Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Israël en de kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Israël en de kerk

8 minuten leestijd

(6) 5. Theologie na Auschwitz

We hoorden dat Kohlbrugge ons op het spoor wilde zetten van de inwoners van Beréa. Over hen wordt in Handelingen 17 gemeld, dat zij de Schriften onderzochten. En dat deden ze dagelijks, om namelijk te ontdekken of „deze dingen alzo waren". Deze dingen namelijk, die ze van Paulus en Silas te horen kregen. Met andere woorden: ze zochten dag aan dag in de Schriften om daar de woorden terug te vinden, die ze uit de mond van de apostel vernamen. En de Schriften waren voor de Bereërs de schriften, die wij het Oude Testament noemen. Op dezelfde manier als de mensen in Beréa te werk gaan om de Christus der Schriften te ontmoeten - dat houdt Kolhbrugge in zijn de gemeente voor.

Maar — daaraan moet iets toegevoegd worden. Sinds de dagelijkse Schriftstudie van de Bereërs zijn er eeuwen verlopen. Wij leven ongeveer negentien eeuwen later. Wij leven na twee wereldoorlogen in onze eeuw.

En we leven na de grote nacht, die van 1933 tot 1945 in Europa viel over het joodse volk. De wereld — met andere woorden — ziet er voor ons wel heel anders uit dan in de eerste eeuw. De grote vraag is, of deze geschiedenis van onze dagen ook invloed heeft op ons geloof. En die vraag is ook

zeer klemmend wat betreft het jaar 1948, toen na eeuwen van ballingschap opnieuw 7 een joodse staat in het leven werd geroepen. Wat door ons voorgeslacht soms wel gehoopt werd, hebben onze ogen vandaag kunnen zien: een deel van het verstrooide volk van Israël vindt de terugkeer in het land der belofte. De vraag is klemmend: heeft dit gebeuren in onze dagen ook betekenis voor het christelijk geloof? Of voltrekt zich dat geloven zo zonder verband met de geschiedenis, dat hetgeen het joodse volk in onze eeuw is overkomen daarop hoegenaamd geen invloed uitoefent? We komen, met andere woorden, nu recht voor de vraag te staan, die de apostel in de brief aan de Romeinen aan de orde stelt: of er voor Israël na de komst van Jezus Christus nog een geschiedenis volgt, en hoe die geschiedenis dan verbonden is met die van de gemeente.

Dat we van deze vragen op zijn minst onrustig worden is te begrijpen. Dat onze theologische voorouders de vragen die het joodse volk tegen het einde van de twintigste eeuw aan de kerk stelt, niet kenden kan hen uiteraard niet verweten worden. Is het soms zo, dat we daardoor alleen al ons onrustig kunnen voelen, omdat we voor nieuwe vragen staan. Ze zijn immers nieuw in de geschiedenis. We hebben geen voorbeeld. We kunnen nergens op teruggrijpen. We staan er voor het eerst en ook alleen voor: wat betekent christelijk geloof in de tijd na Auschwitz en in de tijd na de stichting van de staat Israël?

Theologie na Auschwitz: de uitdrukking is, erg genoeg, soms al tot een kreet geworden. De diepte, die er in aanwezig is, vak niet te peilen. We proberen één vraag te laten doorklinken. En dat. is deze: wanneer we vanwege het onbeschrijfelijke, dat 't joodse volk in de grote moord van de tweede wereldoorlog overkomen is, hebben na te denken over de vraag: en waar komt de jodenhaat ten diepste vandaan? — dan is dat een vraag, die de kerk en de theologie zeker niet overslaat. Integendeel. Als christenen zijn we geroepen heel diep bij onszelf naar binnen te kijken. Ook al is het waar, dat antisemitisme van oudere datum is dan het christendom — denk aan de jodenhater Haman in het boek Esther — toch is de vraag brandend: heeft niet het christendom ook vaak zich in antisemitische daden geuit, of op zijn minst aanleiding gegeven tot gruwelijke vormen van jodenhaat?

Als iemand, die na de tweede wereldoorlog is opgegroeid, en die dus de tijd van de grote nacht over het joodse volk niet bewust heeft meegemaakt, besef ik dat het heel grote woorden zijn: christelijke vormen van jodenhaat. Ook wil ik graag de terechtwijzing van ouderen ter harte nemen, dat de opvatting dat zo ongeveer alle bladzijden van de kerkgeschiedenis wat dit betreft zwart zijn, niet alleen een historische onjuiste, maar ook gevaarlijke uitspraak is. Wie in Jeruzalem Jadwa Shem bezoekt — de plaats van de gedachtenis van de zes miljoen vermoorde joden — die wandelt langs de laan van de rechtvaardigen. En de rechtvaardigen, die hier bedoeld zijn, dat zijn de niet-joden, die vaak met inzet van hun leven zich voor het joodse volk hebben ingezet in de duistere jaren van de tweede wereldoorlog. En zoals mij tijdens een lezing te verstaan werd gegeven: een echt christen kan geen antisemiet zijn... Dit gezegd hebbend, blijft er — toch — de vraag: of Auschwitz mede mogelijk is geweest doordat christelijke theologen de nazi's instrumenten hebben aangereikt, waarmee ze hun moordwapens konden smeden. We kunnen en mogen deze vraag niet ontwijken. Omdat het nooit weer mag gebeuren.

In de Hervormde Kerk is in 1959, in de studie „Israël en de kerk", de vraag naar het anti-semitisme aan de orde gesteld. We geven de hoofdlijn van de daar verwoorde gedachten weer.

De term anti-semitisme, als uitdrukking voor haat tegen de joden, is aanvechtbaar, omdat de naam Semieten niet alleen op Joden betrekking heeft, maar ook op Arabieren. Maar de term is nu eenmaal ingeburgerd als aanduiding voor jodenhaat. Deze afkeer van het joodse volk is, zoals gezegd, ouder dan het christendom. Daarom is er wel gezegd, dat anti-semitisme te maken heeft met een verborgen, maar zeer hardnekkig heidendom. Theologen hebben het anti-semitisme wel verklaard als „het innerlijk verzet van de heidense mens tegen de God van Israël en zijn Messias". Wanneer dus een christen zich anti-semitisch uit, dan toont hij dat zijn „christendom" maar een heel oppervlakkig vernisje is: het brute heidendom steekt er dwars doorheen. Verzet tegen de God van Israël: omdat de goden van huis uit tóch weer om hun rechten hebben geroepen. Hebben we dat ooit verwerkt — ook wij — dat op een dag onze voorouders de hun vertrouwde goden in de steek hebben moeten laten, vanwege de bekering, de omkeer naar het licht van de God van Israël in dc openbaring van Zijn Naam? Deze bekering duurt een mensenleven lang, duurt ook generaties lang: wanneer is ze werkelijk voltooid? En dat blijvend, soms sluimerende, verzet tegen de God van Israël vindt zijn uitweg in een bruut verzet tegen het volk van de God van Israël. Wie is helemaal vrij van zulk sluimerend anti-semitisme?

En dan volgt er in de studie „Israël en de kerk" een aanwijzing voor de gemeente, die intussen aan actuele betekenis alleen maar heeft gewonnen. We laten een uitvoerig citaat volgen, omdat de inhoud voor vandaag zozeer aan de orde nog is: „Wie het volk Israël verwerpt moet eindigen met tenslotte Christus zelf te verwerpen. Omgekeerd zal iemand die de Heere Jezus van harte liefheeft, onmogelijk het joodse volk kunnen haten. Dit houdt een waarschuwing in voor alle predikers van het Evangelie en vooral voor allen, die in huis, op school of zondagsschool aan kinderen het verhaal van het lijden van Jezus hebben door te geven. Met name kinderen die nog zo vatbaar zijn voor indrukken en van nature partij kiezen voor de verdrukte tegen de verdrukker, kunnen van haat tegen de Joden vervuld worden tengevolge van een onvoorzichtige of tendentieuze wijze, waarop hun de lijdensgeschiedenis van Jezus wordt verteld. Dit kan hun hele verdere leven stempelen. Vele christenen hebben op deze manier — dikwijls geheel onbedoeld — antisemitisme gekweekt. Dit kwaad is zo demonisch van aard, dat er nooit genoeg tegen gewaarschuwd kan worden. Antisemitisme is zonde tegen God. Het meest beschamend is voor ons, dat de kerk mede een rol gespeeld heeft in dit antisemitisme, al was het alleen maar door nalatigheid in de bestrijding ervan".

Nalatigheid in de bestrijding van de jodenhaat. Alleen dat al: wie gaat vrijuit? Een heel concreet voorbeeld wordt ons voor ogen gesteld. Hoe is aan ons als kind de lijdensgeschiedenis van Jezus doorverteld? Werd de tekening zo in contrast van zwart en wit ons voorgehouden, dat heel diep in ons een vlammetje van verontwaardiging begon te flakkeren: dat Hem dit is aangedaan door Zijn volk...? Nog kunnen we de verhalen horen uit de mond van joden, die in hun jeugd gedurende de lijdensweken doodsbang waren, omdat ze op straat werden achternagezeten door christen jongens, die hen toeriepen: Jullie hebben Jezus gekruisigd, jullie zijn Godsmoordenaars. Wat is dat toch voor christendom, zo moeten we ons afvragen, dat zulke uit het gegeven verband losgerukte woorden het joodse volk als een verwijt durft voorhouden, alsof er op Goede Vrijdag nooit een Paasmorgen is gevolgd?

Wanneer in 1979 in de Hervormde Synode een voorstel ter tafel ligt om de kerkorde aan te vullen op het punt van het bestrijden van het antisemitisme, dan wordt dit voorstel in een begeleidende nota als volgt gefundeerd: „Juist met de christelijke kerk heeft het joodse volk ervaringen opgedaan, die bepaald niet uitnodigden om de eens genomen beslissing te herzien. Wij zouden hier een hoofdstuk, of liever: een boek, een zwartboek moeten schrijven over de manier waarop christenen hun Christus in de loop der eeuwen tegenover de Joden hebben gepresenteerd".

En daar is de kernvraag uitgesproken: hoe hebben christenen aan het joodse volk de Christus laten zien? Verduisterden ze de Gestalte van licht en opstanding, of waren ze transparant tot op de Opgestane in woorden en w r erken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 juni 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Israël en de kerk

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 juni 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken