Bekijk het origineel

De catechisatie in het verleden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De catechisatie in het verleden

6 minuten leestijd

In vrijwel alle kerkboden stond het onlangs aangekondigd: „Opening van het winterwerk". Héél het kerkelijk bedrijf, dat gedurende de zomermaanden stillag, is weer begonnen: de catechisatie, het verenigingswerk, het kringwerk, het huisbezoek. En dat alles met de bedoeling de kennis te vermeerderen en de gemeente op te bouwen in het Woord.

Over de catechisatie in het verleden zijn veel sterke verhalen in omloop. Verhalen van moeilijke vragen die werden gesteld en van dwaze antwoorden die werden gegeven, soms om de lachers op de hand te krijgen. Van allerlei kattekwaad dat werd uitgevoerd, rondom en in het catechisatielokaal. En van catechiseermeesters - lees: dominees! - die geen orde konden houden en daardoor dit onderdeel van hun werk zuchtend moesten verrichten. Ondanks dat alles zijn op de catechisatie vele jongeren onderwezen in de leer der waarheid die naar de Godzaligheid is, en gevormd tot mondige leden van de Gemeente des Heeren.

De Oude Kerk

De wortels van de catechisatie liggen héél diep. We moeten ervoor terug naar de Oude Kerk. Joden en heidenen werden, wanneer zij tot het geloof in Christus waren gekomen, onderwezen in de christelijke leer vóór ze het sacrament van de Heilige Doop ontvingen. In de apostoli-

sche tijd duurde deze catechese slechts kort. Later werd dit onderwijs uitgebreid tot de kinderen der gemeente. Maar helaas heeft de Oude Kerk het verschil tussen het onderwijs aan de proselieten en dat aan de kinderen niet scherp onderscheiden. Daardoor werd aan het laatste veel te weinig aandacht besteed, zodat het op den duur werd overgelaten aan ouders en , , peten". Maar ook de ouders waren vaak nalatig en lieten hun kinderen onderwijzen door een huisonderwijzer. Geen wonder dat het in de Middeleeuwen droevig gesteld was met de kennis van het Woord Gods.

De Reformatie

Pas in de tijd van de Reformatie leerde de Kerk haar roeping verstaan ten aanzien van de jeugd der gemeente. Reeds vóórdat Luther in 1517 zijn stellingen tegen de aflaat publiceerde had hij geschreven dat , , een herleving van de christenheid bevorderd zou worden wanneer men zou beginnen met het onderwijs aan de kinderen". Hij was zelf zo consequent om een Grote en een Kleine Catechismus samen te stellen. De eerste was bestemd als handleiding voor de catecheten, de tweede voor het gezin. Als gevolg van de eenvoud van dit leerboekje is het van grote invloed geweest voor de verbreiding van de Reformatie.

Ook Calvijn schreef een leerboek in vragen en antwoorden, de zogenaamde Catechismus van Génève, die voor vele andere model heeft gestaan. In Nederland werd al vroeg de Catechismus van Johannes a Lasco gebruikt, in Londen verscheen een Catechismus van de hand van Jan Utenhove, later ook één van Marten Micron. Maar al deze leerboeken werden verdrongen door de Heidelberger, die in 1563 in de Paltz was verschenen en in 1566 in het Nederlands werd vertaald door Petrus Dathenus. Reeds op het Convent van Wesel (1568) werd deze aanbevolen voor het gebruik in kerk en school, en op de beroemde Synode van Dordrecht (1618-1619) werd de Heidelberger verplicht gesteld.

Drie soorten

De Synode van Dordrecht heeft zich uitvoerig beziggehouden met de catechese. Ze onderscheidde drie soorten catechisatie: de huis-, school-en kerkcatechisatie.

Terecht heeft , , Dordt" vastgesteld dat het godsdienstig onderwijs thuis moet beginnen: in het doopsformulier wordt de ouders immers hun plicht voorgehouden eerst zélf te onderwijzen en pas daarna te doen onderwijzen. De ouders moesten dan ook - volgens Dordt - met de kinderen gedeelten uit de Heilige Schrift lezen, hen teksten van buiten laten leren en de zondagse preek met hen bespreken. Dat de praktijk lang niet beantwoordde aan het ideaal, dat bewijzen de vele klachten over nalatigheid van de ouders.

Ten tweede was daar de schoolcatechese. De schoolmeesters hadden tot taak de

kinderen te onderwijzen uit een klein boekje, het zogenaamde „handboekje", en bij het ouder worden uit de Catechismus. Of ze zich van de taak kweten moest worden gecontroleerd door de kerkeraad. Ook die schoolcatechese verliep niet altijd naar wens. Op vele classicale vergaderingen werden klachten geuit over de onkunde van de schoolmeesters, óf over het feit dat ze er opvattingen op na hielden die met de leer der Kerk in strijd waren.

De kerkelijke catechese behoorde tot het takenpakket van de predikant. In de middagdienst moest hij één van de zondagen van de Heidelberger behandelen, zo dat ook de jeugd van de gemeente het kon volgen! En voorts moest hij de ouderen die nog niet voldoende kennis hadden erin onderwijzen. Dat gebeurde veelal terstond na de middagpreek. De dominee kwam van de kansel af en begon ter plekke, en ten aanhore van iedereen vragen te stellen.

De praktijk

Helaas bleken vele predikanten in vroeger en later tijd de hand te lichten met dit onderdeel van hun werk. Vóór de Dordtse Synode is er naar alle waarschijnlijkheid niet één dienaar des Woords geweest die zelf catechiseerde! Alleen wanneer hij naast het predikambt ook de schooldienst waarnam - en dat kwam nogal eens voor! - dan kwam hij ook met de jongeren van de gemeente in aanraking. Men vond het eigenlijk heel gewoon: catechiseren was niet de taak van de dominee, maar van de schoolmeester.

Het gevolg was, dat een deel van de kerkelijke jeugd niet bereikt werd met het onderwijs van de kerk. Want alle kinderen gingen niet naar school. Soms omdat ze te afgelegen woonden, soms ook omdat de ouders niet beschikten over de middelen om dat onderwijs te bekostigen.

Heeft de kerk dat probleem niet gezien of heeft ze er de ogen voor gesloten? Ze zag het wel, maar ze wist er geen oplossing voor! Want wanneer ze de catechisatie drastisch had opgedragen aan de predikanten, dan zouden deze genoodzaakt zijn geweest onderwijs te geven aan (voor een deel) analfabeten. Kinderen die niet naar school gingen, of hadden gegaan, konden immers ook niet lezen of schrijven. Dat was natuurlijk voor de predikanten en onmogelijke taak. Daarom besloot de Synode van Dordrecht tot het oprichten van „armenscholen", waar kinderen van onvermogende ouders tenminste de beginselen van lezen en schrijven konden leren.

De catechese is lange tijd een bron van zorg geweest voor de kerk. Ze wilde een dikke vinger in de pap hebben bij de benoeming van schoolmeesters, omdat ze wel inzag dat deze een funeste invloed konden hebben op de jeugd, wanneer ze zelf op gespannen voet stonden met de leer der Kerk. Maar vele overheidspersonen dachten zelf wel bij machte te zijn om te oordelen of de schoolmeesters rechtzinnig was en trokken zich van de kerkelijke adviezen niets aan. En de ouders, die vaak het belang van goed catechetisch onderwijs niet inzagen, verleenden ook niet genoeg medewerking. Een bekende schoolmeester uit die dagen laat een ouder zeggen:

„Ic en gever niet om al leertet de catechismus van buyten,

Al comtet wat late, daertoe geen statuyten.

't Moet smorgens wat slapen, het is noch jongh".

Ondanks al die tegenwerking zijn vele generaties mannen en vrouwen door de catechese, en met name door het onderwijs uit de Heidelbergse Catechismus gevormd. Het moge ook vandaag moed geven aan allen die belast zijn met de vorming van de jeugd, en die zich soms ook afvragen of het allemaal wel zin heeft...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1989

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De catechisatie in het verleden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1989

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken