Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gelijk de slang verhoogd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gelijk de slang verhoogd

13 minuten leestijd

En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Joh. 3 : 14, 15.

Het verderf dat dreigt

Over de wedergeboorte naar Johannes 3 waren wij voornemens u te prediken, toen wij ontdekten dat de lijdenstijd alweer was aangebroken. Niets leek ons toen beter dan uit hetzelfde hoofdstuk de lijdensvoorzegging van de Heere Jezus tot onze tekst te kiezen, al is het dat wij voor kort deze historie reeds in een preek citeerden.

Het is dan een woord uit de gesprekken, die de Heere des nachts gehouden heeft met Nicodemus. Een gesprek over de wedergeboorte, bij ons een welbekend en geliefd onderwerp. „Tenzij iemand wedergeboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." Nicodemus, de geleerde man, verstaat dit niet. Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Dan zegt de Heere Jezus: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan." Daar wordt niet gezegd, dat wij door de Doop of bij de Doop wedergeboren worden, maar dat wat bij de Doop als teken en zegel ontvangen wordt, door de Geest metterdaad geschonken wordt. Beide, het water, teken van afwassing der zonde en zegel van de belofte der afwassing en de Heilige Geest, zijn dus nodig tot zaligheid. Over de wedergeboorte gaat het dus. En geheel in dit verband staat de geschiedenis van de verhoogde slang. Dat is dus een omschrijving van de wedergeboorte. Direct daarop volgt het befaamde woord uit Johannes 3 : 16: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Daar gaat het dan van vers 14 af tot vers 21 toe over: et geloof in de Zoon. En daaraan hangt het eeuwige leven. Calvijn ziet het leven des geloofs in zijn geheel als de wedergeboorte. En de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 24, dat het rechtvaardigende geloof de mens wederbaart.

Nu dan onze tekst. De Heere Jezus vergelijkt de mens en de mensen met de kinderen Israëls, toen die om hunner zonden wil van murmurering, over gebrek aan brood en water en over het manna met de vurige slangen geplaagd werden. Deze slangen waren giftige slangen, die als zij iemand beten, zo stierven zij. Daar stierf bij de berg Hor veel volks.

Die geschiedenis gebruikt Jezus voor Nicodemus om de mens in zijn zondigheid te tekenen. De zonde is een slangenkwaad, dat ons herinnert aan de slang in het Paradijs. De zonde is als een beet van de satan, als een slangebeet, giftig, zodat die ons de krankheid der zonde bezorgt. De zonde is altijd giftig, is nooit onschuldig, is nooit ongevaarlijk. De zonde doortrekt ons hele wezen, heel onze ziel, ook heel ons lichaam. De zonde is zelfs dodelijk. Dat was in het Paradijs zo: daar stelde God op de zonde de tijdelijke, de geestelijke en de eeuwige dood. Nu had men hier te doen met een speciale zonde, namelijk met de zonde van de humeurigheid over de leidingen Gods, over de lange weg, die zij gaan moesten, over de leiding van Mozes, over wat zij noemden een gebrek aan spijs en drank, over de eentonigheid van de spijze. Onze ziel walgt van dit zeer lichte brood. Kennen wij dat ook niet? Wat is er in vele gemeenten veel geestelijke ontevredenheid. Het is zelfs zo dat men het als een bewijs van goede rechtzinnigheid ziet, als men niet licht tevreden is met de spijs der kerk, met de spijze des Woords, zelfs niet met het hemelse manna. Men is vaak nog ontevreden als mjen airede verzadigd is.

Dat is zonde: klagen over de kerk, klagen over de prediking, klagen over het Woord. Daar komt allicht klagen over God bij. Men hoort dat zo vaak. Er is helemaal geen bediening meer van de Heilige Geest. Men hoort vaak: Er valt helemaal geen genade meer. Men hoort nooit eens van doorbrekend werk. Dat bedoelt dus: Christus werkt niet meer onder het volk. Of men hoort: Daar is niet veel helderheid des geloofs, die leidt tot het kindschap Gods. Dat bedoelt dus: God de Vader neemt zo eens niemand aan tot Zijn kind en erfgenaam.

Dit zijn dingen, die u in het kerkelijk leven veel hoort. Als dat zo is, is dat erg. Maar is dat dan niet murmureren over God? God bezoekt dat. Hij bezoekt dat, ons afleven van de Heere en van Zijn dienst, ook onze wederspannigheid en onbekeerlijkheid, met plagen, met dodelijke plagen. Dan worden wij overgegeven aan de slang en aan zijn zaad, en dat zijn vurige slangen, vergiftige slangen. Dat kan een ganse plaag zijn over een geslacht. Dat is een pijnlijke plaag, waar gij maar gebeten wordt, van welke slang gij maar gebeten wordt.

Maar is dit niet, wat elke zondaar ontwaart, als hij wedergeboren wordt, als hij tot het geloof gebracht wordt? Is dit niet de staat van een zondaar, dat hij ten dode is opgeschreven om der zonden wil? Wordt niet de zonde hem als een pijnlijke, als een smartelijke beet? Wordt niet de zonde in hem als een doortrekkende vergiftiging? Wordt niet de zonde hem de dood? Ik verzeker u, dat de zonde u pijn gaat doen, onbeschrijfelijke pijn door heel uw wezen, door uw lichaam en door heel uw ziel. U wordt doodsbang voor deze uw ongeneselijke kwaal.

Het geneesmiddel, dat verheven wordt

„Mozes heeft de slang in de woestijn verhoogd." Dat was op Gods bevel, dat hij dat deed. Intussen geen kleinigheid: een slang namaken, van koper, en dan geen kleine, opdat al die duizendtallen van Israël, die daar gewond en gebeten lagen dat koperen dier konden zien, als het op een steng verhoogd was. Denkt u in dat er al velen gestorven waren en nog velen intussen in uiterste nood verkeerden. Dat wil niet zeggen, dat zij niet baden. Tenminste, zij vroegen Mozes om voor hen te bidden. Hèt volk kwam tot Mozes en zij deden nog belijdenis van zonden ook. Zij zeiden: „Wij "hebben gezondigd, omdat wij tegen de HEERE en tegen u gesproken hebben; bid de HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme." Toen bad Mozes voor het volk. En de HEERE zeide tot Mozes: „Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij ze aanziet, zo zal hij leven." Zo maakte dan Mozes die

slang, wat de nodige tijd vorderde. Het leert ons wel, dat de hulp des Heeren, als die gezocht wordt, daarom nog niet zo maar te gelijk gereed staat. Dat kan God doen, maar daarom wil Hij dat altijd niet. En geloof maar dat die gebetenen met hun wonden en met hun koortsen wat afworstelden en dan dat gewemel van dat slangenleger onder het volk, dat dat wat doodsangsten bezorgde. Behalve degenen, die intussen stierven. Zo was dan dus dat vervaardigen van die vurige koperen slang een werk op zich en eveneens het opsteken van die slang op de stang. Intussen, hoe veilig ging de man Mozes te werk te midden van dat slangengevaar. Die slangen konden ook maar niet bijten wie zij wilden. Hier geschiedde met Mozes zoiets als met Daniël in de leeuwenkuil.

Nu zou echter ook de Zoon des mensen verhoogd worden. De Zoon des mensen, dat is de Heere Jezus Zelf, naar Zijn eigen woord tot Nicodemus in Johannes 3, naar de naam waarmee Hij aangekondigd was in Daniël 7 : 13. Schone naam: oon des mensen. Niet alleen mens geworden daar Hij God was, maar ook Zoon des mensen, in ons geslacht ingegaan, mensendienaar geworden. De mens onder de mensen. En Hij heeft onder zondaren willen staan. Zoals die slang werd opgericht onder murmureerders, eigenlijk'onder slangenzaad, zo zou ook Christus onder zondaren gekruisigd worden om van de beten der zonden van de oude slang, de duivel en van al diens gebroed, te verlossen. De kanttekeningen zeggen: erhoogd aan het kruis. Dat zal wel de aangewezen verklaring zijn. Calvijn verwerpt deze verklaring niet, maar geeft de voorkeur aan het verhogen van Christus' naam in de Evangelieprediking.

Hij heeft de beten van de oude slang, de satan, gekregen op Zijn kruis, als Hem de verzenen vermorzeld werden. In de hamerslagen op de nagelen, in de doornsteken van Zijn gekroonde hoofd, in de striemen en wonden op Zijn stukgeslagen rug, als zij hun voren lang togen, in de brede speersteek in Zijn zijde, heeft de satan, hebben de duivelen wreed toegebeten. Hij alleen is het geneesmiddel voor van de duivel gebetenen. Dat middel mocht en moest gezien worden, daarom werd Hij hoog op een kruis gehangen en dat nog weer gesteld op een van de bergen van Moria, op de heuvel Hoofdschedelplaats. En een hoofdschedel is het hoogste van een mens. Dat moest gezien worden, opdat gewonden van de slang, gebetenen door de zonde, gewonden met dodelijke wonden, dat zien zouden.

Dat is ook de Evangeliedienst, dat Christus vertoond worde als de gekruisigde. Paulus zegt: „Ik heb mij niet voorgenomen iets onder u te weten dan Jezus Christus en die gekruisigd: gestorven om onze zonden."

Wat een droeve zaak, als men een evangelie predikt van helpt uzelf. Wat een droeve zaak als men een evangelie predikt van wat sociale gerechtigheid. Wat een droeve zaak als men een evangelie predikt van de revolutie. Dat alles is heel geen evangelie. Dat is Christus niet. Dat is de Christus der Schriften niet. Wat heeft daar een door de duivel gebeten zondaar aan? Wat heeft daar een stervende zondaar aan? Wat heeft daar een in koorts liggende zondaar aan?

Laat dan hoog Zijn naam klinken. Laat dan hoog Zijn borggerechtigheid lichten. Laat dan hoog Zijn kruis verheven zijn. Daar hangen levens van mensen aan. Daar hangt het verderf aan als het niet verkondigd wordt en het eeuwig behoud van mensen aan als het wel verkondgd wordt. Predikt hèt Evangelie.

Nu zal ik voor de weldaan, die 'k genoot, Aan Hem. naar mijn geloften, eer bewijzen, Hem onder al Zijn gunstgenoten prijzen, Hoe kost'lijk is in 's HEEREN oog hun dood!

Ik zal Uw naam met dankerkentenis Verheffen, U al mijn geloften brengen, 'k Zal liefd' en lof voor U ten offer mengen In 't heiligdom, waar 't volk vergaderd is.

De redding die komt

„Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."

In Numeri 21 : 8 zeide de HEERE tot Mozes: en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij ze aanziet, zo zal hij leven." Dat had de HEERE Zelf gezegd en Hij deed alzo. Dit heeft de Heere Jezus Zelf gezegd en Hij doet alzo. Was dat dan in Numeri bij de kinderen Israëls zo eenvoudig gesteld, dat men met een enkele blik levend bleef? Neen, niet met een enkele blik, maar met een enkele blik op die slang, die opgericht was. Dat was dan nog al wat, waar rondom die levensgevaarlijke slangen rondschuifelden, om van die gevaarlijke kleinere of grotere monsters af te zien (u weet: n woestijnen en rotsgebieden huist nogal wat kwalijk en gevaarlijk ongedierte!) en om dan op te zien of te gaan zien naar die opgerichte koperen slang. Nechusjtan heette die koperen slang. Ze werd later afgodisch vereerd als een soort onheilafleider, zodat Hiskia hem vernield heeft. Zoals ook het kruis later als een soort onheilsafweer gebruikt zou worden, eveneens waardig om aan het volk ontnomen te worden! Was het niet niets om van de rondschuivende slangen af te zien en tot de koperen slang op te zien of te gaan opzien, niet minder was het om doodziek of stervende van zijn pijnlijke wonden af te zien, om naar de koperen slang op te zien. Daar was geloof in Gods Woord, geloof in dat van God opgerichte teken, daar was geloof in God voor nodig.

Zo is er ook geloof nodig om in de op het kruis verhoogde Christus, die stierf om der zonde wil, redding te zien en te vinden. Dan moet men eigen zonden, dan moet men eigen wonden (om der zonden wil) zien. Ik wees al op het gebed van het volk tot de Middelaar van het Oude Verbond, Mozes en op diens gebed tot God. Dat is daar in Numeri ook niet zo maar gegaan. Zo gaat het opzien tot Jezus ook niet zo maar. Neen, dan ziet men op tot Jezus, als strafdragende, als lijdende Borg, en dat voor eigen schuld en voor eigen welverdiende straf. Dan ziet men tot Hem op in het geloof.

Opdat een iegelijk, die in Hem gelóóft. Dan gelooft men ook de in de prediking opgehevene. Denkt er aan dat een rechte prediking van Christus niet niets is. Dat is een opheffing van Christus. De prediking doet dienst als het kruis. In de prediking wordt Christus onder u opgeheven, wordt Hij aan u, onder u vertoond en veel meer: wordt Hij u ter genezing aangeboden. Hij is de Genezer van zondewonden. Hij is de Heelmeester, de Heiland, de Heiland, dat is: die het heelt, Die van alle wonden, giftige wonden, dodelijke wonden, heelt. Hij redt van het verderf. Daar is genezing in Zijn bloed. Daar is genezing in Zijn wonden. Daar is reiniging in het water, dat uit Zijn zijde vloeit, als Hij eenmaal gestorven is. Maar alleen voor het geloof, maar dan ook voor het geloof van een iegelijk, die gelooft. Dat geloof verbindt aan die Redder voor de tijd en voor de eeuwigheid, naar lichaam en ziel.

Israël verafgoodde de Nechusjtang en vergat God. Men kan Christus niet verafgoden, wel Zijn kruis. Men zal in Christus God eren. Een iegelijk die gelooft. Daar was in die slang redding genoeg voor heel dat volk. Zo is er in Christus genoeg voor heel een volk. Zijn volk. Waar men naar Hem maar opziet op Zijn kruis, waar men naar Hem opziet, waar Hij gepredikt wordt, daar zal redding zijn. Waar men daarnaar opziet in geloof.

Daar zal men niet verderven. De zonde brengt verderf. De slang, de satan, brengt verderf. Verderf van ons lichaam, dat bloedt uit duizend wonden. Verderf van onze ziel, die bloedt uit duizend wonden. U moet niet denken, dat er een verlossing van het verderf is zonder verlossing van de zonden. Die twee gaan gepaard! Onthoudt u dit: de zonde brengt het verderf en de zonde is ook het verderf. De zonde is oorzaak van al onze jammer en kommer. Het verderf, dat is tenslotte de dood. Het verderf, dat is aan de gramschap Gods te zijn overgegeven, dat is ten slotte het eeuwig verderf. Van dat alles nu verlost de Heere Jezus, èn van de beten, èn van de pijn, èn van de dood, èn van het verderf.

En nu verheft zich het woord uit Johannes 3 ver boven dat uit Numeri 26 en nu zegt Jezus: „maar het eeuwige leven hebbe!" En daar opent zich het wijde perspectief van het leven der genade hier, het ingaan in het Koninkrijk Gods door de wedergeboorte, het geloofsleven in en uit Christus, de verborgen omgang met de Heere, het leven bij de genadeweldaden, in de gemeenschap der heiligen, een wassen en toenemen in de genade en in de kennis van de Heere Jezus Christus, een ingaan in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, een afsterven van de zonde en een opstanding van de nieuwe mens, een veranderd worden naar de inwendige mens en dat van heerlijkheid tot heerlijkheid. Het eeuwige leven hebben, dat begint hier ten dele, om dan straks vervuld te worden in heerlijkheid. De verhoogde Christus aan het kruis, de verhoogde Christus in de prediking, werkt in gebeten zondaren niet minder dan het eeuwige leven.

S.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 februari 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Gelijk de slang verhoogd

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 februari 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken