Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Jeremia geroepen tot profeet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jeremia geroepen tot profeet

15 minuten leestijd

„Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende: er Ik u in (moeders) bu formeerde, heb lk u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb lk u geheiligd; lk heb u de volken tot een profeet gesteld. Toen zeide ik: ch, Heere HEEREI zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. Maar de HEERE zeide tot mij: eg niet 'ik ben jong', want overal waarheen lk u zenden zal, zult gij gaan en alles wat lk u gebieden zal, zult gij spreken. Vrees niet voor hun aangezicht, want lk ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE. En de HEERE st Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: zie, lk geef Mijn woorden in uw mond. Zie, lk stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om. uit te rukken en af te breken en te verderven en verstoren; (ook om te bouwen en te planten.' Jeremia 1 : 4—10

Roeping

Een aangrijpende zaak is in dit gedeelte aan de orde: de roeping tot profeet. Jeremia moet nog maar heel jong zijn geweest toen deze roeping tot hem kwam. Sommigen menen zelfs dat hij nog maar een jongen van een jaar of twaalf, dertien was: niet ouder dan Samuël toen de HEERE zich voor het eerst aan hem openbaarde in Silo. Anderen denken dat hij als ongehuwde jongeman van zo'n jaar of twintig juist aan de priesteropleiding in Jeruzalem zou beginnen. Hoe het ook zij, twaalf jaar of twintig jaar, duidelijk is dat God ook jonge mensen roept tot Zijn dienst, tot gewichtige taken in Zijn koninkrijk. Duidelijk is dat God ook en zelfs bij voorkeur werkt in de harten en levens van jonge mensen. Laten jongens en meisjes, jongelui onder ons in het gebed tot de HEERE gaan en vragen: welke opdracht hebt U voor mij, o God, wat wilt U met mijn leven gaan doen?

De jongen uit een priesterfamilie in het vlakbij Jeruzalem gelegen plaatsje Anatoth, luisterend naar de naam Jeremia ('de HEERE grondvest', betekent dat waarschijnlijk), hoort op een dag onmiskenbaar Gods stem. De HEERE spreekt hem aan met de werkelijk verbijsterende woorden: 'Jeremia, Ik heb je al gekend voordat Ik je in de moederschoot vormde en voordat je geboren werd, heb Ik je al geheiligd'. Geheiligd wil hier zeggen: apart gesteld, tot een bijzondere dienst bestemd.

En dan volgt meteen de inhoud van die bijzondere bestemming: 'Ik heb u de volken tot een profeet gesteld'. Een profeet! Dat is maar niet iemand die de toekomst voorspelt, maar dat is een mens die met hart en ziel, met huid en haar in dienst genomen is door het Woord Gods. Een mens die de mond van God tot het volk mag zijn, die het licht van Gods Woord mag laten schijnen over verleden, heden en toekomst.

De profeet is prediker van het Woord Gods. Hij zegt niet alleen in Gods Naam wat er moet gebeuren en wat er gaat gebeuren, maar wat hij zegt gebeurt ook, zijn woord — dat in waarheid Góds Woord is — roept de gebeurtenissen op.

Wat is het dan een geweldige verantwoordelijkheid om profeet te zijn. En dan nog wel 'profeet voor de volken', niet alleen nationaal, voor Israël, maar met internationale draagwijdte!

Deze hoge roeping en zware verantwoordelijkheid legt de HEERE in het voorjaar van 626 voor Christus op de jonge schouders van Jeremia — en meer dan 40 jaar lang zal Jeremia deze verantwoordelijkheid torsen, soms tot zijn eigen bittere smart. Hij moet immers woorden spreken die niet naar zijn eigen wensen en verlangens zijn, die daar veelal dwars tegen indruisen, maar die God hem te spreken geeft.

Enkele kanttekeningen terzijde. Hoe ontroerend komt in Gods Woord tot Jeremia tot uitdrukking dat de HEERE Zich persoonlijk bezig houdt met de schepping van elk mensenkind. Hij staat aan het prille levensbegin. Hij is het die in moeders buik het lichaampje van het ongeboren kind formeert. In de moederschoot zijn Gods vingers scheppend en vormend bezig. Als ouders een kind verwekken raken zij aan dit scheppingswerk Gods. Zodra nieuw leven, hoe pril ook, is ontstaan, past ons een terugtreden in diep respect. Waarom zijn christenen tegen abortus provocatus? Omdat wij onze schermende mensenvingers thuis moeten houden waar Gods vingers aan het werk zijn!

Jeremia krijgt te verstaan dat hij met een bepaalde bedoeling in het leven geroepen is. God heeft hem gemaakt als een goed instrument, niet maar voor de sier alleen. Het ik doel, de bestaansgrond van het leven van Jeremia, ligt alleen in het Woord des HEE-REN. Hij is er om dienaar des Woords te zijn! Wij redeneren in onze blindheid vaak precies omgekeerd en averechts. Wij menen ak ergens ons leven voor onszelf te bezitten en dan vervolgens zo goed te zijn om het de HEERE ter beschikking te stellen. Als het ) daar al van komt... Maar de HEERE maakt in de roeping van Jeremia duidelijk hoe de zaken er in werkelijkheid voor staan. Je bent er, omdat God een bepaalde bedoeling met je heeft. Je bent er niet om er zomaar te zijn, maar om er tot Gods eer te zijn. De HEERE moet óns niet dankbaar zijn dat wij zo goed zijn ons leven Hem ter beschikking te stellen... De HEERE heeft ons het leven ter beschikking gesteld opdat wij zo zouden kunnen beantwoorden aan het door Hem gestelde doel.

Heerlijk wanneer we in het geloof zicht krijgen op Gods vóórkomende, verkiezende liefde! 'Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven'. Achterom blikkend zien we dan hoe de HEER alles in ons leven geleid heeft van onze geboorte af aan om met ons te komen waar Hij ons hebben wou! Jeremia's beroeping bepaalt ons immers meteen ook bij uw, jouw en mijn roeping. Vanuit Pinksteren is heel de gemeente van Christus geroepen te profeteren in deze wereld: getuigen te zijn van Jezus' Naam. In het boek Handelingen lezen we hoe mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, dat getuigenis in praktijk brengen. Wat hebben wij met Gods roeping gedaan? Wat gaat er van óns leven uit? Zijn wij inderdaad en metterdaad leesbare brieven van Christus? Waar zijn wij anders mee bezig? Wat doen we met het leven dat God ons toch niet 'zomaar' gaf?

Tegenwerping

Nu letten we op de reaktie van de jonge Jeremia op Gods roeping: 'Ach, Heere HEE-RE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong' (vs 6).

Een menselijkerwijs heel begrijpelijke reaktie. Ook een diep uit het hart komende, hevig emotionele reaktie. Die roep 'ach...' klinkt in het hebreeuws als het kreunen van

een gewond mens. Een roep van schrik, wanhoop en zelfbeklag. Dat kan de HEERE toch niet menen, dat zal toch niet waar zijn?

Ik kan niet uit mijn woorden komen, ik ben nog maar een onmondige knaap. Ik ben niet profetisch begaafd en bekwaam om als advocaat Gods Zijn geding te voeren tegenover een vijandige wereld.

In dit 'ik kan niet spreken' trilt nog veel meer mee: besef van eigen totale onmacht, mensenvrees, een terugschrikken voor zo zware verantwoordelijkheid.

Veel herinnert hier aan de bedenkingen en tegenwerpingen van Mozes bij diens roeping aan de Horeb in Exodus 3 en 4. Maar Mozes was toen al een gerijpte persoonlijkheid van 80 jaar oud! Met des te meer 'recht en reden' protesteert hier Jeremia.

Maar... waar blijft ons 'recht' en waar blijven onze 'redenen', als God roept. Dan kunnen we duizend verontschuldigingen bedenken en de één klinkt nog aannemelijker dan de ander. We krijgen ook nog de ruimte om onze bedenkingen voor Gods aangezicht uit te spreken. Maar daarmee is het dan ook uit. De HEERE snoert ons vervolgens de mond. Hij buigt ons hart over tot gehoorzaamheid. Hij wint ons zó in dat al onze gegronde bezwaren wegsmelten als sneeuw voor de zon en dat wij Zijn opdracht niet alleen gewillig, maar ook nog met vreugde aanvaarden.

Neen, Jeremia heeft het zelf niet gezocht. Dat staat hem zoveel jaren later, als hij dat aangrijpende gebeuren van zijn roeping op schrift stelt, nog helder voor de geest. Maar de HEERE werd hem te sterk. En dat geldt bij alle verschil in omstandigheden en taken toch voor iedere christen en christin. Geroepen 'profeet' zijn, aan Gods kant te staan in een Gode vijandige wereld, je eigen zin en mening te laten doorkruisen door Hem. Dat roept bedenkingen op. Liever gezegd: verweer, verzet, vijandschap. 'Ik ben nu nog te jong.' 'Gaat U eerst maar naar die ander.' 'Laat mij dit stuk van mijn leven voor mijzelf houden.' 'Beseft U wel wat dat voor mij betekent, hoeveel het van mij vraagt, om Uw getuige te zijn? Hoe ik met een mond vol tanden en met het zweet in mijn handen sta? ' Ja, leg dat allemaal maar aan de HEERE voor. Het bewijst alleen maar dat u zich niet langer doof kunt houden voor Gods roepstem, dat u er niet meer van los kunt komen!

Bekeerd worden, tot de doorbraak van het geloof komen, is dan dat Gods Woord in ons het wint van alle verzet. Dat we ons aan Hem uitleveren: Heere, ik geef mij aan U volkomen. Hoe het moet en hoe het gaan zal, weet ik niet. Maar dit weet ik vast, de HEERE zal het voor mij volenden.

Bemoediging

Dat is dan ook de bemoediging die Jeremia bij zijn roeping ontvangt. 'Zeg nu maar niet 'ik ben jong'. De tegenwerping wordt op vriendelijke, maar besliste wijze terzijde geschoven. 'Want overal, waarheen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken'.

De Heere zendt Jeremia niet alleen als Zijn boodschapper uit, maar trekt dan ook zelf met hem mee. Ook hier valt de overeenkomst met Exodus 3 op. Daar ontving Mozes de belofte van Gods verrassende nabijheid samengevat in de Naam: Jahwe, Ik zal er bij zijn, zoals Ik er bij zal zijn.

En zo geldt het nog voor ieder die in deze wereld Christus' getuige mag zijn. Juist in verband met dit getuigenis heeft de Heere immers gesproken: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld' (Matth. 28 : 20). Daartoe is toch juist de Trooster, de Geest van Pinksteren gekomen: m een geweldige steun in de rug te zijn voor de gemeente bij haar vaak moeilijke taak en om haar telkens te doen ervaren dat zij er niet alleen voor staat.

Zo mag de mensenvrees wegvallen: 'Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE'.

Daar mocht Jeremia telkens weer op terug vallen in moeilijke tijden. Donkere dagen heeft hij meegemaakt in zijn profetenbestaan: in de gevangenis gezet, in een kuil geworpen, als landverrader beschouwd, met de dood bedreigd, uiteindelijk tegen zijn wil meegevoerd naar Egypte en, volgens een oude traditie, aldaar gestenigd.

De Kerk is hier op aarde strijdende Kerk. Echte profetie wordt zelden in dank afgenomen. Getuigen en martelaar zijn hebben één en dezelfde wortel.

Maar God bemoedigt door Zijn nabijheid uitdrukkelijk toe te zeggen. Aan die belofte ontleent het geloof zijn veerkracht en standvastigheid. „Want Hij heeft gezegd: k zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten. Zodat wij vrijmoedig durven zeggen: e HEERE is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen." (Hebr. 13 : 5, 6).

Aanstelling

De HEERE gaat ook in op Jeremia's verlegenheid: 'wat moet ik zeggen, hoé moet ik het zeggen? ' Alles wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken... en de HEERE stak Zijn hand uit en roerde mijn mond aan; en de HEERE zei tot mij: zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.

Het schijnt vroeger gewoonte te zijn geweest dat een heer zo deed wanneer hij een bode uitzond. Letterlijk even de lippen aanraken. Zoals ouders een hapje stoppen in de mond van een baby, zo wordt de boodschap in de mond van de boodschappenjongen gelegd. Een profeet is een eenvoudige boodschappenjongen van God. Hij behoeft zijn boodschap zelf niet te verzinnen, ja dat is hem zelfs ten strengste verboden. Hij mag slechts doorgeven wat hij zelf eerst ontvangen heeft. Zó lezen we de Heilige Schrift: woorden die God zelf van de lippen en uit de pen van Zijn profeten en apostelen heeft laten vloeien.

Jeremia heeft die beroering van zijn lippen gevoeld. Daarmee is zijn aanstelling in het profetisch ambt een feit. De profeet Jesaja had eerder een vergelijkbare ervaring gehad (Jes. 6:7). Als Gods vingers op je lippen zijn geweest, kun je niet anders meer zijn dan profeet. Ook zonder dat bijzondere teken geldt deze werkelijkheid voor alle ambtsdragers en voor alle oprechte christenen vandaag. Wees maar niet bezorgd wat gij spreken zult, 'want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest van de Vader, Die in u spreekt'. (Matth. 10 : 19, 20). Dat wil niet zeggen dat w r e te pas en te onpas bijbelteksten moeten citeren. Het gaat er juist om een woord te spreken op zijn tijd: m te weten welk woord Gods licht geeft in de gegeven situatie en dat woord dan met vrijmoedigheid uit te spreken. Dat is profetisch bezig zijn: preken zoals de Geest het ons geeft uit te spreken, in de gehoorzaamheid aan het Woord. 'Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods...' (1 Petr. 4 : 11). Wat een bemoediging: e HEERE opent onze lippen door Zijn kracht en zo zal onze mond Zijn lof gestaag vermelden.

Volmacht

'Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken en af te breken en te verderven en te verstoren; (ook) om te bouwen en te planten'.

Hier krijgt de profeet Jeremia een geweldige volmacht. Hij krijgt het te zeggen over hele volken en koninkrijken: die zal hij door zijn profetisch getuigenis kunnen maken en vooral bréken. We hebben gezien dat ook een profeet maar een eenvoudige boodschappenjongen is. Maar tegelijkertijd is hij Gods stadhouder en gevolmachtigde. God regeert de wereld door Zijn Woord. Als Jeremia werkelijk Gods woorden doorgeeft, dan bepalen die woorden het lot van Juda en Jeruzalem en de volken rondom. Die woorden hebben als geladen woorden een werkingssfeer. Als in onze kerken het volle woord Gods gepredikt wordt met profetische kracht, dan is dat niet alleen van betekenis voor de mensen die in die kerken zitten. Dat allereerst. Want er loopt een rechte lijn van de preekstoel naar Christus' rechterstoel. De prediking die wij in ons leven gehoord hebben, komt in het laatste oordeel terug. Geloof of ongeloof in deze prediking zal beslissend zijn voor ons eeuwig wel óf wee.

Maar die prediking is ook van grote betekenis voor hen die buiten zijn. Voor heel de Nederlandse natie en voor de overheid en voor de volkerenwereld. En datzelfde geldt voor het profetisch getuigenis van christenen in de maatschappij. Als dat getuigenis aanvaard wordt, zal dat nationaal en internationaal ten zegen zijn. Maar als het verworpen wordt, zal dat nationaal en internationaal ten oordeel zijn. Zó komt het er op aan dat we waarlijk profetisch getuigen in de grote vragen van deze tijd: de

vragen van oorlog en vrede, van rijkdom en armoede, van leven en dood, van huwelijk en alternatieve relaties, van wetsgetrouwheid en wetteloosheid. Daarbij staat de toekomst van ons land, ja de toekomst van de wereld op het spel.

Nu staat bij deze opdracht en volmacht van Jeremia het negatieve voorop. Éérst is er het uitrukken, afbreken, verderven en verstoren. Daarna toch ook het bouwen en planten.. Tegenover vier negatieve werkwoorden staan en twee van positieve inhoud. De bediening van Jeremia zou overwegend het karakter van een reuke des doods ten

dode dragen. De ploegijzers van Gods wet moet hij diep door Israëls akker halen voordat het zaad van het evangelie in de lang getogen voren kon worden gestrooid. Waar de duivel zijn paleis heeft gesticht, kan God zomaar geen tempel bouwen. Dan moet eerst de beuk er in. Hebben we dat ook in

ons persoonlijk leven verstaan? Wat staan er een valse, giftige gewassen op onze akker, wat een onkruid moet er in onze tuin worden gewied. De HEERE moet met ons gaan de weg van afbreken en uitrukken om zo plaats te maken voor Zijn gebouw, voor Zijn akkerwerk. Misschien is God wel hard en radicaal in uw of jouw leven met sloopwerk bezig. Misschien wordt er heel veel schijnbaar ongenadig uitgerukt. Maar weet dan: door het uitrukken, afbreken, verderven en verstoren heen is het Hem toch uiteindelijk om het bouwen en planten te doen. Vertrouwt u dan maar door alles heen aan Hem toe, die niét slaat uit lust tot plagen en die het beste, namelijk uw zaligheid met u voor heeft.

Geen ding geschiedt er ooit gewisser dan 't hoog bevel van 's HEEREN mond: ijn goddelijk' almacht spreekt, en 't is er Zijn wil gebiedt en 't wordt terstond. Schoon de heid'nen samen list op list beramen — God verbreekt hun raad. Schoon de mogendheden snood' ontwerpen smeden, — Hij belacht haar haat. (Ps. 33 : 5)

V.

J. H.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Jeremia geroepen tot profeet

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken