paulus Zijn Zoon gegeven, zoals de tekst zegt tot een Heere. „Onze Heere." De Heere, de Bezitter, de Gebieder en dat voor ons, voor Paulus en voor allen, die een even dierbaar geloof deelachtig zijn. En als nu deze genadige, deze heiligende Jezus iemands Heere is, dan is daarmee gegeven de hele vrucht der heiligmaking en daar opent zich inderdaad Romeinen 8 met al de vruchten des Geestes voor de christen en ook in de christen tot zaligheid en tot de eeuwige glorie van de ganse kerk. Ik dan danke God, door Jezus Christus onze Heere.

Gij toch. Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven En onze Koning is van Isrels God gegeven.

Ik dien — ik dien

„Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde."

Dat klinkt dan toch reeds triumfantelijk: Zo dan! Paulus stelt nu voorop niet slechts zijn nieuwe mens, maar zichzelf. Zo dan, ik zelf. Dat is dan dus Paulus, dat is Paulus zelf, dat is de nieuwe Paulus, die andere Paulus mag dan zijn die hij wil, hij mag doen zoals hij wil, dit is de eigenlijke Paulus. Die andere moet sterven, die zal ook sterven en dan om nooit meer op te staan. Dat was die vleselijke Paulus. Hij wordt vlees genoemd, niet alsof Paulus naar de ziel behouden werd en naar het vlees zou sterven en ophouden te bestaan. Neen, vlees betekent de hele mens naar ziel en lichaam beide. Die zijn beide onder de zonde besloten en dan ook onder het oordeel des doods. Wordt iemand vrijgekocht door Jezus' dierbaar bloed van al zijn zonde en uit alle geweld des duivels, dan geschiedt dat met lichaam en ziel. Vlees is hier dus het hele oude bestaan, het zondige bestaan.

Ik zelf, naar mijn nieuwe genadestaat, dien met het gemoed de wet Gods. En daar is dan de wet, die heilig is. De wet, dat zijn niet alleen de tien geboden, maar dat is alles wat de Heere heeft ingezet. Dus natuurlijk heel het geloof, alle inzettingen des Heeren, Zijn dienst, en dan ook Zijn geboden. Die dient de apostel. Let u er wel op: de wet „dienen", dienstbaar zijn aan de wet, dat is de wet doen. En dat doet de apostel in het gemoed. Hoewel blijven staan de verzen 15 en 16, wordt dan nu toch in het gemoed, in het hart zo'n hartelijke liefde gevonden, dat Gods geboden hem een lust, een liefde, hem tot gezangen geworden zijn. Dan is het hart, het gemoed de handen en de voeten ver vooruit. Met dat gemoed dient hij de wet Gods en één die dient, stelt zich er onder, die geeft zich er aan, die geeft er zijn hart aan. Veel mensen dienen een meester of meesteres met de handen of met het hoofd of met de mond, maar geenszins met het hart. Dat is veler dienst in deze tijd. En velen dienen zeker de wet niet. Niet één gebod en dat niet met hun handen, en dan zeker niet met hun gemoed, zeker niet met hun hart. Dat doet echter een christen volledig. Blijven dan hun handen veelszins achter, staan die veelszins verkeerd voor dit werk, hun hart geenszins, hun gemoed geenszins.

Maar met het vlees de wet der zonde. Het vlees, het zondige vlees, dat dient de zonde. Daar stelt het zich ook dienstbaar aan, met mond en hart, met hand en voet. Wat is de natuur toch begerig om kwaad te doen, wat is die ook ijverig om kwaad te doen. Het vlees dient de wet der zonde.

De zonde heeft ook haar wetten. Die zijn antipoden van de wetten Gods, precies het tegenbeeld. Als God wat gebiedt, dan verbiedt de zonde dat. Als God wat verbiedt, dan gebiedt de zonde dat. Zo nu is de wet der zonde even volmaakt verkeerd, als de wet Gods volmaakt goed is. De wet der zonde berokkent de mens de dood, allerlei straf, ook allerlei ellende.

O lezers, toets u daar toch aan. Waar gaat uw gemoed naar toe, naar het gebodene of naar het verbodene. Als uw hart naar het verbodene gaat, dan zal uw oog, uw oor, uw voet, uw hand en al wat aan u is, daarnaar toe gaan. Ge komt ontegenzeggelijk onder dienst, is het niet de dienst des Heeren, de reine dienst des Heeren, dan zal het zijn de onreine dienst der zonde. En die dienstbaarheid is zo hard, ze heeft zulke weergaloos strenge wetten. Oneindig strenger zijn de wetten der zonde dan de wetten Gods. En gij zijt niet een twee-mens. Wat ge doet, dat doet ge altijd volkomen. Zodat een volkomen loon op uw leven u te wachten zal staan. Eeuwige dienstbaarheid der duisternis tegenover een zalige vrijheid der heerlijkheid voor de kinderen Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 juli 1972

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Ik ellendig mens

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 juli 1972

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken