Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Je moest eens weten ...

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Je moest eens weten ...

10 minuten leestijd

Samen zaten ze op de stoeprand voor het gore kroegje in de zon. Keurig gekleed naar hun begrippen en met korte haartjes. Ik zag hen pas toen ik al voor hun neus stond. Zij zagen mij trouwens ook niet eerder.

Leen en Tom. Vandaag voor het eerst, zo vertelden ze, waren ze sinds 8 maanden weer vrij. Een grote serie inbraken, autodiefstallen en een beroving hadden hun 8 maanden nor. gekost.

Alles om aan geld te komen voor hun drugs. Een maand voordat ze vrijkwamen had ik ze gesproken in de gevangenis. Het was maar een kort gesprekje geweest, maar ik liep later toch met een blij gevoel naar mijn auto, dat weet ik nog best. Ze zouden het wel redden, dacht ik. Beiden waren al minstens 10 kilo gegroeid. Ik herkende hen nauwelijks. Een baas hadden ze toen ook al, daar hadden de mensen van de reclassering voor gezorgd. Ook de huisvesting was geregeld. Wat moet je nog meer? Hun bedje was gespreid! Dat ze daar nu op de stoep zaten bij die kroeg, beviel me al niet. Alles van vroeger zouden ze vergeten, hadden ze gezegd. Vrienden, omgeving, alles... In de borstzak van het bonte jack van Tom zag ik een verkreukeld baaltje Drum. Tussen het zachte plastic en het blauwe papier daarvan zag ik een vierkant toegevouwen stukje zilverpapier... Een bitter gevoel van teleurstelling drong zich aan me op.

Zou hij echt weer...? Ik voelde me een beetje schuldig eigenlijk. Dat rotwerk maakte me ook zo achterdochtig. Ze zouden het best redden, dacht ik toch? Ze zagen er zo gezond en sterk uit nu. Toch kon ik niet bij hen wegkomen. Ik wrong me tussen hen in. Uit de kroeg zweefden de doffe klanken van muziek en een hese stem krijste iets onverstaanbaars. Tom keek mij aan en direct wist ik het zeker. Die schuldige wanhopige blik. Dikke tranen kwamen in zijn ogen. „Ik heb mijn tweede shot alweer te pakken", zei hij zuchtend, toen ik zei dat het me niks beviel hen daar weer te zien. Loom haalde hij de schouders op en slenterde het kroegje binnen.

„Weet je", zei Leen, „vanmorgen kwamen we samen van de trein en toen we van het perron liepen, toen dacht ik: Nou, hier zijn we dan. Weer in diezelfde rotwereld, weet je wel, niks veranderd. Nou ben ik afgekickt cn wat nou nog. Niemand die op je wacht. Waar moest ik heen...? Is dat nou alles waar ik trots op moet zijn. Moet ik me zo nou gelukkig voelen. Niemand die naar je omziet, weet je wel... ik heb het nou wel definitief bekeken...

Een afknapper is het, weet je wel. Laat mij maar shotten... ik hou het voor bekeken..."

Tom

Het bovenstaande is een passage uit een boek dat de titel draagt: Je moest eens weten... over Drugs. Het is uitgegeven bij Drukkerij-Uitgeverij De Groot te Goudriaan en het, kost ƒ 19, 50. De schrijvers van dit boek zijn Cor Stam en Leen van Driel. De eerste is rechercheur van de gemeentepolitie, speciaal belast met drugzaken. De andere is leraar en dekaan van de christelijke scholengemeenschap Guillaume Farel te Ridderkerk. Het onderwerp waarover ze schrijven is belangrijk genoeg, want we kunnen elke dag in de kranten lezen over drugs en over de gevolgen van het gebruik ervan. En wat weten we dan nog weinig van de achtergronden van al die verhalen die we lezen, wat weten we weinig van de omvang van het druggebruik, van de ellende die het brengt, van de nood waarin veel jongeren verkeren. Dit boek licht een sluier op en geeft ons inlichtingen over véél dingen die met drugs en met druggebruik en de gevolgen daarvan te maken hebben. Nog een voorbeeld:

Het zoveelste paar radeloze ouders had de weg naar het politie-bureau gevonden. Hun zoon Tom, de jongste uit een nest van 4, bracht hen aan de rand van de wanhoop. Hij was thuis niet meer te handhaven. Zelfs de platenspeler van zijn oudste zuster had hij verkocht voor heroïne. De wetenschap dat hij dag en uur door de stad zwierf en in bouwvallen en kraakpandjes huisde, was onverdraaglijk voor hen.

„Hij blijft toch je kind, hè meneer", huilde de moeder, „hij was altijd zo goed voor me en het ontbrak hem aan niets..."

De andere dag liep ik Tom tegen het lijf in de stad. Hij zat dromerig voor zich uit te staren aan een tafeltje in een jongerencafé. Hij was kinderlijk blij met een glas frisdrank. Hij klokte het in één teug naar binnen. Zijn grote vriendelijke ogen stonden nu afwezig en keken wazig in mijn richting.

Hij had vet en onverzorgd haar. Zijn handen waren vuil en er zaten dikke zwarte randen onder zijn lange nagels. Zijn handen beefden en hij rookte de ene Marlboro filtersigaret na de andere. Toen ik bij hem ging zitten en informeerde hoe het met hem was, wist hij me toch, ondanks zijn verregaande staat van verslaving, het volgende tamelijk heldere verhaal te doen:

„Weet je, ik ben natuurlijk niet aan drugs begonnen met de bedoeling er aan verslaafd te raken... Niemand natuurlijk hè. Omdat ik zelf aan drugs begonnen ben, menen velen dat ik er dan ook maar aan dood moet gaan, weet je wel... Eigen schuld, laten ze d'r eigen maar te pletter spuiten... dat kwaad straft zichzelf. Zij kijken laag op een verslaafde neer en zelf maken ze zich zorgen om hun verkoudheid. Voor iedereen in onze samenleving is er hulp, wordt er gezegd. Als je failliet gaat, huwelijksproblemen hebt, overhoop ligt met je ouders, als je zonder werk zit... De gevangenen worden vertroeteld in luxe inrichtingen met duizend maatschappelijk werkers en psychologen. De heroïnehandelaars laten zich vertegenwoordigen en vrijpleiten door linkse advokaten, weet je wel... Maar wie trekt zich wat aan van de slachtoffers die ze maakten? Waar moet ik naar toe, zooi vieze junk, zo'n smerige drugverslaafde, zonder thuis, zonder geld, zonder echte vrienden? Met een uitgeput lichaam sleep ik me voort van de ene dag in de andere... Ik ben net een kind, weet je. Want wat ik me nu voorneem, ben ik over 5 minuten vergeten. Ik kan m'n eigen ogen niet vertrouwen, want soms zie ik dingen die er helemaal niet zijn... Mijn voeten brengen mij naar plaatsen waar ik niet wezen moet en mijn handen grijpen naar dingen die niet van mij zijn. Ik ben een kind, want ik moet een hele dag aan het handje lopen. Als ik wakker word snak ik al naar mijn dope. Moet ik met mijn ziek lijf gaan jatten voor geld... voor die rotsmack... Handelaars zijn moordenaars. Als zij uit de gevangenis komen ben ik misschien al dood. Zij gaan gewoon opnieuw beginnen met bloedgeld vergaderen en slachtoffers maken... Geld stinkt niet, weet je wel...

Een week afkicken is erger dan een jaar bajes, weet je dat wel...? Zelfs in de gevangenis kunnen de handelaars hun eisen stellen via dure advokaten en hun zaken regelen. Geld zat... hé... vrienden zat... en dan ik hé... niemand meer die om me geeft... Nee, hou jij je cleane wereld maar... kan ik niet meer terecht... voel ik me niet meer thuis... willen ze mij niet meer hebben... geen plaats voor een junk, hé...

Weet je... alles heb ik geprobeerd. Nu zit ik in de vernieling... alles in puin... voor mij is er niemand... Eén kick heb ik nog niet gehad... daar is er maar één van, weet je wel... doodgaan..."

Een dikke traan liep langs zijn wang. Hij trilde zo erg dat hij zijn frisdrank over zijn kleding morste. Het enige wat hij nog van me wilde aannemen was een broodje kaas en een glas chocomel.

Met lange lome passen liep hij tenslotte

de drukke winkelstraat in en niemand scheen aandacht aan hem te schenken...

Ook uw kind? ...

Met opzet hebben we hier twee lange citaten uit dit boek gegeven omdat ze beter dan wat ook de ellende van de druggebruikers tekenen. Dit boek wil ons wakker schulden en tegelijk de weg wijzen. Het vertelt ons van alles over drugs, over de gewetenloze handelaars, over de vele jongeren die in nood verkeren. Cor Stam en Leen van Driel weten waar ze over schrijven. Ze weten ook van de zonde, van de afval van God, en van de weg terug naar God en naar Zijn genade. Maar ze weten ook van de opdracht die we hebben om mensen in nood te helpen en bij te staan.

Wanneer men dit boek gelezen heeft ziet men de berichten die over drugs en druggebruikers in de kranten staan ineens met andere ogen, dan zien we tegelijk ook de slachtoffers, dan zien we de nood van vele jongeren en de nood van de ouders.

Daarom zouden we dit boek in de handen van de jongeren willen zien, maar ook in de handen van de ouderen, opdat we zullen begrijpen wat er eigenlijk aan de hand is, met wat voor een probleem we hier te maken hebben en dat we niet met een boog om de verslaafden kunnen heenlopen en dat er hulp geboden zal moeten worden. Er moeten meer opvangcentra komen, maar dan een opvang die uitgaat van de liefde van Christus voor het verlorene en voor het gebondene.

Daarom vestigen we uw aandacht op dit boek. Het moet gelezen worden en het moet besproken worden en er moet veel gebeuren.

We besluiten nog — om u dit laatste duidelijk op het hart te binden — met het verhaal over Herman, die 16 jaar is en broodmager:

„Herman zat in de hoek op een vieze kapotte matras. Een flakkerende kaars stond naast hem op de vloer. Zijn druipnatte jas hing om zijn schouders en de linkermouw van zijn trui was opgerold tot boven de elleboog. Om zijn arm had hij een broekriem gebonden. Met trillende handen vouwde hij een klein zilverpapiertje open en probeerde daaruit wat heroïnekorrels op de lepel naast de kaars te doen. Dit mislukte door een plotselinge hoestbui die door de kelder echode. Ik dook weg. Even later zag ik hoe hij de kostbare korrels gif, dat men heroïne noemt, van de vloer raapte, op de lepel legde en er regenwater op druppelde. De injectiespuit lag met de naald omhoog in een doosje. De kaarsvlam knetterde toen Herman de lepel in de vlam verwarmde. Wonderlijk hoe handig die trillende vingers de injectiespuit volzogen met het warme mengsel en de luchtbel met de naald omhoog eruit perste.

Toen de naald nog maar nauwelijks in de ader van zijn grauwe benige arm was geprikt, hoestte hij opnieuw en trok een pijnlijk gezicht. Langzaam drukte hij de spuit leeg in zijn bloedvat, legde het moordtuig naast zich neer, ontspande de riem en liet zijn hoofd achterover tegen de vochtige muur zakken. Hij slaakte een diepe zucht en sloot de ogen.

Voor korte tijd glipte hij weg uit zijn ellende. Als het zou zijn uitgewerkt, als hij zich weer beroerd zou gaan voelen, zou hij zeker weer een shotje nemen, en dan wéér één, en weer één tot, ja tot wat? Tot eeuwige ellende...? "

Zou die Herman uw zoon kunnen zijn of uw kleinzoon?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Je moest eens weten ...

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken