Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN VERGETEN APOSTEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN VERGETEN APOSTEL

10 minuten leestijd

(13)

„Zo dan, mijn geliefde broeders, een ieder mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet." Jacobus 1 : 19, 20.

„Hoe vindt u dat er gepreekt moet worden? ", luidde de titel van een boek dat jaren geleden verscheen. Het wilde aandacht vragen voor de prediking van het Woord Gods. Dat is een goede zaak. Heeft niet Jacobus in vers 18 gezegd dat God Zijn kinderen baart door het Woord der Waarheid? En daarmee bedoelde hij het verkondigde Woord. Nooit kunnen we de levende bediening van het Woord Gods hoog genoeg waarderen. God Zelf heeft aan dat Woord alle eer gegeven.

Maar daarom is de volgende vraag niet minder van belang: „Hoe vindt u dat er naar dat Woord gehoord moet worden? " Het geloof is immers uit het gehoor? Jacobus geeft op deze vraag dit antwoord: Zo dan, mijn geliefde broeders, een ieder mens zij ras om te horen. Waar het Woord Gods klinkt, daar geldt voor ieder mens: wees ras, wees haastig om het te horen. Als daar zo de nadruk op gelegd wordt door Jacobus, dan ontbrak het kennelijk nogal aan die haast. Dat was toen zo. En dat is vandaag niet minder het geval. Om te beginnen al wat betreft de geregelde gang naar de kerk. Afgezien van de duizenden die nooit meer komen om het Woord Gods te horen, komt ook onder ons steeds meer de slechte gewoonte op om slechts eenmaal per zondag het Woord Gods te horen, 's Morgens is het bed zo warm en 's avonds is de t.v. zo mooi. De morgendiensten zijn nog wel bezet, maar de middagof avonddiensten raken steeds meer onderbezet. Ook in plaatsen of streken van ons land die doorgaan voor „goed Gereformeerde oorden des lands".

Vlammend is het protest van Jacobus, of beter van onze God daartegen: een ieder mens zij ras om te horen. Als de klokken op de zondag luiden, dan roept God het ons toe: een ieder mens zij ras om te horen. Waar het Woord Gods niet meer gehoord wordt, daar verschraalt en verschrompelt het geestelijk leven. Dat kan niet anders. Dat kunnen reeksen belijdeniscatechisanten en volle Avondmaalstafels en volgeschreven Doopboeken niet goed maken. Waar de vas te gang naar het huis Gods onder de bedie ning van het Woord Gods verslapt, daa wordt de gemeente van binnen uit uitgehold Waar het tegengif van het Woord der waar

heid niet meer wordt toegediend en ingenomen, daar krijgt de leugen langzaam maar zeker de overhand. Daarom geldt het apostolisch vermaan in al haar actualiteit: een ieder mens zij ras om te horen. De tweede dienst op zondag is niet alleen bedoeld voor geestelijke fijnproevers of voor mensen die er geen genoeg van kunnen krijgen, maar is voor ieder mens, voor elk lid van de gemeente.

In de tweede plaats heeft Jacobus' woord ook iets te zeggen tot hen die trouw onder het Woord Gods komen. Hoe komen we onder het Woord Gods? Aan de prediking gaat voorbereiding vooraf. Zeker, dat geldt allereerst de prediker. Hij zal het Woord Gods nauwkeurig hebben te onderzoeken alvorens het in de Naam des Heeren de gemeente te verkondigen. Hyperius, een bekend homileet uit de begintijd van de Reformatie, eiste van de predikers dat ze dag en nacht de Schrift onderzochten en zich met haar vertrouwd maakten. Maar die voorbereiding geldt ook de hoorders. Hoe gaan we op om het Woord Gods te horen? Er zijn er die gaan letterlijk haastig op om te horen. Ze zijn nauwelijks wakker als ze zich in hun kerkbank nestelen en sommigen zetten hun zoete slaap in de bank voort. Geen wonder, het werd op de zaterdagavond ook veel te laat. Is dat een juiste voorbereiding op het horen van het Woord Gods? Ik hoef daar geen antwoord op te geven.

De ware voorbereiding is daar waar we ons eerst hebben afgezonderd met de bede in ons hart: Heere, zegen ook mij, als ik Uw Woord mag horen. Dat bedoelt Jacobus als hij schrijft: een ieder mens zij ras om te horen. Dan drijft Gods Geest ons naar Gods huis om daar de blijde tijding te vernemen: God wil aan zondaren Zijn genade in Christus bewijzen. Waarom zegt het Woord ons zo weinig, zoals sommigen wel eens klagen? Omdat er in ons leven zo weinig gevonden wordt die waarachtige haast om te horen wat God de Heere spreken zal. We verwachten er vaak zo weinig van. We vinden het maar zo gewoon. Wie preekt er vanmorgen? Oh die, dat zal wel niet veel zijn. Dat is zo'n saaie man. Niet om aan te horen. En we vergeten dat God Zelf door Zijn geroepen dienaren tot ons spreekt. God schakelt mensen in, mensen met veel gaven, mensen met minder gaven, om het Woord der waarheid tot ons te spreken en om ons door dat Woord te wederbaren.

Thomas Manton, een Engelse Puritein uit de 17e eeuw, schrijft in zijn commentaar op de brief van Jacobus: „Soms zou je wensen: had ik maar geen oren aan mijn hoofd, dan hoefde ik al die dwaasheid van de wereld niet aan te horen." En wie kan hem ook in onze tijd niet van harte bijvallen. Maar wie de smaak van het Woord Gods te pakken kreeg, die komt oren te kort. Die bidt: Heere, open mijn oren door Uw Geest, opdat ik Uw Woord maar recht mag verstaan. Opdat het door de poort van het oor in mijn hart mag terecht komen. „Een ieder mens zij ras om te horen."

Maar Jacobus is nog niet klaar. Hij zegt verder: „traag om te spreken". Calvijn begrijpt er dit uit: „Waarlijk niemand zal een goed leerjongen van God zijn, dan die Hem met stilzwijgen horen zal." Wij zeggen wel eens tegen onze kinderen: als grote mensen praten, dan moeten kinderen zwijgen. Dat bedoelt Jacobus ook. Als God spreekt, dan moeten wij zwijgen. Monden dicht en oren open, want de Heere spreekt.

Ik weet zeker, als u scherp zou luisteren, dan hoorde u onder de prediking heel veel mensen zachtjes, zo maar voor zichzelf praten. En dat praten is dan tegenspreken. Als God zegt: Alzo lief heb Ik de wereld gehad dat Ik Mijn eniggeboren Zoon aan haar gegeven heb, dan zijn er mensen die zeggen: ja maar, als ik niet uitverkoren ben, dan val ik daar toch buiten. Als God zegt: Zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden, dan zijn er mensen die zeggen: ja zeker, maar nu nog niet. Als God zegt: Breek uw zonden af door gerechtigheid en bekeer u tot Mij, dan zijn er mensen die zeggen: ja maar, ik kan me niet bekeren. En zo kunnen we wel doorgaan. Ze zijn niet traag, maar ras om te spreken. Ze spreken tegen. Er zitten zoveel tegensprekers in de kerk. Ze vallen, om het met Calvijn te zeggen, God ontijdig in de rede. Dat moeten we niet doen, zegt hij. Zolang God Zijn heilige mond open heeft, moeten wij ons hart en onze oren openen en met ons spreken de Heere niet vooruitlopen. Als die grote God spreekt, moeten wij kleine mensjes onze mond eens dicht houden en God aan het woord laten. „Een ieder mens zij traag om te spreken." Laat God eens spreken. U kunt zoveel, ja, u kunt alles van Hem leren. Alles wat ten leven en ter zaligheid nodig is.

Je hebt mensen die gaan redenerend de kerk in, zitten redenerend onder de prediking, gaan redenerend de kerk uit. Het zal wel niets zijn. Het is niets. Het was niets. Dat kunt U allemaal wel zeggen, Heere God, maar ik doe het toch niet.

Moet de Heere soms van u ook klagen: Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen? Wees dan eens traag om te spreken en ras om te horen. God heeft ons wat te zeggen door Zijn Woord. Zijn Woord veroordeelt ons hele bestaan buiten God. De wortel van ons leven deugt niet. Maar door Zijn Woord wil God ook ons hele bestaan vernieuwen en veranderen. Waar het Woord ons verzondigde bestaan binnen dringt, daar gaan we zwijgen voor God. Dan verstommen we en besterven al onze woorden op de lippen. Dan geef ik God gelijk in al Zijn spreken tot mij. Al wat ik zeg, is enkel leugen. Maar Zijn Woord is de waarheid. Wat een zegen als mij het zwijgen wordt opgelegd en al mijn tegenwerpingen mij ontnomen worden. Daar word ik een gevangene in het net van het Woord Gods. Als ik zwijg, gaat God spreken. Dan gaat Hij spreken van Zijn hef Kind Jezus, die heeft gezwegen in Zijn liefde. Die zweeg toen Hij vals werd beschuldigd. Die zweeg onder de vlammen van de toorn Gods. Die zweeg onder het heilig recht van Zijn Vader. Maar die in Zijn zwijgen juist spreekt. Goede woorden, troostrijke woorden. Woorden van ontferming en genade. Woorden van het eeuwige leven. Hij zegt: Vader, Ik wil niet dat deze in het verderf nederdaalt, Ik heb verzoening gevonden. O, heerlijk spreken Gods door Christus tot mij, tegenspreker van het Woord Gods. Toen ik Uw woorden vond. heb ik ze opgegeten en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten.

Jacobus gaat nog verder: „een ieder mens zij traag tot toorn, want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet." Als het Woord des vredes uitgaat, is de toorn het slechtste wat er is. Toorn verwart en verstoort. „Wij kunnen God slechts horen met een gestild gemoed" (Calvijn). Wat kan de zegen op het Woord in een gemeente weggenomen worden, als er onderling nijd en toorn heerst. De boodschap van de vrede verdraagt geen onderlinge haat en nijd. Dat gaat niet samen. „Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen die de vrede doet horen." Maar die voeten kunnen niet gaan op wegen waar toornige mensen wandelen. Niet voor niets vermaant Paulus: Wordt toornig en zondigt niet, de zon ga niet onder over uw toornigheid. En geeft de duivel geen plaats. Dat mogen onruststokers in een gemeente wel bedenken: ze belemmeren de doorwerking van het Woord Gods en geven de duivel plaats. En in datzelfde verband spreekt Paulus over het bedroeven van de Heilige Geest. Want de Geest is een Geest des vredes.

Onze toorn werkt Gods gerechtigheid niet. De al eerder genoemde Manton schrijft: „Het slechtste wat we kunnen doen in een godsdienstige controverse is: toornen. Met scherpe tongen en felle pennen bevorderen we Gods koninkrijk niet. Een toornig mens is niet in staat genade te bewijzen of genade te ontvangen. Toorn en drift terwille van de zaak Gods werkt nooit iets goeds uit." God zorgt Zelf voor Zijn gerechtigheid, voor Zijn recht. Daar heeft Hij onze toorn niet voor nodig. Zeker, daar is een rechtmatige toorn. Mozes, de zachtmoedigste van alle mensen, toornde ontzettend toen hij zijn volk zag dansen rond het gouden kalf. Maar diezelfde Mozes zien we ook in de bres staan voor zijn afvallig volk. Zijn toorn vloeide voort uit een hartelijke liefde en bewogenheid. Dan komt er een mildheid over ons die we kunnen leren van de grote Meester die sprak: Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart. Gods rechtmatige toorn kwam op Hem neer. Zo verwierf Hij Gods gerechtigheid. Het lijden en sterven van deze Man Gods werkte Gods gerechtigheid wel. Wie met de mantel van deze gerechtigheid bekleed werd, die wordt nauw voor zichzelf, maar ruim voor een ander. Zo dan, mijn geliefde broeders, een ieder mens zij ras om dit Woord te horen en traag om dit Woord tegen te spreken. Toorn op uzelf om uw ongerechtigheid. Maar heb God en uw naaste lief. Want waar twist en wrok verdwijnt, zal alles door de vrede bloeien. J. M.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 maart 1974

Gereformeerd Weekblad | 1 Pagina's

EEN VERGETEN APOSTEL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 maart 1974

Gereformeerd Weekblad | 1 Pagina's

PDF Bekijken