Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Laat ons samen richten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laat ons samen richten

13 minuten leestijd

Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Jesaja 1 : 18.

De oudejaarsdag is altijd een wat weemoedige dag. In de sfeer van het gevoelsmatige staat men dan stil bij wat was, bij wat voorbijging en bij wat kwam in het jaar, dat voorbijging. Gedacht worden degenen, die heengingen de weg der ganse aarde. Dit geschiedt veel meer dan dat gedacht worden degenen die kwamen, hetzij in de gezinnen als in onze levenskringen. Allicht staat men ook wat stil, als men ernstiger is aangelegd, bij het feit dat men zelf weer een leefjaar en een werkjaar achter zich heeft, waarbij de vraag wordt gesteld wat men er van gemaakt heeft en waar men te kort geschoten is. Als het goed is maakt men de rekening op van wat men ontving aan goeds en wat men misdeed aan kwaads. En vooral, als men zelf gesteld werd, door ziekte of anderszins, voor de vergankelijkheid van het leven, dan moest toch wel dringend zich aan ons opdoen de zekere gedachte, dat men één keef rekening en verantwoording moet gaan doen voor de God, Die de Rechter is der ganse aarde. Niet alleen Zijn volk, maar ook elk volk, niet alleen een christen maar ook elk mens, moet één keer verantwoording doen van alles voor Hem.

Het is daarom goed, daar intijds mee te beginnen. Wie in dit leven klaar komt met die verantwoording — al is het zo als dat alleen kan door genade — die zal klaar zijn als die grote dag komt. In vele gelijkenissen dringt de Heere Jezus aan op een zich tijdig te bereiden. Ook in het Oude Testament wordt daarop aangedrongen. Wij zullen nu gehoor geven aan zo'n Oud-Testamentische aandrang van God Zelf tot het doen van rekening met Hem, voor Hem. Wij horen daarvan uit de ons genoemde tekst, Jesaja 1:18. Wie intijds in dit leven met God mag afrekenen, die zal tot zijn verbazing merken, dat dit alles meevalt. In de rekening met God verliest men niets, maar wint men alles. Nu dan!

„Komt dan en laat ons te zamen rechten." Het voorstel om te rechten gaat van God uit, niet van de mens, ook niet van Israël. Welk mens, die bij God en bij zijn naaste in de schuld staat, zal zelf om een rechtsgeding vragen? Dat doet geen mens. Wel doet de mens dit: hij stelt vele malen God in gebreke. Hij stelt vele malen God in staat van beschuldiging. Zelfs wentelt hij de schuld van zijn eigen vergrijpen af op God. Hij zou als het ware wel eens met God willen discussiëren over het kwaad in de wereld en mogelijk zelfs over zijn eigen kwaad. Welnu, zelfs daartoe verklaart de HEERE Zichzelf bereid. Hij Zelf nodigt Israël uit en zegt: Komt dan en laat ons te zamen rechten. Het Hebreeuwse woord wil zeggen: overleggen, redekavelen. Gij, Israël, meent dat Mijn wegen onrecht zijn en uw wegen recht. Komt dan maar en laten wij het daar samen eens over hebben. Alleen, als gij komt, „wast u dan, reinigt u dan en doet de- boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen." U moogt met Mij, de heilige God, wel praten, maar eerst het kwaad nalaten, eerst u wassen en reinigen, niet met de wassing en de reiniging van uw handen, maar met de wassing en de reiniging van uw geweten. Weet dat Ik de HEERE heilig ben!

En niet alleen het negatieve weg doen. Niet alleen het kwaad nalaten, maar ook het positieve doen: leert goed doen! Zoekt het recht. Niet onrechtvaardig handelen. Niet knoeien. Niet achterhandse handelingen. En ook recht spreken: altijd de zijde van het recht kiezen, of het nu bij familielid, of vriend, of vreemde, of zelfs vijand is. Het recht moet u zoeken, omdat het recht en ook het onrecht altijd min of meer verborgen ligt. U moet de achtergrond der dingen gepeild hebben, de leugen of de waarheid. Zoekt het recht, want bedenkt het wel, dat de HEERE de God der gerechtigheid is. Het recht is doorgaans aan de kant van de verdrukten. Wie onrecht doet, die moet doorgaans een ander op zij drukken. En daar hebt u de verdrukking. Ze komt voor in de arbeid, door elk die onrecht doet. hetzij werknemer of werkgever. Ze komt voor in de handel, veelvuldig. Daar worden er om winstbejag wat opzij gedrukt, zowel zakenlieden als cliëntele.

Majestueus stelt nu de HEERE, voordat Hij gaat rechten met de mens: „Helpt de verdrukte!" Dat is ieders roeping, op alle terrein van het leven, in de staat, in de maatschappij, in de kerk. Helpt degenen, die gepasseerd, terzijde geschoven, benadeeld worden. U voelt: het is nogal een aangelegen zaak, die de HEERE noopt om met Israël (en met ons) te rechten. Hier is nog al wat recht te zetten. De mensen stellen zich meestal op aan de zijde van de meerderheid, aan de zijde van de winnende partij. God niet. Hij stelt Zich altijd aan de zijde van het recht, hetzij dat dat wint, hetzij dat dat verliest.

Nog iets noemt de HEERE, namelijk: „Doet de wees recht, handelt de twistzaak der weduwe." Er zijn geen wezen meer en er is geen twistzaak der weduwen meer! Meent u dat? Ziet u maar eens, dat deze dingen het zijn, waarover de HEERE wil spreken met Israël, mogelijk ook met ons. En dan noemt de HEERE maar de geboden van de tweede tafel als een toets voor heel het leven. Het wil dus waarlijk niet zeggen, dat het er met de geboden van de eerste tafel niet op aankomt of minder op aankomt. Ik las daarover het volgende: „Gelijk gerechtigheid en barmhartigheid nooit vergoeding of verzoening kunnen doen voor atheïsme en goddeloosheid, zo zullen gebeden en offeranden nooit verzoening doen voor bedrog en verdrukking, want gerechtigheid jegens de mensen is evenzeer een tak van zuivere godsdienst als vroomheid voor God een tak is van algemene gerechtigheid."

„Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de HEERE." Het komen bestaat dus in oprecht berouw en bekering en de bekering bestaat in het afleggen van alle kwaadheid en een doen van alle goed. Hoe welmenend, hoe welwillend, hoe zachtmoedig roept de Heere.

Komt dan... komt dan. En laat ons samen rechten. Gij en Ik, Ik en gij. Wij samen. Wonderlijke rechtshandel is dit. De HEERE gaat met Zijn volk rechten op voet van gelijkheid. Het wordt een redekavelen. Brengt gij uw redenen voort, dan zal Ik de Mijne voortbrengen. De Heere noemt Zichzelf hier bij Zijn bondsnaam: HEERE, dat wil zeggen: de God van u, Mijn volk. Laat ons samen rechten, gij, die Mijn volk zijt en Ik, Die uw God ben. Is dat dan mogelijk, dat Gods volk tot zulke dingen in staat is, als die de Heere in de beide vorige verzen beschrijft? Ik meende, dat dat van de wéreld gold, maar dat het heilig volk die dingen al lang had afgelegd. En ik meende, dat God toch van Zijn begenadigde volk iets anders mocht verwachten. Ge kunt mij dan gevoegelijk toevoegen: „Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt!" Dit moest Jezus van Zijn eigen discipelen zeggen. Moet dat dan niet van ieder onzer gezegd worden? Uit de aarde aards als wij zijn. Van God afgevallen als wij zijn, van onze naaste afgevallen als wij zijn. Onszelf toegevallen als wij zijn! Hoort dan Zijn zachte, maar ook dringende woord. Zijn indringende woord. Komt dan, ja komt.

Komt dan, al waren uw zonden als scharlaken, al waren zij rood als karmozijn. Wonderlijke rechter, Vaderlijke rechter. Hij begint met pleiten voor de schuldigen. Hij moedigt aan om te komen, ook al was de zonde nog zo groot, al was de zonde nog zo erg en al was zij nog zo veel. Daar is toch nog nooit een rechter geweest, die misdadigers, al waren zij van de ergste soort, aanspoorde om voor het gerecht te komen? Elke rechter zal gaarne van de berechting van de grofste misdaden verschoond willen blijven, is dat niet zo? En als hij ze mocht berechten, -dan doet hij dat met de meeste schroom en zelfs met tegenzin. Wat een rechter, dat hij de snoodste zondaren, de zwaarste zondaren zo hartelijk nodigt om te komen. Komt dan en laat ons te zamen rechten.

De Heere spreekt hier van scharlaken zonden.

Scharlaken rood is dubbel geverfde wol. Deze werd eerst geverfd in een uit wortelen bereide rode verf op de draad, daarna als het stuk geweven was werd ze met dezelfde verf nog eens geverfd aan de lap. Zo werd deze kleur zo diep en vast rood, dat de stof niet verschoot. Zo werd deze stof kleurecht. Nu zijn daar zonden, bloed-zonden, waarvan u vinden kunt in ons hoofdstuk, die Israël bijna gelijk maakte aan Sodom en Gomorra. Ja, er waren er zelfs, die als oversten van Sodom geworden waren. Dat nu alles, en dat bedekt met offers, met het reukwerk van gebeden, van dagen en maanden en sabbatten, maakte Israëls zonden tot bloedrode zonden, als scharlaken.

En wat zegt nu de HEERE? Komt nu met al deze zonden tot Mij, dan zal Ik daar eens over richten. Laat u door de veelheid en de grootheid van uw zonden niet weerhouden, al waren zij rood als karmozijn. De kanttekeningen zeggen: of purper, of vermiljoen, zulk een kleur als de cochenille geeft — dat is een stof van een schildluis, die opgelost werd in water, alcohol en andere vloeistoffen. Ze geeft een donkerrode kleur. Daar zijn dus donkerrode zonden. Men zou dus kunnen zeggen: er zijn zonden, die zo tot een gewoonte geworden zijn, dat ze een diepe, diepe bloedkleur krijgen. Karakterzonden, boezemzonden, tot een aard geworden zonden. Daar zijn ook zonden, die ons tot in ons bloed schuldig stellen. Zelfs die behoeven voor niemand een beletsel te zijn om tot God te gaan, om met Hem daarover te rechten.

Op de laatste dag des jaars komen wij tot u met deze bemoedigende boodschap. Komt dan. Legt het nu alles eens op tafel wat ge gedaan hebt, uw gebrekkige godsdienst, uw zonden onder de dekmantel van offers, van het reukwerk uwer gebeden, van het houden van maanden, dagen en jaren. Legt het eens voor Hem neer, wat er alles in u en om u en door u is omgegaan, waarmede gij u schuldig gemaakt hebt voor God en voor uw naaste. Legt dat eens voor Hem neer, berecht dat samen eens. Spreekt daar zo samen eens over. Gaat toch met deze last van uw geweten, gaat toch met deze last uwer ziel niet verder. Maakt eens schoon schip voor de Heere en ziet dan eens wat de HEERE doen zal.

Toen 'k zweeg en U mijn ongerechtigheden, Weerhouden door de vrees, niet heb beleden. Verouderden mijn beend'ren door geklag, In mijn gebrul en angst de ganse dag: Want, HEER', Uw hand, die mij bezocht met [plagen,

Deed dag en nacht mij zware smarten dragen; Mijn levenssap droogd' uit van uur tot uur, Gelijk het land door zomerzonnevuur.

'k Bekend', o HEER', aan U oprecht mijn zonden: 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; M^ar ik beleed, na ernstig overleg. Mijn boze daan; Gij naamt die gunstig weg. Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen; Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

Al waren ze zo rood. Dat behoeft echter niet! Gelukkig, wie voor grote zonden bewaard werd, ook het jaar dat achter u ligt. Gelukkig wie voor bloedschulden bewaard bleef. Maar ook voor de netste en meest ingetogen mens wordt toch de zonde een last, een ondragelijke last. Al mogen het dan geen scharlaken zonden zijn, al mogen het dan geen karmozijnrode zonden zijn, het zijn toch zonden voor Gods heiligheid en het worden zéker zonden voor hem, scharlaken zonden, karmozijnrode zonden. Is er één in Gods kerk, die niet zal geloven in de vergeving van zonden? Is er één in Gods kerk, die de vergeving der zonden niet nodig heeft?

Maar hoort nu wat die goede Rechter zegt. Hoort nu wat die goede Rechter zegt reeds vóórdat gij de redekaveling, het gericht begint, , „Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol." Als God i G gaat richten met Zijn volk, als God gaat richten met een zondaar, al is die zondaar nog zo'n groot zondaar, dan zullen in dat gericht, in die rechtszitting, in die redekaveling, in die samenspreking rode zonden wit worden. Dat wil zeggen: de bloedschuld wordt er uit weggenomen. Het wezenlijke van de zonde wordt er uit weggenomen. Het zondige wordt uit de zonde weggenomen. Dat wil zeggen: de zonde wordt te niet gedaan. En dat om Jezus Christus' wille.

Dat is Goddelijk genadewerk. Een aardse rechter kan de schuld door de vingers zien. Hij kan voor de schuld verzachtende omstandigheden aanvoeren. Hij kan iemand niet-toerekeningsvatbaar verklaren. Maar dit kan geen enkele aardse rechter: schuld te niet maken. Zonde te niet maken. Dat kan de hemelse Rechter wel. Dat kan Hij' alleen. Dat kan Hij, dat deed Hij in Christus Jezus. Dat doet Hij om Jezus Christus' wil. Hij maakt de zonde zo te niet, dat Hij bloedschulden in het bloed van Zijn lieve Zoon dempt. Zo maakt Hij rode bloedschulden — al waren het zonden van Sodoms oversten - — wit als sneeuw. Zo nu zegt de HEERE, dat zulke rode zonden züllen wit worden als sneeuw. Wat is er witter dan sneeuw? Eén ding is witter dan sneeuw. Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt van alle zonden. Dat is witter dan sneeuw. Wij zeiden u, dat scharlaken dubbel geverfd wordt met rode verf, zodat het blijvend rood, onverschietbaar rood is, kleurecht rood. Welnu, dat rode rood van de zonden, van bloedschulden wast de HEERE schoon als de sneeuw. Maar dan moeten zij dus ook ter tafel komen. God maakt zonden wit in het gericht, waar Hij een zondaar vrijspreekt van straf en van schuld en waar Hij een zondaar om Jezus' wil een recht geeft op het eeuwige leven. Komt dan!

Ja, komt dan! Want Hij maakt karmozijn-rode zonden als witte wol. Na de witte sneeuw zouden wij denken, dat het wit van de wol wat tegenvallen moet. Die donkerrode zonden zullen dan wat minder wit worden? Neen, neen! Neen, neen! Hebt ge de witte wol van gewassen schapen gezien? Hebt ge de geschoren wol van de schapen gezien, nadat zij door de voller gevold is? Hoe liefelijk wit en zacht. Dat is de natuur. Rein en helder. Wel niet wit als de sneeuw, maar toch zo helder en zacht. Ik lees in mijn bijbel, dat het hoofdhaar van Hem, Die op de troon zat, dat was Christus, was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw. U leest dat in Openbaring 1 : 14. Hier hebt ge het even heldere wit der wol als de sneeuw. Karmozijn-rode zonden, donkerrode bloedzonden worden even wit gewassen als elke andere zonde. Dat nu doet God voor een zondaar. Gaat dan een jaar voorbij, dan laat het ons niet weemoedig afscheid nemen. Als God zegt: Komt, komt dan, dan is de God van de vrijspraak voor eeuwig n Christus over een zondaar verzoend.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 december 1972

Gereformeerd Weekblad | 11 Pagina's

Laat ons samen richten

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 december 1972

Gereformeerd Weekblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken