Bekijk het origineel

De inzet van het Paasevangelie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De inzet van het Paasevangelie

11 minuten leestijd

En op de eerste dag der week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden, en sommigen met haar. En zij vonden de steen afgewenteld van het graf. En ingegaan zijnde vonden zij het lichaam van de Heere Jezus niet. Lukas 24 : 1 — 3.

Lukas neemt de draad weer op. Hij heeft ons verteld wat de vrouwen gedaan hebben op de avond van Goede Vrijdag. Zij bereidden specerijen en zalven. Hij heeft ons ook verteld dat zij op de sabbat gerust hebben naar het gebod. Nu is de sabbat voorbij, nu is de eerste dag der week aangebroken.
Wees gegroet, gij eersteling der dagen, morgen der verrijzenis!
Maar dat weet op dit ogenblik nog niemand. De blijde dag begint zo droevig. De Koning leeft, maar het volk van de Koning sterft duizend doden. De Koning is verheugd, maar het volk van de Koning is bedroefd. We gaan zien hoe de blijde dag voor de vrouwen begint.

1) De eerste dag
Het Paasevangelie begint met een tijdmelding. Dat hadden we niet verwacht. Als wij het Paasevangelie hadden moeten schrijven zouden wij het anders gedaan hebben. Wij zouden het ingezet hebben met een machtig Paaslied. Maar de Evangelisten zetten niet ineens alle registers open. Die beginnen heel eenvoudig met op te merken dat het de eerste dag der week is, zeer vroeg in de morgenstond.
Dat heeft z'n betekenis. Het Paasevangelie kan niet anders beginnen. Niet om ons te vertellen dat de vrouwen al zo vroeg uit de veren zijn geweest. Maar om ons te boodschappen dat de laatste sabbat voorbij is en dat de eerste dag van de nieuwe bedéling is aangebroken.
Om dat te kunnen verstaan moeten we terug naar de alleréérste dag, naar de morgen van de schepping. Duisternis was op de afgrond, maar God zeide: Er zij licht, en er was licht. Het eerste woord dat de Vader der lichten sprak was een woord van licht.
De eerste dag die de Heere gemaakt heeft was een dag van licht en vreugde.
En alle dagen zouden dagen van licht en vreugde zijn geweest, wanneer we in dat licht waren blijven wandelen. Maar we hebben de duisternis liever gehad dan het licht. En de zwarte schaduw van de dood is gevallen over deze wereld — Gods wereld. En heel de aarde met alles wat zich beweegt en leeft zou geëindigd zijn in de zwarte nacht, in de buitenste duisternis, wanneer Hij niet reddend was verschenen, Die het Licht der wereld is, de Zon der gerechtigheid.
Dat kunt u zien in de hof van Jozef. In die hof is een graf. En het graf is het teken van onze zonde, van onze schande. Dat is de opmerking waard: het Paasevangeiie begint in de hof bij een graf. Dat graf verkondigt ons: de bezoldiging der zonde is de dood. Wie redt zijn ziel van het graf?
Maar vanuit dit donkere graf is het licht uitgebroken. Vanuit de binnenkamer van de dood is het waarachtige leven begonnen. En nu is alles anders, alles nieuw geworden. Na de nacht van Zijn lijden is voor Christus de morgen van Zijn verheerlijking aangebroken. Hoe groot en schitterend is Zijn eer, door 't heil aan Hem bewezen!
Nu is de zon anders opgegaan dan anders. Want voordat de zon in het oosten straalde is de Zon der gerechtigheid opgegan uit de binnenkamer van de dood. Op Goede Vrijdag had de zon haar licht ingetrokken, maar nu straalt ze als nooit tevoren. Nü is het werkelijkheid: Van de opgang der zon tot haar ondergang zij de Naam des Heeren geloofd!
De evangelisten vertellen ons dat nog niet, dat bewaren ze als een groot en diep geheim. Maar de eerste woorden van het Evangelie vormen een praeludium op het grote koraal dat straks zal worden aangeheven: De Lleere is waarlijk opgestaan!

2) De droeve tocht
Het wordt licht in de natuur, maar deze vrouwen zien het niet. Ze hebben alleen maar verlangd naar het einde van de sabbat. Dat nu de oude bedéling voorbij is, daar hebben ze geen enkel besef van.
Wat gaan deze vrouwen doen? Ze gaan hun gestorven Meester de laatste eer bewijzen. Tenminste, dat denken ze. Ze zijn op pad gegaan met de gedachte dat dit het laatste is dat ze nog voor LIem kunnen doen. En ze dóen het ook met heel hun hart. Ze zijn Hem gevolgd, ze hebben Hem liefgekregen. Ze hadden alles voor Hem willen geven. Maar nu is Hij gestorven en begraven. En met Hem is al hun hoop, al hun licht, al hun leven in het graf gelegd.
Maar daarom hebben ze Hem niet minder lief! Misschien is die liefde nog wel versterkt. En liefde maakt vindingrijk. Deze vrouwen missen Jezus. Maar ze gaan niet met elkaar over het gemis zitten praten. Nee, ze gaan op weg. Ze moeten bij Hem zijn, ze moeten Hem vinden. Ze worden met onweerstaanbare kracht naar dat graf getrokken. Ze weten eigenlijk zelf niet wat ze moeten gaan doen. Een levende Jezus vinden, daar denken ze niet aan. En een dode Jezus? Zou Die nog iets voor hen kunnen doen?
Ja, het is allemaal onverstand, allemaal dwaasheid. En toch straalt er geloof door heen. Geloof, zegt Calvijn, in de opstanding der doden. Wat zouden ze anders met die specerijen willen doen? Dat geloof is verkeerd werkzaam, maar geloof is het.
Geloof, en vooral: liefde! Liefde tot de gestorven Zaligmaker. Ze moeten iets doen waarmee ze die liefde kunnen uitdrukken. Ze moeten het dode lichaam nog eer bewijzen. Wat balsem voor de handen en de voeten. Wat specerijen om het lichaam te vrijwaren voor verderf. Ze hebben Hem zo onuitsprekelijk liefgehad...
Dragende de specerijen... Want die specerijen bewijzen het, dat er een band is aan Jezus. De bewijzen dat ze Hem hartelijk liefhebben.
Wat voor specerijen draagt u mee? Droefheid over de zonde? Vreugde en blijdschap in God? Honger en dorst naar de gerechtigheid? Verlangen naar Zijn gemeenschap? Daar is niets van ons bij, het is allemaal van Hem. Maar het is ons leven niet, Christus moet ons leven zijn.
Die specerijen dragen we mee om te laten zien wie wij zijn voor Hem. Maar Hij wil ons laten zien wie Hij is voor ons! Hij heeft niets van ons nodig. Waarom weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is?
En de vrouwen mogen vroeg op geweest zijn, maar de Heere was — met eerbied gesproken — nog vroeger op. „Hij was het graf al uitgegaan, éér ik zijn dood bezoeken kon". Want eer zij roepen zal Ik antwoorden.

3) De afgewentelde steen
Zij vonden de steen afgewenteld van het graf. Maar daar is wat aan voorafgegaan! Ze hebben zich onderweg al afgevraagd: Wie zal de steen afwentelen? Aan andere problemen hebben ze niet gedacht. Althans, de vraag is niet bij hen opgekomen: Hoe zullen we ongemerkt de wacht passeren? Wie zal het keizerlijk zegel verbreken? Ze hebben maar één probleem: de steen, hoe krijgen we die van zijn plaats?
Er zijn wat stenen die de weg naar Christus versperren! Stenen van schuld, zonde, ongeloof, aardsgezindheid, wereldgelijkvormigheid. En vooral: dat stenen hart. Wie zal ooit al die stenen verwijderen?
Wij weten het al, die vrouwen zitten te tobben over iets dat er niet is! Die steen is al weg, dat heeft een engel gedaan, met één handbeweging. Maar die steen voor het graf, dat was de zwaarste steven niet. Er zijn vanmorgen wel andere stenen opgeruimd. Stenen die ook engelen niet van hun plaats konden krijgen. Stenen waar Hij aan te pas moest komen, de sterke Held Die van Edom komt. De steen van Gods eisende gerechtigheid, de steen van de vloek der wet, de steen van het handschrift der zonde, de steen van de dood en van het graf en van het oordeel.
Al die stenen zijn weg. Er is maar één Steen over, de Steen Die door de tempelbouwers verachtelijk was een plaats ontzegd. De Steen Die God gelegd heeft in Sion, niet om de toegang tot Hem te versperren, maar om op Hem gebouwd te worden.
Dat is het Paasevangelie: de Heere neemt ons alles af, opdat we Hem alleen zouden overhouden. Want Hij is de Rotssteen Wiens werk volkomen is.
Overigens, dat de steen weg is, is voor deze vrouwen geen reden tot vreugde, maar tot droefheid. Hun eerste gedachte is niet: Hij is opgestaan! Hun eerste gedachte is: Gestolen! Grafroof!
Wat een probleem léék is geen probleem. Maar er is welxeen nieuw probleem bijgekomen. Het graf is leeg.

4) Het lege graf
Dat is een teleurstelling. De steen is weg, maar Jezus is ook weg! Als later op de dag de Emmaüsgangers verslag doen van wat de vrouwen 's morgens ondervonden hebben, dan horen we in hun woorden nog de teleurstelling: Maar Hèm zagen zij niet! En om Hem ging het toch immers?
Daar staan ze met hun specerijen, bij een leeg graf. Dat klopt, want dit graf is de openbaring van Gods heerlijkheid, en van Christus' volkomen overwinning. De versmaadheid die ons had moeten treffen is op Hem gevallen. De duisternis waarin ons leven had moeten eindigen heeft Hij op Zich genomen. De vloek der wet die op ons hoofd moest neerdalen heeft Hem getroffen. Hij heeft aan Gods recht genoeg gedaan. Hij heeft de schuld betaald. Hij heeft het oordeel gedragen. En nu is Zijn graf opengegaan en is Zijn graf leeg, want Hij heeft, o God, van U begeerd het onvergankelijk leven, Gij hebt het Hem gegeven.
Dat zien de vrouwen niet. Maar één ding is wonderlijk. Wat zegt Lukas? Ingegaan zijnde vonden zij het lichaam van de HEERE Jezus niet. Dat moeten de vrouwen zó gezegd hebben: de HEERE Jezus. En daarmee spreken ze al uit dat Hij in de dood niet kon blijven, want HEERE, dat wil zeggen: Machthebber, Gebieder, Koning. Zou de Almachtige dan gebonden kunnen worden door banden van de dood?
Zo hebben de vrouwen zichzelf verraden. Ze noemen Hem HEERE en ze zoeken een dode Jezus. Ze noemen Hem HEERE en ze geloven Zijn Woord niet.
Wat is de Heere wijs dat Hij Zich zó niet laat vinden. AJs die vrouwen nu eens vroeger geweest waren en ze hadden Zijn levenloze lichaam aangetroffen? Een Jezus Die niets zegt en niets doet... Aan Wie ze alleen hun specerijen hadden kwijt gekund...
Maar nu hebben ze niets. Jezus is er niet en hun specerijen kunnen ze niet kwijt. Nu mogen ze alles houden. Hij heeft niets van hen nodig. Nu moeten ze leren dat alles van één kant komt. Zo wordt genade genade.
Dat is Pasen, niets in ons en alles in Hem. Vastgelopen en uitgewerkt zijn en Hèm alles laten doen. Zo wordt Hij ons de Koning van Israëls God gegeven. Gegeven tot wijsheid, tot rechtvaardigheid, tot heidigheid en tot een volkomen verlossing.
Zullen we nu de vrouwen'maar achterlaten bij dit lege graf? Wachtend op de Paasbooaschap en op de verrezen Heere Zelf? Wij weten het toch al dat Hij opgestaan is.
Ja? Weten we het ook? Geloven we het ook? Jamaar, een mens is toch dood in zonden en misdaden? Daar is toch niets aan te doen? Zeker, daar is alles aan te doen. Sinds dit graf opengegaan is, hoeft er niemand in de dood te blijven. Doden zullen horen de stem van de Zoon van God en die haar gehoord hebben zullen leven.
Wie is er die Jezus zoekt? Al zo lang gezocht en nog niet gevonden? Wat draagt u nog mee? Uw specerijen? Waar zit u op te kijken? Op die zware steen? Laat los en ge zult losgelaten worden. En gij die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven. Er is een Heilige Geest Die Heere is en levend maakt en Die de ogen opent voor Hem, de Levensvorst.
En indien ge met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn. En wanneer Hij zal geopenbaard zijn Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Wijk (bij Heusden). W. v. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De inzet van het Paasevangelie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken