Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Israël en de kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Israël en de kerk

8 minuten leestijd

(2) Het ontstaan van een Hervormde Raad voor Kerk en Israël houdt verband — zoals we zagen — met de kerkelijke voortzetting van het door de bezetter verboden werk van de verenigingen voor zending onder de Joden, maar heeft ook te maken met een nieuwe bezinning op de eigen plaats van Israël in het heilshandelen van God. De doelstelling van de Raad vinden we kernachtig verwoord door de voorzitter ds. H. Dekker, die in 1.947 in de genoemde „Richtlijnen" daarover het volgende zegt:

„'De Raad voor Kerk en Israël' wil zijn arbeid aanvangen in de diepe overtuiging, dat de Kerk, met name de Hervormde Kerk ten opzichte van Israël een helaas veelszins verwaarloosde, maar niettemin zeer ernstige roeping heeft; niet slechts in deze zin, dat zij een scherp protest laat horen tegen de verkrachting van recht en barmhartigheid, waarvan Israël de gruwelijke gevolgen ondervindt, ook niet slechts in deze zin, dat zij haar kerkelijke zorgen uitstrekt over de Joden, die door geboorte, doop, belijdenis tot de Hervormde Kerk geacht kunnen worden te behoren of het onderricht der Kerk op catechese en in godsdienstoefening volgen, maar zeer speciaal in deze zin, dat zij in het volk der Joden een door God haar gewezen zendingsobject moet zien, dat moet worden teruggeleid tot zijn ware Koning Jezus Christus."

2. De plaats van Israël in het belijden van de kerk

Wanneer binnen de kerk het besef ontwaakt is, dat van een eigen plaats van Israël in het heilshandelen van God sprake is, en dat daarmee een bijzondere verhouding van Israël en de gemeente is aangegeven, dan ligt de vraag voor de hand hoe in het belijden van de kerk de unieke verhouding tot het joodse volk verwoord wordt. We zouden de vraag als volgt kunnen stellen: hoe vindt in een belijdend spreken van de kerk, waarbij met name de brief aan de Romeinen de doorgaande grondtoon vormt, de inhoud van de hoofdstukken Romeinen 9—11 een duidelijk herkenbare plaats? Wat betekent het voor het belijdend spreken van de kerk dat juist in de Romeinenbrief de worsteling van de apostel met het oog op de blijvende plaats van Israël het hart van de brief vormt?

Op deze indringende vragen is binnen de Hervormde Kerk de afgelopen halve eeuw een poging tot antwoord gezocht. We staan stil bij een tweetal aanzetten om de plaats van Israël in het kerkelijk belijden met zoveel woorden te benoemen.

Ten eerste noemen we de proeve van geloofsbelijdenis, die in 1941 illegaal werd uitgegeven door dr. J. Koopmans, dr. K. H. Miskotte en ds. K. H. Kroon, onder de titel „Wat wij wel en wat wij niet gelooven". In dit stuk, dat de vorm heeft „van belijdenis, zooals die onder den druk en de dreiging van den totaalstaat is gewekt in de harten van vele christenmenschen", wordt aansluiting gezocht bij de zogenaamde „Barmer Thesen" uit de Duitse kerkstrijd van de jaren dertig. Het christelijk geloof dient tegenover de geestelijke achtergrond van het nationaal-socialisme krachtig en helder beleden te worden. Het komt er op aan in het uur van de waarheid duidelijk te zeggen wat wij wèl en wat wij niét geloven. Zo klinkt in een twaalftal artikelen een belijdenis van de kerk, gedateerd in het jaar 1941. In verband met de visie op de plaats van het joodse volk geven we de inhoud van artikel IV in zijn geheel weer:

„Wij gelooven en belijden, dat God vanouds het volk Israël heeft uitverkoren, om Zijn openbaring te ontvangen tot op de verschijning van Jezus, de uit dit volk geboren Messias, te bewaren en in de gehoorzaamheid aan Hem in de wereld te verkondigen. Het is een daad van Gods onbegrepen vrije genade, waardoor Israël deze roeping heeft ontvangen, want op zichzelf was Israël niet beter, waardiger of geschikter dan de andere volkeren. Maar aan dit volk heeft de Heere Zijn Woord toebetrouwd, zoodat wie tot God komt, „bij Israël wordt ingelijfd". Daarom gelooven wij, dat wie zich tégen Israël stelt, zich verzet tegen den God van Israël. Want wel is Israël ongehoorzaam geweest en heeft het wonder van zijn roeping veracht, toen het den Heere der heerlijkheid gekruisigd heeft. En wel heeft God toen voor een tijd en voor een deel een verharding over Israël gelegd, maar in deze zaak tusschen God en dit volk mag niemand zich eigenmachtig en hoovaardig mengen. Allen, die niet uit Israël zijn moeten veeleer in Israël het teeken zien van de vrijmachtige goddelijke verkiezing én het teeken van de algemeen menschelijke ongehoorzaamheid. En allen, die uit Israël zijn, zullen hun bestemming vinden, als zij zich tot den Messias bekeeren; dan zal vervuld worden wat de apostel zegt: „indien de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, zóó zal geheel Israël zalig worden."

Daarom houden wij het antisemitisme voor iets veel ernstigers dan een onmenschelijke rassenideologie. Wij houden het voor een van de hardnekkigste en doodelijkste vormen van verzet tegen den heiligen en barmhartigen God, wiens Naam wij belijden."

Kenmerkend is in dit stuk, dat belijdend bedoeld was en dat na illegale verspreiding velen bemoedigd heeft, dat het verschijnsel van het antisemitisme wordt herleid tot op het afwijzen van de God van Israël. Jodenhaat is haat tegen de God van Israël. Dat klinkt krachtig en grondig door. Op 't punt van het antisemitisme is het christelijke belijden van de Naam van God van Israël rechtstreeks in het geding.

In de tweede plaats noemen we de Proeve van hernieuwd reformatorisch belijden „Fundamenten en Perspectieven van belijden" uit het jaar 3949.

In de jaren, die voorafgingen aan de invoering van een nieuwe kerkorde, was er binnen de Hervormde Kerk bij sommigen de duidelijke overtuiging gegroeid, dat er ook een vernieuwd belijden uitgesproken diende te worden. Dat laatste in verband met de tijd, het keerpunt der tijden, zoals de tweede wereldoorlog dat te zien had gegeven. Zo schreef in februari 1946 de Commissie voor de kerkorde aan de generale synode onder meer dat de gedachte gerijpt was „om te geraken tot een nieuw, kort, en eenvoudig leerboek, waarin de geloofsvragen van deze tijd uit Schrift en belijdenis een klaar en positief antwoord ontvangen". Het bedoelde leerboek verscheen in 1949 als een „proeve van hernieuwd reformatorisch belijden". In verband met ons onderwerp letten we op de passages, die betrekking hebben op de verhouding van de kerk en het joodse volk. Het is voor het eerst, dat in een belijdend geschrift met zoveel woorden gezegd wordt, dat er van een blijvende verhouding tussen Israël en de kerk sprake is.

Om een goed zicht te krijgen op datgene, wat aangaande Israël verwoord wordt, citeren we om te beginnen uit het woord „Ter inleiding" een fragment, waarin het uitgangspunt van „Fundamenten en Perspectieven" nader aangegeven wordt:

„Welbewust hebben wij in de prediking van het Koninkrijk Gods het uitgangspunt van dit leerboek gezocht. De centrale plaats die het Koninkrijk in het Oude en Nieuwe Testament inneemt, ook waar het woord

niet wordt gebruikt, gaf ons daartoe de vrijmoediglieid. In onze eeuw, waarin de losgeslagen mens naar gezag en gemeenschap zoekt en velerlei koningschap aan de mensen de begeerde geborgenheid belooft, hebben wij het Koninkrijk te proclameren van die God, die in zijn openbaring tot ons gekomen is en buiten wienst kennis onze eeuw geen dageraad zien zal. In onze belijdenisgeschriften treedt dit gezichtspunt sterk op de achtergrond. Wat toen voor de hand lag, zou nu verarming en ongehoorzaamheid betekenen. Reeds Da Costa wees er op, hoezeer de prediking van het Rijk van God in onze belijdenis (en ook in onze prediking en in ons geloof) ontbrak. Daarom zijn wij uitgegaan van God, de Koning, van zijn heilsdaden, van zijn Koninkrijk, dat komt en dat er in Christus en door de Geest alreeds is."

Op basis van dit uitgangspunt, de prediking van het Koninkrijk Gods, komt dan tot twee maal toe Israël ter sprake. In artikel 3, dat als opschrift draagt „De verkiezing van Israël", wordt beleden dat God, ondanks de zonde van de mens, vasthoudt aan zijn Koningschap. En daarom, zo volgt er dan, „heeft Hij te midden der van Hem vervreemde volkeren zich in Israël een volk uitverkoren en geroepen, opdat het Hem een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zou zijn en zou ervaren, dat in het leven uit Gods koninklijke gunst en wet het heil en de vrede der mensen gelegen is. Zo heeft God in Israëls wetgeving, offerdienst en koningschap een profetie geschonken van zijn komende Rijk, van zijn bedoeling met de ganse aarde". Nadat dit in bijbels licht gezegd is, volgt dan een donker woord over Israël, dat keer op keer te schande is geworden onder Gods oordelen. En zo is het uitverkoren volk, dat ook in zijn ongeloof Gods plan moest dienen, gesteld „als een spiegel, waarin wij onszelf aanschouwen, als een teken van de onwil en onmacht aller mensen om uit Gods gezag en genade te leven". In de toelichting bij deze woorden wordt gezegd, dat in artikel 3 de grondlijnen van het Oude Testament worden getroUcen, als handleiding voor ons lezen van deze eerste helft van de Bijbel. En de samenvatting is niet onduidelijk: „in het O.T. blijkt wie de mens, ieder mens, in zichzelf is, een rebel tegen God".

Ontdekkende woorden — voor welke oren bestemd.?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1987

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Israël en de kerk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1987

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken