Bekijk het origineel

JOHANNES MACCOVIUS HARD IN DE LEER, LOS IN HET LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

JOHANNES MACCOVIUS HARD IN DE LEER, LOS IN HET LEVEN

7 minuten leestijd

(slot)

De Synode van Dordrecht, geroepen om zich uit te spreken over de beschuldigingen aan het adres van Maccovius, gaf de zaak in handen van een commissie. De zittingen werden gehouden achter gesloten deuren en de handelingen mochten niet gepubliceerd worden. Zo bleef er eeuwenlang een waas van geheimzinnigheid hangen over de „causa Frisica", totdat Jodocus Heringa in 1831 in een studie één en ander aan het hcht bracht.

De twee kemphanen van de Franeker Hogeschool waren beide in Dordrecht aanwezig. Sibrandus Lubbertus als adviseur van de Synode en Johannes Maccovius als „beklaagde". Deze laatste begon met zijn collega ervan te beschuldigen dat hij de aanklager was, wat Lubbertus ontkende en blééf ontkennen. Volgens hem kwam de aanklacht van de Classis Franeker. Maar Lubbertus geraakte in een lastig parket toen zijn oudleerling Festus Hommius, scriba van de Synode, meedeelde dat hij op goede gronden wist dat Lubbertus de lijst met 50 dwalingen had samengesteld. De waarheid hierover is nooit aan het hcht gekomen.

Na veel heen en weer gepraat vond de Synode geen aanleiding om Maccovius te veroordelen wegens ketterij. Maar de hoogeerwaarde vergadering gaf hem wel een aantal vermaningen mee! Hij moest ophouden met zijn duistere en scholastieke manier van doceren en zich voortaan bedienen van een bijbels spraakgebruik. Hij diende zich ook te onthouden van het publiekelijk aanvallen en bestrijden van gevoelens van rechtzinnige theologen en moest op zijn colleges die onderwerpen behandelen die de studerende jeugd konden opbouwen in de rechtzinnige leer en de ware vroomheid. Voorts mocht hij ook niet langer éénzijdig zijn supralapsaristische gevoelens drijven omdat hij op die wijze onrust in de kerk zou veroorzaken.

Maccovius mocht tevreden zijn! Hoewel zijn „phrases duriores" (harde uitspraken) door de Synode niet werden gewaardeerd en ze dat ook duidelijk liet merken, werden geen maatregelen tegen hem genomen. Dat kón ook bezwaarlijk omdat Dordt nu eenmaal niet had willen kiezen tussen het supra en het infra. De Leerregels ademen duidelijk de geest van het infra: ze beginnen met de val van de mens en gaan voort met de prediking van het Evangelie en met een ruim aanbod van genade, om tenslotte in de verkiezing te eindigen. Maar het gevoelen van de supra's is niet veroordeeld, daarom was het ook niet mogelijk Maccovius te veroordelen.

We zullen echter wèl aan Maccovius' opvattingen moeten denken wanneer in het Besluit van de Leerregels aan het adres van de dienaren van het Evangelie wordt gezegd „dat zij met de Schrift, naar de regelmaat van het geloof, niet alleen gevoelen, maar ook spreken; en van al zulke wijzen van LEER, LOS IN HET LEVEN spreken zich onthouden die de palen van de rechte zin der Heihge Schrift, ons voorgesteld, te buiten gaan, en die de dartele sofisten rechtvaardige oorzaak geven zouden om de leer der Gereformeerde Kerken te beschimpen of ook te lasteren".

Blijvende onenigheid

Hiermee was wel de zaak als zodanig afgedaan, maar nog niet de twist tussen Lubbertus en Maccovius bijgelegd. Dat bleek niet eenvoudig, maar de Commissie kwam met een verzoeningsformule en na vier dagen kreeg ze het toch zo ver dat de beide hoogleraren elkaar de broederhand reikten. Maar of dat van harte ging vermeldt de historie niet... Het waren nu eenmaal twee zeer verschillende persoonlijkheden die elkaar niet lagen. Lubbertus was ook bepaald niet gemakkelijk in de omgang, vrij driftig en jaloers, maar een man van onbesproken gedrag en voorstander van een strenge tucht, ook onder de studenten. En Maccovius deed niets om zijn veel oudere collega voor zich te winnen, integendeel, hij prikkelde hem voortdurend door zijn zucht naar populariteit en vooral door zijn losbandige levenswandel. De vrede is dan ook nooit helemaal getekend.

Reeds in 1620, nog maar een jaar na de Dordtse Synode, rezen er nieuwe onenigheden, onder andere over de vraag hoe ver de zoendood van Christus zich uitstrekte. Weer begon er een polemiek tussen de twee professoren, waaraan echter door de Staten van Friesland een einde werd gemaakt. En in 1625 maakte de dood van Lubbertus voorgoed een einde aan de onverkwikkelijke broedertwist.

Aanstotelijk gedrag

Intussen bleef Maccovius ook na de dood van Lubbertus een omstreden figuur. In 1631 kreeg hij ook de hoogleraar Amesius tegen zich, die hem indertijd op de Dordtse Synode had verdedigd. Het ging wéér om een leerkwestie, maar daarbij speelde ongetwijfeld een rol dat de levenswandel van Maccovius geen daghcht mocht zien. Hij nam vrolijk deel aan de studentenfeesten, waarbij veel gedronken en soms ook gevochten werd, maar ook bij andere gelegenheden keek hij vaak te diep in het glaasje.

In 1626 hadden vier professoren een reeks aanklachten tegen Maccovius ingediend. Hij zou zijn mede-hoogleraren hebben aangetast in hun eer en goede naam en zelfs zou hij zich niet hebben ontzien Lubbertus na diens dood nog te belasteren. Verder zou hij tijdens een gevecht in een kroeg een werkman hebben verwond met een mes. En eens zou hij met drie studenten aan de zwier zijn geweest en in Harlingen terechtgekomen zijn in een bordeel. Daarna zou hij zó dronken zijn geweest dat hij niet eens had gemerkt dat ze, inplaats van hem terug te brengen naar Franeker, met hem naar Bolsward waren gereden. De „chronique scandaleuse" is hiermee lang niet volledig, maar lang genoeg om voorzichtig vast te stellen dat Maccovius' levenswandel niet bepaald voorbeeldig is geweest...

De biograaf van Maccovius, Dr. A. Kuyper Jr, die trouwens zijn held in alles verdedigt, probeert in zijn proefschrift al deze klachten te bagatelliseren. Maccovius was vooral in de eerste tijd nog niet veel ouder dan zijn studenten en de feestjes hepen nogal eens uit de hand, en de tijden waren nu eenmaal ruw... Maar ook al zou maar een gering deel van de aanklachten op waarheid berusten, dan is het nog erg genoeg. En het is niet te loochenen dat een onkreukbaar man als Amesius openlijk heeft betuigd dat Maccovius zich herhaaldelijk schuldig maakte aan openbare dronkenschap en bordeelbezoek. En het is natuurlijk niet voor niets geweest dat hem een tijdlang de toegang tot de Senaatsvergaderingen is ontzegd.

De vraag hoe het mogelijk is geweest dat de man toch als hoogleraar gehandhaafd kon blijven is niet zo moeilijk te beantwoorden. De Staten van Friesland hielden hem de hand boven het hoofd. Op hun bevel moest hij weer tot de vergaderingen van de Senaat worden toegelaten.

Leer en leven

Helaas is bij kerkmensen, en ook bij kinderen van God, het leven niet altijd in overeenstemming met de leer. Wij plegen dan nogal eens te zeggen dat Gods kinderen wel in de zonde kunnen vallen, maar niet in de zonde kunnen leven. En gedachtig aan dat laatste roept het beeld, dat de geschiedenis ons tekent van Maccovius, toch wel grote vragen op. Want aan de ene kant was hij een man die zijn leven lang onvermoeid gestreden heeft voor wat hij zag als de rechte leer en de zuivere waarheid; een man die de gevoelens van het supra-lapsarisme op de spits dreef en daarbij tot zulke krasse uitspraken kwam dat hij niet ten onrechte wordt gerekend tot de hyper-calvinisten en de ultra-orthodoxen. En anderzijds een man die als theologisch hoogleraar doorlopend een ergerlijk leven leidde, zo zelfs dat de Naam van God er om werd gelasterd.

Gisbertus Voetius schreef in die tijd een boekje „De Uitnemendheid van de leer der Gereformeerde Kerk", waarin hij pleit voor reformatie in het leven, ook van de predikanten. Hij haalt daarin een uitspraak van Willem Teellinck aan, die sprak over „de klachten die aangaande den slechten toestand der Godzaligheid onder hen door verscheidene mannen gedaan zijn". C. Graafland, die deze woorden citeert in zijn bekende boek „Van Calvijn tot Barth" meent: „Het zal Teellinck niet onbekend zijn geweest dat hyper-orthodoxe theologen in die tijd niet uitmuntten in godzaligheid, zoals o.a. Maccovius" (219).

Het einde

Maccovius had een zwakke gezondheid en leed vooral in het laatst van zijn leven aan alle denkbare kwalen. Toen hij zijn einde voelde naderen riep hij zijn vrienden bij zich, klaagde hij over zijn vele gebreken en vroeg hij vergiffenis voor alles wat hij hen had mis-

daan, en vervolgens beval hij zijn geest in de handen van God.

We kunnen alleen maar hopen dat hij voor zijn zonden verzoening had gezocht en gevonden in het bloed van het Lam, dat van alle zonden reinigt. En verder laten we het oordeel over deze gespleten figuur graag over aan Hem Die rechtvaardig oordeelt.

Op 24 juni 1644 overleed Maccovius, 56 jaar oud. Niemand minder dan de beroemde Franeker hoogleraar Johannes Coccejus hield de „Oratio funebris" (lijkrede).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

JOHANNES MACCOVIUS HARD IN DE LEER, LOS IN HET LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken