Bekijk het origineel

Wat nut ons de hemelvaart van Christus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wat nut ons de hemelvaart van Christus

12 minuten leestijd

Rondom het heilsfeit van de Hemelvaart van Christus is het van belang om enigzins aandacht te schenken aan het hogepriesterschap van onze Heere Jezus Christus. Over dit hogepriesterschap van Christus wordt in de Schrift uitvoerig gesproken. De Schriften zijn het immers, die van Jezus getuigen. Laat ik eerst een paar hoofdlijnen in de Schrift aangeven.

a) heel de Oud-Testamentische bedeling met de uitvoerige dienst van de offeranden, de reinigingen en de gebeden zijn een duidelijke heenwijzing naar de enige Hogepriester onzer belijdenis. Enig betekent hier dat er uiteindelijk maar één Hogepriester is, maar vooral dat Hij enig is in de zin van uniek. Hij heeft zoveel uitnemender bediening gekregen, aangezien Hij ook Middelaar is van een beter verbond, waarvan Hij Borg is geworden (Hebr. 7 : 22 en 8 : 6).

b) De tweede lijn vinden we bij de profeten, die door de Geest getuigd hebben van het lijden dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende (1 Petr. 1 : 11). Niet alleen is Christus als Hogepriester zelf uniek, maar ook Zijn offer. De schrijver van de Hebreeënbrief trekt de volgende vergelijking: n een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende en dezelfde slachtofferen dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods (Hebr. 10 : 11-12). Tot zover de gegevens uit het Oude Testament.

c) In het Nieuwe Testament laten ons de Evangeliën de werkelijkheid van de Hogepriester en Zijn offer zien; getuigen de brieven van Paulus van Christus Jezus en die gekruist, en is de Hebreeënbrief vol van de persoon en de dienst van de enige Hogepriester.

In de reformatorische formulieren en belijdenisgeschriften staat de belijdenis van het Hogepriesterschap van Christus zeer centraal en vooral onze Nederlandse Geloofsbelijdenis schenkt er uitgebreid aandacht aan. Te denken valt aan Artikel 20: „God heeft Zijn rechtvaardigheid bewezen in Christus, die de straf der zonde gedragen heeft door Zijn zeer bitter lijden en sterven".

Artikel 21: „Christus heeft als Hogepriester met volle genoegdoening de toorn van God gestild, door Zichzelf op te offeren aan het kruis".

Tenslotte Artikel 26 waar het aspect van de voorbidding van Christus bij de Vader en de vrucht daarvan volle aandacht krijgt.

Christus de Hogepriester

„Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is, met ede, naar de ordening van Melchizédek, en Zichzelven in onze naam voor de Vader gesteld heeft, om Zijn toorn te stillen met volle genoegdoening, zichzelf opofferend aan het hout des kruises, en vergietende Zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden." (Art. 21 N.G.B.). Met deze volzin is de rijke inhoud van het priesterlijk ambt van Christus, de kern van het Evangelie kort en kernachtig verwoord. De N.G.B. legt nadruk op het eeuwige hogepriesterschap en vr. en antw. 31 van de Heidelberger Catechismus noemt Hem de enige Hogepriester, „die ons met de enige offerande van Zijn lichaam verlost heeft, en met Zijn voorbidding voor ons steeds tussentreedt bij de Vader".

Enig en eeuwig moeten we beide in het oog houden. Van geen enkele priester onder het Oude Verbond kon gezegd worden dat hij eeuwig was. Zij stierven altijd weer. Zij werden door de dood verhinderd om altijd te blijven. Maar Deze omdat Hij in eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk priesterschap. (Hebr. 7 : 23, 24).

Van geen enkele priester kon gezegd worden dat hij enig was, er waren er altijd meer. Natuurlijk staat dit hogepriesterlijk ambt van Christus nooit los van Zijn profetisch en koninklijk ambt. In 't kort gezegd (zonder er dieper op in te gaan). Als Profeet roept

en onderwijst Hij de zondaar. Als Hogepriester verlost en bewaart Hij door Zijn voorbede de zondaar. Als Koning regeert Hij de zondaar om hem bij de verworven verlossing te beschutten en te behouden.

Van het hogepriesterlijk ambt van Christus kan bovendien gezegd worden dat dit Zijn meest aangevochten ambt is. Tijdens Zijn omwandeling op aarde, wilde men Hem soms nog wel als profeet erkennen, zelfs bij bepaalde gelegenheden als Koning uitroepen. Zodra Hij echter Zijn hogepriesterlijk ambt naar voren schuift en op Zijn offer wijst, en dat Hij Zijn vlees en bloed zal geven voor het leven der wereld, w r ijs, t men Hem af. Men keert zich van Hem af met het woord: eze rede is hard, wie kan dezelve horen? (Joh. 6 : 60). De één voor de ander begreep er niets van dat Hij Zijn leven moest geven op het kruis. Zelfs Zijn eigen discipelen zijn van een zeker verzet hiertegen niet vrij te pleiten. Wanneer Jezus Zijn lijden, sterven en opstanding aankondigt springt Petrus, die maar met een half oor geluisterd heeft, naar voren met zijn: Heere wees u genadig, dat zal u geenszins geschieden" (Matth. 16 : 22).

Aan de Emmaüsgangers vraagt Christus na Zijn opstanding: ist gij niet dat de Christus deze dingen moest lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? (Lukas 24 : 26).

Zo is het doorgegaan. Paulus schrijft dat de gekruiste Christus de Joden een ergernis is en de Grieken een dwaasheid (1 Korinthe 1 : 23). Echter hun die geloven is Hij beide de kracht Gods en de wijsheid Gods. In de kerkelijke strijd leert ons haar geschiedenis dat er door de eeuwen heen steeds protest is aangetekend tegen de leer van de verzoening door voldoening. Men ging of gaat daarbij uit van de liefde van God. Als God liefde is, zo redeneert men, dan heeft Hij het offer van Christus niet nodig om aan Zijn heilig recht te voldoen. Ook in onze tijd legt men overdreven nadruk op Christus als profeet, Christus als koning, Christus als solidair met mensen, als partijganger van armen, waarbij het hogepriesterlijk ambt van zijn centrale plaats in de heilsverkondiging verdrongen wordt en de verzoening uit de prediking wordt geëlimineerd. Samengevat: en achtte en acht de gedachte dat Christus aan Gods recht moest voldoen in strijd met de liefde van God.

Wat is dat voor een liefde die bloed wil zien en nog wel het bloed van zijn eigen Zoon? Dat evenwel het recht van God allerminst in strijd is met, of ook maar enigszins met Zijn liefde in tegenspraak zou zijn zegt artikel 20 (N.G.B.) op onnavolgbare schone wijze: „Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons Zijn Zoon gevende in de dood, door een zeer volkomen liefde, en Hem opwekkende tot onze rechtvaardigmaking, opdat wij door Hem hebben zouden de onsterfelijkheid en het eeuwige leven, (cursivering H.V.).

Duidelijk zien wij dat de liefdevolle en barmhartige God tegelijk de rechtvaardige en heilige God is, die het recht niet kan breken, en op de overtreding Zijn rechtvaardige straf moet laten volgen. Het verzet tegen wat men in de 19e eeuw T smadelijk „de bloedtheologie" noemde, is in onze dagen weer duidelijk te merken. Als profeet wil men Christus nog wel accepteren. Erkennen dat wat Hij de wereld leert door woord en voorbeeld van uitzonderlijke betekenis is. Tot op zekere hoogte aanvaardt men ook Zijn koningschap nog wel, wiens heerschappij wij dan tot gelding moeten brengen in de omverwerping van verkeerde structuren in de samenleving. Maar zulk een Christus is op die manier van Zijn wezenlijke betekenis beroofd; is wederom gekruisigd en openlijk te schande gemaakt omdat de leer van de verzoening door voldoening, waar Gods kerk haar enige troost in vindt, radicaal van de hand gewezen wordt en Christus als de enige Hogepriester is uitgeworpen. Als Christus zijn eigen discipel Petrus in zijn verzet tegen het kruis en de opstanding een „satan" noemt, dan moge een ieder zich wel dubbel en dwars bedenken die de drie ambten van Christus zo onheilsvol uiteenscheurt.

Naar het getuigenis der Schrift lopen de lijnen van het hogepriesterschap van Christus samen in het enige offer voor ons aan het kruis volbracht.

De priesterlijke dienst onder de oude bedeling stond in het teken van: n zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. (Hebr. 9 : 22). Offeren was de eerste taak die op de priesterlijke schouders rustte en die jaarlijks haar hoogte-en dieptepunt kreeg in het offer op de grote Verzoendag. Hiertoe is ook Christus geroepen geweest door de Vader. Hij steekt daarin ook boven alle andere priesters uit.

In de Hebreeënbrief wordt driemaal Ps. 110 geciteerd (5 : 6, 20 en 7 : 21). De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: ij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek. Telkens komt hier en daar de vraag boven wat betekent dit nu. Van deze Melchizédek, die leefde in de tijd van Abraham en die Abraham zegende toen hij hem, na het verslaan van de koningen onder leiding van Kedor-Laomer, met brood en wijn tegemoet kwam dat hij (Melchizédek) koning van Salem was {= het latere Jeruzalem) en priester van de allerhoogste God. Hij w 7 as de man zegt Calvijn die in een gebied vervuld met zoveel bijgeloof en verderfelijke boosheden, de dienst van God zuiver onderhield".

Verder wordt hij aangemerkt als te zijn zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen,

noch einde des levens hebbende. (Hebr. 7 : 1-3). Dat wil zeggen dat volgens Calvijn de Heilige Geest met opzet zijn afkomst, geslacht en dood heeft verzwegen „en zo vertoont hij ons als in een schilderij dat er einde noch begin in Christus is". Maar de Zoon des mensen gelijk geworden zijnde blijft hij priester in der eeuwigheid. (Hebr. 7:3).

In Melchizédek wordt dus het enig en eeuwig priesterschap van Christus voorafgeschaduwd. Christus is als Hogepriester onvergankelijk en onveranderlijk.

Bloed van stieren en bokken kon de zonde niet wegnemen, dat heeft Christus wel en wel eens en voor goed gedaan op Golgotha. Zo is Christus Middelaar van een zoveel beter verbond als het oude, van het nieuwe verbond dus, waarvan de kern is: Want Ik zal hun ongerechtigheid genadig zijn en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins gedenken. Christus heeft het éne, enige en eeuwig geldende offer van Zijn leven gebracht, waar de Vader in voldaan js en de verlossing van Zijn gemeente voor eeuwig in verankerd ligt. Samenvattende mogen we zeggen dat het unieke van Christus' hogepriesterschap is dat Hij één Priester èn Offer, Offeraar en Offerande in één is.

Als Hogepriester offert Christus Zichzelf, brengt Hij alle voorgaande offers die gebracht werden onder de Aaronietische priesterdienst tot gelding, en schaft ze tegelijk af. Daarom scheurt bij Zijn sterven het voorhangsel van de tempel van boven naar beneden en baant Hij de verse'en levende weg tot God voor allen die in Hem geloven.

De plaatsvervangende Hogepriester

De Nederlandse Geloofsbelijdenis vervolgt: „en zichzelf in onze naam voor de Vader gesteld heeft"... In onze naam dat is in onze plaats. Waartoe? „Om de toorn van de Vader te stillen, met volle genoegdoening zichzelf opofferende aan het hout des kruises, en vergietende Zijn dierbaar bloed voor onze zonden". Iedere hogepriester werd oudtijds gesteld in de dingen die bij God te doen waren. En er was heel wat bij God te doen. De toorn van God moest gestild worden, de ongerechtigheden moesten weggenomen worden, een eeuwige gerechtigheid moest aangebracht worden. Daartoe heeft God plaatsvervangend lijden en sterven nodig gekeurd. Daartoe heeft Christus zich in de dood gegeven. Heel Zijn leven is geweest zich schikken tot het kruis, en was doortrokken van het woord: Zie Ik kom om Uw welbehagen te doen o God, Hij heeft zich tenslotte laten binden onder het oordeel en wel in onze , plaats. De belijdenis verzint dat niet maar peurt het uit de Schrift.

De profeten hebben het voorzegd. Want er is geschreven (Jesaja 53 : 5, 7, 12), „dat de straf die ons de vrede aanbrengt op de Zoon Gods was, en dat door Zijn striemen ons genezing is geworden; Hij ter slachting geleid is als een lam; met de misdadigen is gerekend"; en als een kwaaddoener veroordeeld door Pontius Pilatus, hoewel hij Hem onschuldig verklaard had." Zo heeft Hij dan wedergegeven wat Hij niet geroofd had, en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen"; (Ps. 69 : 5, 1 Petr. 3 : 18) en dat zowel in Zijn lichaam als in Zijn ziel, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zonden hadden, zodat Zijn zweet werd gelijk druppelen bloeds, op de aarde aflopende; Hij heeft geroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? " Matth. 27 : 46, en heeft zulks geleden tot vergeving onzer zonden. Daarom zeggen wij wel terecht met Paulus 1 Kor. 2 : 2 en Filipp. 3 : 18 „dat wij niet anders weten dan Christus en Dien gekruisigd."

Aan wie wordt dus deze genoegdoening gegeven? Aan God zelf, aan de volstrekt Heilige en smetteloos Rechtvaardige God. En door wie wordt zij gegeven? Door God zelf, die in Christus de wereld met zichzelf verzoenende was en Hem voor ons tot zonde gemaakt heeft, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. Zo gaat Christus in onze plaats staan. Hogepriester in de vernedering, in de schuld van ons mensen, in de schande, smaad en vloek van het kruis, in de diepte van onze verlorenheid, in de hel van godverlatenheid. Daarom is Hij de medelijdende Hogepriester in de meest omvattende betekenis van het woord. Tevens de barmhartige Hogepriester en de getrouwe Hogepriester die het nooit af heeft laten weten, zelfs niet waar mijn schuld Zijn bloed, Zijn leven en Zijn dood heeft gekost. Gij zijt duur gekocht.

W.

H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1985

Gereformeerd Weekblad | 13 Pagina's

Wat nut ons de hemelvaart van Christus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1985

Gereformeerd Weekblad | 13 Pagina's

PDF Bekijken