Bekijk het origineel

De Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Nederlandse Geloofsbelijdenis

10 minuten leestijd

ARTIKEL XXI

(41)

(41)

De voldoening van Christus voor onze zonden

„Wij geloven, dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is...". Met deze belijdenis zijn we gekomen tot in het binnenste van het Evangelie, tot in het heilige der heiligen. We hoorden in het vorige artikel, dat God de Vader Zijn Zoon gezonden heeft in deze wereld, we zullen hierna horen van God de Heilige Geest, Die in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, en tussen deze beide momenten van de Vader en de Geest horen we nu, dat de straf, die ons de vrede aanbrengt op de Zoon van God was. Wanneer we aldus gesteld zijn voor het aangezicht van de Vader, Zoon en Heilige Geest, is het nu met recht: de Zoon in het midden!

Daarbij wordt alle aandacht van onszelf af en op Hem alleen gericht. Wanneer wij onder meer vernemen, dat Hij Zichzelf in onze naam voor Zijn Vader gesteld heeft, dan houdt dit in, dat wij zó niet voor de Vader staan, en ook niet kunnen staan zoals Hij gedaan heeft. Deze plaatsvervanging houdt in: , , Ik voor u, " en dat betekent ons waarachtig behoud. Buiten het eigenlijke werk van Christus als het Lam van God staan wij, en daarmee wachten wij zoals buiten op het terugkomen van de hogepriester vanuit het heilige der heiligen. Zo wachten wij in het horen van het Evangelie tot wij Christus als het Lam van God zien verschijnen. Wanneer in het volgende artikel gesproken wordt van het werk van de Heilige Geest, door Wie in onze harten wordt ontstoken een oprecht geloof, dat Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, dan tekent deze Geest ons hier de gestalte van onze eeuwige Hogepriester, Jezus Christus.

De hogepriester in Israël heeft twee roepingen te vervullen: hij brengt het offer en hij houdt de voorbede gaande. In artikel 26 zullen we horen van de voorbede van Christus, zodat we nu geheel ons hart mogen richten op het offer van onze Hogepriester. Wanneer wij horen van het offer van Christus, raken wij daarmee het hart van het Evangelie in het geheim der verzoening. We gaan hier niet in op de vele momenten van de geschiedenis der kerk, waarin de verzoening in Christus onderwerp van gesprek, en ook van onenigheid en twist is geweest. We volgen hier de woorden van artikel 21 op de voet: „Zie, het Lam van God, dat de zonder der wereld wegneemt..."

„Wij geloven, dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is..."

In Hem ontmoeten we de drie ambten van Israël: gezalfd is de Zoon door de Vader tot profeet, priester en koning. Gezalfd is Hij tot onze hoogste Profeet, er zijn ook lagere profeten geweest, die ons het Woord van de Vader hebben doorgegeven. Tot onze eeuwige Koning is Hij gezalfd: er zijn ook tijdelijke koningen geweest, die de glans van Christus' eeuwig koningschap gedragen hebben. Tot onze enige Hogepriester is Hij gezalfd: er zijn wel de vele priesters geweest, maar wanneer het gaat om hèt offer aan God, het éne, volkomen offer, kennen wij slechts één Hogepriester, namelijk Hij, Die het offer brengt van Zijn eigen leven.

Hoe is Jezus Christus een enig en eeuwig Hogepriester? Hij is het met ede, naar de ordening van Melchizedck. Hij is het niet

naar de orde van Levi, de stam, waaruit de priesters voortkwmen, maar naar de orde van Melchizedek, de priester-koning van Salem, die wondere verschijning in het leven van Abraham. Zo horen we weerklinken in Psalm 110: , .De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijl Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek", en in de Hebreeënbrief wordt uitvoerig omschreven waarom Christus hogepriester is niet naar de orde van Levi, maar naar de orde van Melchizedek, de koning van de gerechtigheid, de koning van de vrede, die zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening is, die noch begin der dagen noch einde des levens heeft. Zó kennen wij Melchizedek, en zó kennen wij de Zoon van God als hogepriester, omdat Hij in eeuwigheid blijft, omdat Hij een onvergankelijk priesterschap heeft. „Niet in de vaste wettelijke orde is Christus als priester verschenen; Hij is daartoe gezet volgens een eigen, eeuwige ordening van God" (J. Koopmans). Het priesterschap van Aaron is tijdelijk, voorlopig — het priesterschap van Melchizedek draagt in zich het eeuwige, definitieve. Christus komt van buiten en van boven naar ons toe, en verschijnt, zoals Melchizedek verscheen: onverwacht, als vanuit de eeuwigheid neerdalende in onze tijd. Zo heeft God Hem met een eed gesteld: God heeft gezworen bij Zijn eigen heiligheid, dat Zijn Zoon tot Hogepriester gesteld is. Door de Vader is Hij verordend, en door de Heilige Geest is Hij gezalfd tot onze enige Hogepriester.

En zoals de Gezalfde heeft Jezus Christus Zich gesteld in onze naam voor Zijn Vader om Diens toorn te stillen met volle genoegdoening. Jezus Christus stelt Zich voor de Vader, tegenover de Vader. Dat dan het volk daarbuiten wete te zwijgen en wete te wachten! De Hogepriester gaat het heilige der heiligen binnen: Grote Verzoendag is aangebroken, en hoewel Christus Hogepriester geweest is gedurende Zijn ganse leven op aarde, en dat nu ook gebleven is, mogen we hier denken met name aan die ene dag, die de Grote Verzoendag niet alleen van Israël, maar van de gehele wereld geworden is: de dag van het offer van Golgotha.

De Hogepriester treedt het binnenste heiligdom binnen, om de toorn van God te stellen. Wat er geschiedt op de heuvel van de dood kunnen wij niet weten, daar kunnen wij letterlijk niet in-komen, maar we horen ervan uit de mond van Christus Zelf, wanneer de kruiswoorden op ons neerdalen, zoals op de wachtende schare buiten de tempel... In onze naam heeft Hij Zich voor de Vader gesteld: daar, waar wij moesten staan, en de toorn van God over ons leven moesten horen en dragen. „Ik voor u, " klinkt het uit de mond van de Hogepriester, die niet een lam met zich meevoert, maar die zelf het Lam, het offer is. De Zoon stelt Zich voor de Vader en ontmoet de Vader om Diens toorn te stillen.

De toorn van God! Wie van ons kent de sterkte van Gods toorn, naardat Hij te vrezen is? Kan dan een strohalm het vuur verdragen? Kunnen wij kennen de toorn van God tegen de zonde van het ganse mensengeslacht? Deze dragen? Ja, de toorn stillen? Zó, dat de golven gestild zijn, de storm geluwd? Zó dat er is een ogenblik in Gods toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid? Christus heeft, staande voor de Vader, Diens toorn gestild. In onze naam en in onze plaats. Gods toorn, dat moet een laaiende gloed zijn, wanneer ze ontbrandt. In het oorspronkelijke taaleigen klinkt erin door: het snuiven van de neus. Want zó begint het, wanneer eindelijk God gaat afrekenen met de zonde, met het verdraaide en verkeerde en verkromde van een mensengeslacht buiten het paradijs. Dan is er gezegd: de toorn van God, dat is zulk een menselijk spreken, dat is niet meer dan een beeld: we kunnen toch niet geloven dat Christus de toorn van God gestild heeft, zoals een verontwaardigd, beledigd mens tot kalmte bewogen wordt... Wie zo spreekt, wie zo de toorn van God uiteindelijk zou willen ontkennen, kan hij dan wel spreken van de liefde Gods? Is ook de liefde van God dan niet meer dan een beeld? God openbaart Zich als de Levende, Zich naar ons toebuigende in de ernst van Zijn toorn èn van Zijn liefde. Christus heeft de toorn van God gestild, en zo niet: wat' kan dan op Golgotha werkelijk geschied zijn tussen de Vader en de Zoon? Zo niet, wat kan er werkelijk volbracht zijn? Vanwege het offer van Christus is er in God een wending van toorn naar barmhartigheid, een stillen van de toorn met volle genoegdoening. Dit laatste wil niet zeggen, dat God „bloed wil zien, " menselijk verstaan vanuit een drang tot wraak, tot vergelding, tot voldoening van een beledigde majesteit, maar: met volle genoegdoening, ja, omdat God God is! Omdat aan Zijn heilig recht zo voldaan zou moeten zijn, dat Hij in de toorn, daar middenin, zou kunnen denken aan ontferming. Zo staat Christus voor de Vader: in God Zelf voltrekt zich een wending van toorn naar liefde. De Zoon maakt, naar het hebreeuwse taaleigen, „het aangezicht van de Vader zacht", en dit doet Hij in het offer, niet dat Hij meebrengt, maar dat Hij Zelf is!

Dit nu is de verborgenheid der verzoening, en deze verzoening, omdat ze in de Zoon gegeven wordt, gaat ze, terwijl ze gebracht wordt aan God, ook tegelijkertijd van God Zelf uit. Was het niet God Zelf, Die in Christus de wereld met Zichzelf was verzoenende? Op Golgotha geschiedt het eigenlijke van de verzoening in de wending van de toorn naar de liefde. Verzoening door voldoening. Zo staat de Zoon voor de Vader, en daar geschiedt het, in een ondoorgrondelijke verborgenheid, dat de toorn van God gestild wordt. En hetgeen wij, als de wachtende schare daarbuiten mogen vernemen, dat zijn de kruiswoorden, die als zegende handen van de Geest over ons worden uitgebreid...

„... zichzelf opofferende aan het hout des kruises en vergietende zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de profeten hadden voorzegd..."

Wanneer Christus Zichzelf opoffert, vallen hogepriester en offer in Hem samen. Het Lam van God heeft Zichzelf gelegd op de slachtbank. Hij geeft Zich — in onze naam — aan de Vader. Hier is hèt offer gegeven. Wat is dat toch, een offer? Het is in Israël het geheim van het leven zelf, het leven in het bloed, het leven aan God gegeven, het leven, dat geheel zal zijn voor Hem en onze naaste. Aan God komt het leven toe, dat Hij schonk. Zo wordt het bloed van Christus vergoten, en het leven, dat daaruit wegvloeit, is geheel gegeven aan de Vader. Voor het eerst na het paradijs — en het is ook tegelijk de laatste keer — wordt het reine mensenleven gegeven aan God de Vader: onbestraffelijk en onbevlekt is dit Lam. Tegelijkertijd — in onze plaats — draagt dit Lam de zonde der wereld en neemt die weg. Hij neemt ze met Zich mee in 't vuur van Golgotha. Hij heeft ze niet van Zich geschud, zoals wij allen zouden doen. We zeggen immers dikwijls letterlijk, dat we niet de hele wereld op onze schouders kunnen. Dat heeft Christus gedaan: de gehele wereld op Zich genomen, de last, de zondelast van het mensengeslacht, en zó heeft Hij Zich voor de Vader gesteld. Hij, Die geen zonde gekend had, werd geheel tot zonde gemaakt. De Vader ziet bijeen op deze ene dag en deze ene heuvel buiten de heilige stad de zonde van een gehele mensenwereld buiten het paradijs. Dan rekent Hij met de zonde af! Eens en voorgoed! De Hogepriester geeft Zijn bloed en draagt de toorn. Hij geeft Zijn leven, en daarna geeft Hij, wanneer het offer gebracht is. Zijn geest in bewaring bij de Vader, tot de morgen van een geheel nieuwe dag!

Er is veel in het Evangelie aangaande Christus als Profeet en als Koning, dat we mogen verstaan, maar Christus als Hogepriester: dan staat de Zoon geheel gekeerd naar de Vader. Van dit offer weten we niet, dan in het schuilen onder de zegenende, en doorboorde handen van het Lam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1981

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1981

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken