LEVEN DOOR HET GELOOF
(9)
Tot nu toe zagen wij dat het geloof zich betrekt op zijn voorwerp, namelijk God in Christus en God zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart. Om het laatste nog iets toe te spitsen en aan te scherpen, moeten we iets meer onderscheiding aanbrengen. Om te beginnen vragen we ons af wat wordt er bedoeld als we zeggen dat het Woord van God het voorwerp van het geloof is? Dat het geloof begint met het héle Woord van God voor waarachtig te houden. Velen laten het geloof pas beginnen als iemand tot het geloof in Christus komt. Beza bijvoorbeeld heeft het zo voorgesteld: , , Eerst bewerkt de Geest door de Wet verslagenheid in het hart der uitverkorenen. Vervolgens werkt Hij het geloof in hen, zodat zij aan de voorwaarde die met de prediking van het Evangelie verbonden is kunnen voldoen. De verbrijzeling door de Wet, is een voorafgaande voorwaarde van het geloof".
Dit is tot op vandaag de meest gangbare gedachte. Men beperkt het geloof tot het komen tot Christus en de verslagenheid van het hart, de verbrijzeling over de zonder, die er noodzakelijk wezen moet, wordt buiten het kader van het geloof geplaatst. Het is Calvijn geweest die deze noodzakelijke verslagenheid en boetvaardigheid niet aan het ware geloof doet voorafgaan, maar haar als een wezenlijk bestanddeel van het oprechte geloof ziet. Ik moet Graafland bijvallen als hij stelt dat Calvijn meer nadruk legt op de verbinding tussen boetvaardigheid en geloof, dan op het voorafgaan van de boetvaardigheid aan het geloof. , , Een absolute vooraf kent Calvijn niet" (Dr. C. Graafland, De zekerheid van het geloof, Uitgeverij Ton Bolland, Amsterdam 1977, pag. 65).
Gods belofte als voorwerp van het geloof
Calvijn wil zeker de belofte Gods a's voorwerp van het geloof laten gelden, maar hoewel hij daar de volle nadruk op laat vallen, het voorwerp van het geloof niet beperken tot de genadige belofte Gods alleen. Als onze Heidelberger Catechismus spreekt van een , , alles voor waarachtig houden wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, " en het bij die kennis des geloofs niet gaat om een louter verstandelijk inzicht alleen, maar om een kennis die door het hart heengaat, dan vinden we ditzelfde al bij Calvijn. Hij zegt: „Het is de taak des geloofs de waarheid Gods te onderschrijven, zo dikwijls Hij spreekt, en al wat Hij spreekt en op welke wijze Hij spreekt" (Inst. III-II-7).
Hieruit zien wij dat het geloof zich op het heel Woord van God betrekt en niet uitsluitend op de belofte. En zo heeft het ontdekkend Woord van God ook een plaats in het leven des geloofs. Want we zullen de veroordelende kracht van Gods Woord moeten gelóven, zal het ons ooit verbrijzelen. Als de drieduizend op de Pinksterdag het veroordelend woord dat Petrus door de Geest tot hen sprak niet geloofd hadden, dan waren zij nooit verslagen in het hart geworden. De rechte gcloofsprediking is die prediking, die de gemeente dagvaart voor Gods rechterstoel en zo vanuit de schrik des Heeren en de liefde van Christus haar zoekt te bewegen tot het geloof.
God is in alles waarachtig, ook als Hij in Zijn W r et ons beveelt, ook als Hij ons verbiedt en gebiedt. Het geloof haalt het veroordelend woord van God naar zich toe. Zich schuldig kennen betekent niet per definitie vaststellen dat we zondaar zijn. Maar het Wóórd geloven als het ons veroordeelt en neerwerpt voor Gods aangezicht. Want wie is zondaar voor God, behalve de mens die gelooft dat God waarachtig is als Hij zegt dat de gehele wereld voor God verdoemelijk is? Velen belijden het, willen het gepredikt hebben, maar trekken zich er niets van aan. Ze gaan even vrolijk over tot de orde van de dag alsof er niets aan de hand is, omdat zij het niet gelóven. Ze hebben het maar over de mens dit en de mens dat, maar wie is de mens? De mens die zij bedoelen is altijd ongrijpbaar en glipt er met vrome praat steeds tussendoor. Maar de mens die God bedoelt bent u, ben ik en God zegt in Zijn Woord: Gij zijt die man! Gelooft u dat?
Calvijn heeft het ons naar de Schrift willen inprenten dat de gelovigen in alle opzichten Gods Woord moeten omhelzen en aannemen. Hij neemt daarbij Noach tot voorbeeld. „Daarom schrijft de apostel (Hebr. 11 : 7) het aan het geloof toe, dat Noach de ondergang der wereld, toen die nog niet gezien werd, vreesde. Indien de vrees voor dreigende straf het werk was van het geloof, moeten de bedreigingen van de bepaling des geloofs niet uitgesloten worden" (Inst. IïI-II 29, 30).
Ik pleit er voor dat deze gedachte weer ingang zal vinden, ook bij de gemeente en middels de rechte prediking. Elke verzelf-
standiging, ook die van de zondekennis leidt tot systematisering, waardoor we het juiste zicht op en het verband tussen ellende, verlossing en dankbaarheid niet meer zien.
Betekent dat dan dat we ieder die klaagt over zijn zonde maar direct voor een gelovige moeten houden? Die gelooft wat God in Zijn Woord van hem zegt, zal dat juist voor zichzelf niet doen. Wie het ontdekkend Woord van God gelooft, rekent zich op grond van die ontdekking er niet bij, maar ziet zich er buiten staan. Toen de drieduizend op de Pinksterdag verslagen werden in het hart, zeiden ze niet dat ze toch wel een beginsel van genade hadden, maar omdat ze het woord hunner veroordeling geloofden, vroegen ze wat ze moesten doen om uit die nood te geraken. Ik wil met het bovenstaande niet meer zeggen dan dat de ware ontdekking aan zonde en schuld, en de daaruit voortvloeiende verbrijzeling van het hart niet buiten het ware zaligmakende geloof omgaat. Tegelijk moeten we met nadruk stellen dat het geloof, hoewel het zich op het ganse Woord richt, zijn eigenlijke voorwerp vindt in de belofte Gods.
Als het om „alles" gaat wat God spreekt, dan ziet het geloof ook op Gods goedertierenheid in de Heere Jezus Christus. Wie het oordeel Gods gelooft en daarin zijn eigen veroordeling, die mag horen hoe de goddelijke vrijspraak vanuit het Evangelie hem tegenklinkt. Op de vraag: wat zullen wij doen, mannen broeders, zegt Petrus niet dat ze nu wel mogen geloven dat er een beginsel van genade in hen is, maar klinkt kort en krachtig het antwoord: Bekeert u en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal. En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande hen, zeggende: wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
Wat ziet u dan gebeuren? Dat ene woord en die vele woorden, dat ganse Woord van God, door Petrus gepredikt, gaat hun hart binnen en de Geest werkt het geloof. Die 'dan zijn woord gaarne aannamen werden gedoopt. De prediking maakte verslagen, de prediking trok hen uit het oordeelsduister naar Gods licht. Met de belofte Gods die ons in de bediening van het Woord ter hand gesteld wordt, vlucht het geloof naar de Heere toe en niet van Hem weg. Calvijn weet dit alles zeer helder te onderscheiden en toch de eenheid te bewaren tussen dreiging en belofte, veroordeling en vrijspraak en ze beide te laten binnen het raam van het geloof. Het is de moeite waard om daar grondig kennis van te nemen en onze opvattingen daaraan te toetsen, hetzij we predikers, hetzij we hoorders van het evangelie der genade Gods zijn. Dus als vastgesteld is dat het de taak van het geloof is om de ganse waarheid Gods te onderschrijven, zo dikwijls Hij spreekt, al wat Hij spreekt en op welke wijze Hij spreekt, dan vervolgt Calvijn: „Maar wij vragen slechts, wat het geloof in het Woord des Heeren vindt waarop het kan steunen en rusten. Wanneer onze consciëntie alleen toorn en wraak aanschouwt, hoe zal ze dan niet sidderen en beven? En hoe zou ze niet vluchten voor God, voor wie ze beeft? "
Hier ziet u hoe reëel voor Calvijn de krachtige veroordeling van de zondaar is. En dat kan nog aangevuld worden met wat hij schrijft over de verslagenheid van de drieduizend uit Handelingen 2: „Dit is het begin der boetedoening, de weg tot de ware vroomheid, om droefheid te hebben over de zonde en door het bewustzijn onzer overtredingen doorwond te worden. Want zolang de mensen zorgeloos voortleven, is _ het onmogelijk dat zij hun zielen met ernst bij de leer der zaligheid bepalen"'.
Alleen, het gaat bij Calvijn niet aan het geloof vooraf, maar met het geloof gepaard. Dat laat hij duidelijk zien als hij, hoewel hij toegeeft dat een mens in die situatie geneigd is God te ontvluchten, hij juist tot God toevlucht neemt in plaats van voor Hem op de vlucht te gaan. Er is dan zeker geloof, maar we hebben nog geen volle bepaling van het geloof. „Daarom zeggen wij dat het fundament des geloofs is de genadige belofte, omdat het geloof op haar rust" (Inst. III-II-29).
Ik geef nu een samenvatting van de uitwerking die Calvijn aan dit alles geeft. Het geloof stelt vast dat God waarachtig is. Het geloof dus!" En God is waarachtig, hetzij Hij beveelt, hetzij Hij verbiedt, hetzij Hij belooft, hetzij Hij dreigt. Het gehoorzaamt in gehoorzaamheid de bevelen Gods, het geeft acht op zijn bedreiging en merkt op wat Zijn geboden van ons eisen. Maar het mag daarbij niet blijven staan. In één adem laat Calvijn er op volgen, dat het geloof eigenlijk begint bij de belofte. Daarop rust het, daarop steunt het. W 7 e zouden zeggen: dan komt het tot de doorbraak, en daarin eindigt het ook. Want als het geloof niet verder kon komen dan alleen de bedreiging geloven, dan was het een verloren zaak. Het geloof zoekt het leven in God en dat leven ligt niet in de afkondiging van de straffen, maar in de belofte van Gods barmhartigheid. Het evangelie is een kracht Gods tot zaligheid, en het gaat er niet om hoe verwe gevorderd zijn in de kennis van onszelf. Wie zal daar ooit in uitgeleerd raken? Maar dat de gerechtigheid Gods die in het evangelie geopenbaard wordt ons deel is. En al moeten we heel het W 7 oord Gods omhelzen, en al gaat dat niet buiten het geloof om, zo „bestemmen wij de belofte der barmhartigheid voor het geloof tot een eigen doelwit."
Gods belofte dus voorwerp van het geloof. Het gaat er om dat het geloof komt tot de omhelzing van de beloften Gods. En hoewel het ziet op alle delen van het Woord Gods, zo komt de meerwaarde van het geloof in de belofte Gods vast te staan. We kunnen van onze veroordeling niet leven, hoezeer we het ook geloven. Daarom zal het geloof nooit vast staan voordat het gekomen is tot de genadige belofte en we kunnen niet anders dan door het geloof met God worden verzoend en dat gebeurt waar het geloof ons met Christus verenigt. De stand van het geloof zal nooit vast zijn als het zich niet richt op Gods barmhartigheid. Zo komt het ook tot een vast vertrouwen hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid geschonken is, uit louter genade alleen om de verdiensten van Christus' wil" (Zondag 7, vr. en antw. 21).
Wel worden we gewaar dat God toornig op ons is, maar het geloof breekt door tot de blijde zekerheid als de Vader ons de schuld vergeeft. „En dat is de ware kennis van Christus wanneer wij Hem aannemen, zoals Hij ons door de Vader wordt aangeboden, namelijk met Zijn evangelie bekleed" (Calvijn). En van hoe groot belang die beloften zijn, dat heeft Calvijn talloze malen ons willen inprenten. Het geloof eigent zich de beloften Gods toe. Wij vallen het getuigenis van Calvijn van harte bij als hij ons voorhoudt: „Hierom gaat het voornamelijk in het geloof, dat wij niet menen dat de beloften der barmhartigheid, die de Heere biedt, slechts buiten ons waar zijn en in ons niet, maar dat wij ze veeleer binnenin ons aanvaarden en tot de onze maken" (Inst. III-II-16). Dan pas komt het geloof vast te liggen in de beloften Gods, dan pas kunnen we in de volle zin van geloof spreken. Dan zijn we als het schipt dat het anker heeft uitgeworpen achter het binnenste voorhangsel, in de vaste grond van Gods genadige beloften. Want voor het geloof is niets zo vast als het beloftewoord van God.
Zo ontstaat vanuit het Woord en door de Heilige Geest dat hartelijk vertrouwen en zien we in dat al Gods beloften in Jezus Christus ja en amen zijn. En dat brengt ook de vrede mee, die alle verstand te boven gaat. Want nu hebben we het niet meer alleen over de beloften Gods, maar het zijn de gevulde woorden Gods. Die beloften hebben een inhoud. En als we de overwegingen over het voorwerp des geloofs nu afsluiten, dan zeggen we tenslotte:
Christus is het voorwerp des geloofs.
Christus bepaalt immers de inhoud van de beloften Gods. Het is door Hem dat wij verzoend voor het oog van de Vader treden. Het is in Hem dat de wet tot zwijgen is gebracht; het is in Hem dat het oordeel Gods over de zonde zich voltrokken heeft. Uit het evangelie ontstaat het vertrouwen dat Paulus in Romeinen 5 „vrede" noemt. En dit vertrouwen is een gerustheid, die het geweten voor Gods oordeel kalmeert en opgewekt maakt... Kortom waarlijk gelovig is slechts hij. die met vaste overtuiging er van overtuigd is, dat God hem een genadig en goedgunstig Vader is, en die van Gods goedertierenheid zichzelf alles belooft, die op de beloften van Gods goedgunstigheid jegens hem vertrouwend, een ontwijfelbare verwachting der zaligheid heeft" (III-II-16).
Zo komen wij er toe om Christus als het voorwerp des geloofs te zien. Het geloof rust niet in zichzelf, zoekt niets in zichzelf, maar draagt als eigenschap de zaligheid bui-
ten zichzelf in Christus te zoeken. En als wij zeggen in Christus, dan moeten we erbij bedenken dat Gods beloften heel het heilswerk van Christus omvatten. Dan gaan de heilsfeiten ook in het geloofsleven een grote rol spelen. Het gaat er niet om wat ik van mezelf geloof, maar dat mijn leven als leven des geloofs verankerd wordt in de vleeswording des Woords, in de dadelijke en de lijdelijke gehoorzaamheid van Christus, in de kruising, de opstanding, de hemelvaart, Zijn zitten ter rechterhand Gods en in Zijn wederkomst. Alles wat Christus gedaan heeft en doet en nog doen zal, gaat meespreken als we in het geloof op Hem gericht worden. Alle delen van onze zaligheid liggen in Hem besloten. „Het geloof is niet anders dan Christus omhelzen zoals Hij ons in het evangelie wordt voorgesteld" (Caivijn op Hand. 10 : 43).
En dit is het geloof der ware vromen dat het zich onderscheidt van alle waangeloof en praatgeloof en uiteindelijk van het ongeloof" dat wij God als Vader aanroepen, waardoor wij overgaan van de dood in het leven, en waardoor Christus, de eeuwige zaligheid en het leven in ons woont" (Inst. HI-II-13). Bij dit belijden willen wij blijven en stemmen we zo in met art. 22 van de N.G.B.: „Wij geloven dat om de ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst. Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt. Want het moet noodzakelijk volgen of dat niet al wat tot onze zaligheid nodig zij in Christus Jezus is, of zo het alles in Hem is, dat degene die Christus Jezus door het geloof bezit in Hem zijn gehele zaligheid heeft."
En om met de stem van de Schrift te besluiten, zo zien wij dat het evangelie het voorwerp is van het geloof, want er staat geschreven: ekeert u en gelooft het evangelie (Mark. 1 : 15).
Deze Christus is de inhoud van de prediking en is het door Deze Christus dat een iegelijk die gelooft gerechtvaardigd wordt (Hand. 13 : 39). Joden en Grieken worden opgeroepen tot het geloof in jezus Christus waar zelfs Paulus tegenover Felix niet van zwijgt. Daarom kan ook Christus Zelf het feit dat Hij van de Vader is uitgegaan en van de Vader gezonden is als een van de wezenlijke trekken tekenen, die de inhoud van het geloof bepalen. Want het gaat er om dat de wereld gelove dat Christus door de Vader is gezonden. De ontmythologisering van de heilsfeiten heeft de Kerk veel schade berokkend. De eliminering, het uitschakelen van de heilsfeiten in de prediking des geloofs ondergraaft het fundament waarop het geloof slechts rusten kan. Aan de ene kant houden we niet anders dan menselijke activisme over. Aan de andere kant komen we in het zweverige mysticisme terecht en in beide gevallen is het geloof in de Schriften verdwenen. „Het geloof bevindt alles waarachtig, wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, schuld en smet, zonde en genade, bedreiging en vertroosting, gerechtigheid en goedertierenheid en leer daar Amen op zeggen tot eigen beschaming en tot Gods eer" (Ds. C. v. d. Wal).
K.a.Z.
H. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1980
Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1980
Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's