Bekijk het origineel

HULP VAN GOD

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HULP VAN GOD

13 minuten leestijd

Scimuël nu nam een steen en stelde die tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde de naam ervan Eben-Haëzer; en hij zeide: ot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen. 1 Samuël 7 : 12.

De weg tot die hulp

De HEERE is met de ark bij Zijn volk terug. Dat betekent, niet dat Zijn volk nu ook zomaar bij Hem terug is. De ark is in Kirjath-Jearim neergezet en het volk zet zijn oude leven voort. Het leven in de dienst van de afgoden. Zo verstrijkt er wel een periode van twintig jaar. Wat kan een mens het lang uithouden tegen God!

Tenslotte komt er toch verandering. De nood brengt op de knieën. Het volk klaagt de HEERE achterna. Dat is niet maar even je nood klagen en dan weer verder gaan. Neen, het is bij Hern aanhouden met bidden en smeken. HEERE, wij kunnen zo niet verder. HEERE, gedenk toch; HEERE, help toch. Laten we zo de nood van ons leven de HEERE telkens weer voorleggen. En niet aflaten, maar volhouden zoals de weduwe bij de onrechtvaardige rechter. De HEERE is niet een onrechtvaardige rechter, maar een barmhartig en genadig God.

Dat blijkt hier wel duidelijk uit het woord van Samuël. Hij hoeft niet te zeggen dat het volk niet meer hoeft te rekenen op de hulp van de HEERE. Dat ze het twintig jaar tegen de HEERE hebben uitgehouden en dat ze het dan nu ook maar zelf moeten uitzoeken. Als ze iets verdiend hebben, dan is het dat. Maar het volk wordt in hun klacht niet afgewezen. De HEERE zal helpen. Alleen wel in een rechte weg.

Samuël mag tegen het volk zeggen dat de HEERE ze uit de hand van de Filistijnen wil rukken, maar dan moeten ze zich tot de HEERE bekeren met hun ganse hart. Dan moet het hen er niet alleen maar om te doen zijn van de Filistijnen af te komen, maar om God Zelf. Uiterlijk vertoon is best, maar de HEERE wil hun hart. En dat ze met hun hart de HEERE willen dienen, kunnen ze laten blijken door de vreemde goden weg te doen.

Als u ook om Gods hulp verlegen zit, is dat een goed ding. Maar u moet wel uw hart onderzoeken. Gaat het ons werkelijk om God alleen? Anders is er geen zegen te verwachten,

Samuël zegt tegen ons allen: Richt uw hart tot de HEERE. En dat woord wordt door het volk aangenomen. Het staat er zo eenvoudig en direkt: De kinderen Israëls, nu deden de Baals en de Astaroths weg en zij dienden de HEERE alleen.

Ze komen niet aan met allerlei vijven en zessen. Ze redeneren niet en protesteren niet. Ze zeggen niet: Ja, maar dat is ook wat, dan zullen wij ons de toorn van de goden van dit land op de hals halen. Ze zeggen niet: Dat kan zo maar niet, dat zal ons gegeven moeten worden. En daar komt het nu maar op aan, dat wij doen wat de HEERE zegt. Zijn al die „ja-maars" er vaak niet voor om met een vroom woord op de oude voet te kunnen doorgaan. U mag nog heden terugkeren tot de HEERE uw God. U mag nog heden de afgoden wegdoen.

Samuël roept dan het volk samen bij Mizpa voor een boete-en bededag. Het volk moet daar de HEERE zijn zonden belijden, hij zal dan tot God bidden voor het volk.

Zo gebeurt het. Het is een indrukwekkende samenkomst geworden daar in Mizpa. Vanwege de ernst. In boete en berouw is men samen. Er wordt water geput om uitgegoten te worden voor de HEERE als beeld van de klacht van hun hart die zij uitstorten voor God. Er wordt ook gevast. Het ene thema dat telkens weer opklinkt uit alle gebeden die er gedaan zijn en klaagzangen die er gezongen zijn, was: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd. Ze zijn begonnen met de Filistijnen, ze komen bij hun zonden uit. Ze beseften het: De hand des HEEREN was niet verkort dat zij niet kunnen helpen, maar onze ongerechtigheden, die maken een scheiding tussen ons en onze God.

Het is een goed ding, als de nood ons op de knieën brengt, maar het is een nog veel beter ding als de nood ons bij onze zonde brengt. En dit het thema wordt van onze klacht: Ik heb tegen de HEERE gezondigd.

Het wonder van die hulp

Op diezelfde dag trekken de vorsten der Filistijnen op tegen het volk. Ze hebben gehoord dat het volk is samengekomen en vrezen opstand. Je zou zeggen: Wat een dwaasheid. Wat kunnen ze toch wel te duchten hebben van zo'n handjevol ongewapende Israëlieten. Een merkwaardige angst.

Als die kerk van Christus dan werkelijk zo onbetekenend is, als dat werkelijk zo weinig om het lijf heeft, waarom dan toch altijd maar weer die vijandschap? Dan kon de wereld de kerk toch ook wel doodzwijgen? Voelt die wereld soms diep verborgen aan dat de kerk haar bestaan bedreigt en dat ze tenslotte het onderspit zal moeten delven? En merkt u tegelijk hoe er altijd wat op af komt? Als een mens, als een volk zich werkelijk tot de HEERE bekeert, moet er maar op vijandschap gerekend worden.

De Israëlieten worden overvallen onder kerktijd, zouden we kunnen zeggen. Terwijl ze daar in Mizpa rouwend bijeen zijn, trekken de Filistijnen op. Ze hebben geen kans om naar huis te gaan en hun nog overgebleven wapens te halen. Ze zijn weerloos aan de Filistijnen overgeleverd. Een grote vrees maakt zich dan ook van het volk meester. Nu zullen ze hier allen gedood worden. Nu blijft er van Israël niets meer over. In deze nood is er nog maar Eén die helpen kan. Er is nog maar één. wapen over. Het wapen van het gebed. Laat Samuël toch voor hen bidden tot de HEERE hun God.

Wat zijn ze veranderd! Bij Afek hadden ze de ark in het leger gedragen. Ze meenden te kunnen rekenen op Gods hulp. Nu zijn ze alle vanzelfsprekendheden kwijt. Ze hebben immers gezondigd. En hoe zou de HEE-RE nog naar hen kunnen omzien. En toch, ze moeten bij Hem zijn. Hij is de Enige die helpen kan en zo vragen ze Samuël om te bidden. Hij is de middelaar. Hij moet voor hen intreden. Hij moet voor hen pleiten. Hij moet vragen of God hen ondanks alles verlossen wil uit de der Filistijnen hand.

Toch doet Samuël dat niet zo maar. Neen, er wordt eerst een lam geslacht ten brandoffer. Een jong lam, een lam dat nog de moedermelk drinkt. Een heilig en onnozel lam. Er is immers gezondigd en er moet verzoening geschieden wil Samuël naderen voor het aangezicht des HEEREN, wil hij voorbidder en priester zijn,

Wij mogen tegen elkaar zeggen: Meer dan Samuël is hier. Jezus Christus. De Mid-

delaar Gods en der mensen. De Hogepriester van onze belijdenis, die altijd leeft om voor Zijn volk te bidden. Die Zichzelf heeft gegeven tot een verzoening van al onze zonden. Die waarlijk het heilig en onnozel Lam van God is. Het volkomen Lam van God. Hij heeft een volkomen verzoening teweeggebracht.

Wij kunnen niet beter doen dan naar Hem toegaan. In wie het klaagt met een altijd durende klacht: Ik heb gezondigd. Ik kom altijd maar weer tekort, hoe zou God de HEERE, de Heilige, met mij nog van doen willen hebben. Wat moet ik beginnen in de nood van mijn leven? Wat moet ik bovenal beginnen tegen die vijand in wiens macht ik ben en blijf? Straks sleept hij me mee naar het eeuwig verderf. U kunt niet beter doen dan naar Jezus gaan. Hij nodigt uzelf: Komt allen tot Mij vermoeiden en belasten. Ik geef u rust. Hij wil de Vader voor u bidden. Wat. u vraagt in Zijn Naam dat zal de HEERE ook geven.

Later zal de HEERE tegen Jeremia zeggen dat hij maar niet meer bidden moet voor het volk. Want al stonden Mozes en Samuël voor Zijn Aangezicht, Hij zou toch niet horen. Ook de voorbede van Samuël had haar grens.. In Jeremia's dagen zou ook zijn gebed niet meer baten.

Jezus' voorbede heeft geen grens omdat de waarde van Zijn bloed geen grens heeft. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Bij wijze van spreken: Tegen Zijn voorbede kan God niet op, wil God niet eens op!

U kunt zomaar niet naar God gaan. Lloe zou een onheilig mens zomaar staan voor de heilige God. Er is verzoening nodig. U kunt wel en u mag wel naar Jezus gaan. Bij Hem is verzoening van al onze zonden. In Hem vindt u een genadig God en Vader. Bij Hem komt u nooit beschaamd uit.

Israël ook niet! Terwijl Samuël offert vallen dc Filistijnen aan. Maar de HEERE ook. Een geweldig onweer barst los. Tegen dit geweld kunnen de Filistijnen niet op. De donder en de bliksem jaagt hen op dc vlucht. God jaagt hen op de vlucht. Als in de dagen van Jozua cn Debora gebruikt Hij het geweld van de natuur tegen dc vijanden van Zijn volk.

Het enige wapen dat Israël nog had, blijkt een machtig wapen, het machtigste wapen. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel! Verwachten wij er nog wat van? Van het gebed, van God? Of zijn we altijd maar weer aan het rekenen? Zetten we de omstandigheden op een rij? Tellen we op en trekken we af? Ik zeg niet dat we dat nooit moeten doen, maar vooral: nooit kan het geloof te veel verwachten. Als we zien op onszelf hoeven we er niet zoveel fiducie in te hebben. We mogen zien op God, Die in de Heere Jezus Christus onze genadige Verbondsgod wil zijn, onze Vader. En zouden we van die Vader niet veel verwachten, ja alles? Voor onszelf en voor de kerk? We kunnen wel eens vrezen. Wat zal er van de kerk overblijven? Israël vreesde ook. En toch. we mogen rust vinden in God, in Zijn genadige belofte: Ik ben de HEERE, Ik zal voor u strijden en gij zult stil zijn. En bij dat strijden van de HEERE vallen wij er zo vaak buiten. Israël kwam er hier in ieder geval niet aan te pas. De Filistijnen werden door de HEERE Zelf verslagen. Machtig en heerlijk. Israël hoefde ze alleen nog maar na te jagen. Dat deden ze dan ook. Helemaal tot aan Beth-Kar toe.

De belijdenis van die hulp

Wc zouden kunnen zeggen: Liet gaat hier over ellende, verlossing en dankbaarheid. Aan die dankbaarheid komen we soms weinig toe. We vergeten zo gemakkelijk. Het heerlijke dat God in ons leven gedaan heeft, raakt op dc achtergrond. We raken eraan gewend. Het wonderlijke gaat ervan af, we gaan het gewoon vinden. Dan is er ook niet zoveel dankbaarheid meer.

Het is alsof Samuël dat aanvoelt. Daarom richt hij in de buurt van Mizpa een gedenksteen op. Deze heerlijke uitredding mag nooit meer vergeten worden. Tot in het verre nageslacht toe moet Israël herinnerd woorden aan wat God de HEERE hier gedaan heeft. Die steen zal een getuigenis zijn. Ze zal ook een aanklacht zijn! Als ooit Israël weer de weg van de afgoden zal gaan, zal die steen tegen hen getuigen en hen terugroepen tot de dienst van God.

En zullen er ook de gedenkstenen zijn in ons kerkelijk en persoonlijk leven. Uw trouwtekst in hout gebrand aan de wand van uw huiskamer. Die doopdienst vastgelegd op de geluidsband. Die dagboeknotitie over een wonderlijke ontmoeting Gods. Dat kind, dat u als door een wonder ontving of terug ontving. Wat is het goed om zulke stenen op te richten. Opdat wij niet vergeten. We gaan immers weer zo gauw over tot de orde van de dag.

Zo zullen er ook bij ons de gedenkstenen zijn En funktioneren ze dan ook? Beluisteren we die preek nog wel eens? Ter herdenking. En hoe vaak wordt zo'n herdenking niet een aanklacht in ons leven: HEE-RE, wat heb ik ervan gemaakt? Wilt u mij genadig vergeven en mij opnieuw bekeren tot U?

Samuël richt een gedenkteken op. Hij noemt hem Eben-Haëzer. Letterlijk is dat steen der hulpe of zoals Samuël zegt: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen. Datheeft direkt te maken met dat andere Eben-Haëzer. Daarvan hebben we gelezen in 1 Samuël 4. Daar legerde Israël zich tegen de Filistijnen, Dat was het Eben-Haëzer van Gods hulp, die zij zich meenden te kunnen verzekeren door de ark in het leger te halen. Gods hulp waarop ze dachten te kunnen rekenen zonder bekering en berouw.

Hier is een ander, een nieuw Eben-LIaëzer van Gods hulp die een wonder geworden is. Gods hulp waarop een zondig volk niet meer kon rekenen en die er toch was ondanks alles. Die er toch was om de genade van God, om het verbond van God.

Wat is uw Eben-Haëzer? Het Eben-Haëzer van Hofni en Pinehas of dat van Samuël?

Samuël mag in verwondering belijden: Tot hiertoe hielp de LIEERE. Wij hebben deze uitredding niet aan onze dapperheid te danken. We hebben deze uitredding evenmin te danken aan ons berouw en onze bekering. Wie dat op z'n gedenksteen wil schrijven is een dwaas cn hoogmoedig mens. W T e kunnen op onze gedenkstenen toch alleen maar de Naam van de LIEERE schrijven. Hij heeft geholpen. Aan LIem is alles te danken. Van LIem was de kastijding der liefde, van Hem was het w ? oord van Samuël, van Hem was de inkeer en het berouw, van Hem was de voorbidding en van Hem was de wonderlijke verhoring en uitredding. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen. Zijn Naam is immers HEERE. Genadige en getrouwe God. God des ceds en des verbonds.

En nergens anders is die Naam heerlijker openbaar gekomen dan in Jezus Christus. Die Naam mag u schrijven op al uw gedenkstenen. Omdat alle hulp van God, die u ontving er was om LIem die alles vervuld heeft en alles volbracht.

Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen. Dat is tot zover. Alles wat we nu hebben, hebben we aan de HEERE te danken. Neen, dan past. ons de hoge borst niet meer. De hoge borst van hen die zeggen: Zover heb ik 't geschopt in mijn leven. Dan blijven slechts ootmoed en verwondering over. Heel de weg die wij gingen was Hij er. En dat mag tegelijkertijd verwachting geven voor de toekomst.

Die ons uit zes benauwdheden gered heeft, zal ons in de zevende niet doen omkomen.

Gedenksteen na gedenksteen zal ons pad markeren, totdat de laatste gezet wordt. Die van het lied van Mozes en van het Lam. Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.

Mijn God, U zal ik eeuwig loven, Omdat Gij 't hebt gedaan!

'k Verwacht Uw trouwe hulp van boven; Uw waarheid zal bestaan. Uw Naam is voor 't oprecht gemoed Van al Uw gunstvolk goed.

E.

Jac. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1985

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

HULP VAN GOD

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1985

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken