Bekijk het origineel

Geloof en Doop

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geloof en Doop

10 minuten leestijd

, , Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; m niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. " Markus 16 : 16

Er zijn van die woorden in de bijbel, die de eeuwen dóór aanleiding hebben gegeven tot hardnekkige en onuitroeibare misverstanden. Neem nu dit woord: het lijkt zo eenvoudig dat elk misverstand bij voorbaat uitgesloten schijnt. En toch een woord dat felle discussies op gang brengt.

Zie je wel, zeggen de voorstanders van de volwassendoop, dat is de bijbelse volgorde: eerst geloof en dan doop. Een klein kind kan nog niet geloven, mag dus ook niet gedoopt worden. En eenVoudige mensen staan dan met de mond vol tanden: ja, het zal wel wéar zijn, het stéèt er, eerst geloof en dan doop.

Maar het woord kan ook aanleiding geven tot een ander misverstand. Geloofd en gedoopt, dan word je zalig. Maar niet geloofd - dat betekent verdoemd. Het komt dus maar aan op geloof. Of je gedoopt bent doet dus eigenlijk niet ter zake. De doop zal ons niet zalig maken.

Zo komen we ongemerkt en onbedoeld toch weer in de buurt van hen die de kinderdoop verwerpen. Déér zeggen ze: je mag geen kinderen dopen, want die hebben nog geen geloof. En hier zeggen ze: je moet die kinderen wel dopen, maar zonder geloof heeft die doop eigenlijk geen waarde.

Wat moeten we hierop antwoorden? Allereerst dit, dat de Heere Jezus nóch het één, noch het ander bedoelt. Ja, als je het woord losmaakt uit het verband waarin het gezegd is, dan zouden die mensen misschien gelijk hebben. Maar als je het laat staan waar het staat, dan is hier iets heel anders aan de orde. Daarom moeten we ons eerst afvragen: bij welke gelegenheid spreekt de Heere Jezus dit woord: die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden?

Prediking

In de tijd tussen Pasen en Hemelvaart geeft de Opgestane Christus Zijn discipelen de opdracht: gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen.

Er moet dus gepreekt worden. Daar mogen we wel een streep onder zetten. Want vandaag horen we in allerlei toonaarden verkondigen: er moet helemaal niet gepreekt worden! Er is al lang genoeg gepreekt. Geen woorden, maar daden.

Zij die dat zeggen zijn blijkbaar wijzer dan de Heere Jezus, Die gezegd heeft: er moet gepreekt worden. Het Evangelie moet verkondigd worden.

De evangelist heeft de draad tot het einde toe vastgehouden. De eerste zin van zijn boek luidde: het begin van het Evangelie van Jezus Christus... En héél zijn boek door heeft Hij Hem voor ogen geschilderd, Die de Inhoud van dat Evangelie is. Jezus Christus, Die geleden heeft, gestorven en opgewekt is. En nu zegt hij aan het slot: dèt is nu het Evangelie en dat moet gepredikt worden aan alle creaturen.

Aan heel de schepping. Want de schepping is van God afgevallen. Wij mensen hebben heel de schepping meegesleurd in onze afval van God, in onze ongehoorzaamheid aan God. En HU Die de Inhoud van het Evangelie is, HIJ is gekomen om Gods schepping te herstellen. Om God terug te geven waar Hij recht op heeft.

Dus het Evangelie komt tot schepselen. Tot schepselen die niet meer beantwoorden aan hun hoge stemming. Niet tot engelen, want die zijn niet gevallen. Ook niet tot dieren, want die kunnen het niet verstaan.

Het Evangelie komt tot gevallen mensen, zonder onderscheid. Tot u, als u het Woord leest, het Woord hoort. De Heere wil niet dat u verloren gaat, maar dat u zalig wordt. Er is genade voor doodschuldigen. Er is zaligheid voor rampzaligen.

Geloof

Dat Evangelie kunnen we natuurlijk niet voor kennisgeving aannemen. Dat vraagt om antwoord. Want het is geweldig dat er een Evangelie is. Geweldig dat het verkondigd wordt. Dat we onder de verkondiging van dat Evangelie mogen le-aar ven. die Maar het moet niet alleen gehoord, het moet ook geloofd worden.

Het past allemaal in elkaar als de schakels van een ketting. Hoe zullen ze Hem aanroepen in Wie ze niet geloofd hebben? En hoe zullen ze in Hem geloven van Wie ze niet gehoord hebben? En hoe zullen ze horen zonder die hun predikt? En hoe zullen ze prediken indien ze niet gezonden worden?

Daar hebt u de ketting waarvan niet één schakel kan worden gemist. God zendt predikers, predikers moeten verkondigen, wat zij verkondigen wordt gehoord en wat gehoord wordt, wordt geloofd. Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods.

Doop

Nu moeten we ons verplaatsen in de tijd waarin Markus zijn Evangelie schrijft. Daar komen mensen die er nog nooit van gehoord hebben, tot geloof. Wat doet die man, wat doet die vrouw? Die laat zich dopen. Daarmee komt hij of zij er openlijk voor uit te willen behoren bij Christus en Zijn Rijk.

Waar de prediking van het Evangelie komt, daar mogen mensen in geloof op die prediking antwoorden, en daar wil de Heere die prediking onderstrepen door de doop. Het gaat dus om de eenheid van geloof en doop in hun betrokkenheid op het Evangelie.

Nu begrijpen we wel dat dit woord niet gebruikt kan worden om de kinderdoop aan te vallen. Op de manier van: zie je wel, dat het geloof aan de doop voorafgaat? Want we hebben hier een zendingssituatie. Het Evangelie komt daar waar het nog nooit is geweest. Waar mensen leven in onwetendheid. Zij horen, geloven, en... worden gedoopt.

Dat is vandaag nog precies zo. Wanneer op het zendingsveld mensen tot geloof en bekering komen, dan worden ze gedoopt. Maar dat is niet een argument tégen, dat is eerder een argument vóór de kinderdoop!

Kijk maar naar Abraham. Abraham kende de Heere niet. Maar op een goedé dag is de roepstem van God tot hem gekomen. En Abraham heeft die stem ge-

hoord, en geloofd. En toen kreeg hij het teken en zegel van Gods belofte, de besnijdenis. Dus inderdaad ging het geloof aan het teken vooraf. Maar niet alleen Abraham werd besneden, maar heel zijn huis!

En later, veel later, Lydia en haar huis. En de cipier van Filippi, en zijn huis. Waren al die mensen tot bekering gekomen? Hadden al die mensen ineens het ware geloof? Nee, maar het hoofd van het gezin kreeg het Verbondsteken en tegelijk allen die bij hem of bij haar behoorden.

Belijdenis

Wie dus de kinderdoop wil bestrijden kan beter maar niet dit woord van de Heere Jezus gebruiken. Want Hij heeft zéker niet bedoeld: eerst geloof en dan pas doop.

Maar wat dan wel? Heel eenvoudig, er waren mensen die de oprechte keuze hadden gedaan om de Heere te dienen. Mensen die tot geloof waren gekomen en de Heere Jezus hadden aanvaard als hun Zaligmaker. Maar zich laten dopen - daar konden ze nog niet toe komen. Dat bracht immers in een heidense omgeving zoveel risico's met zich mee. Dan werd je officieel tot de christenen gerekend. Dan stelde je je bloot aan lijden en vervolging. Daarom wachtten die mensen met de doop. Aarzelden ze om ervoor uit te komen.

Dopen, dat kon altijd nog. Het was ook niet belangrijk, dachten ze. Als de keuze van je hart maar oprecht is, als je geloof maar echt is. De Heere ziet immers het hart aan?

Nee, wil de Heere Jezus zeggen, het één kan niet zonder het ander. Wie in Mij gelooft zal dat ook moeten belijden voor de mensen.

Daarom denk ik dat Kohlbrugge gelijk heeft als hij een preek over deze tekst zomaar begint met de woorden: , , ik wil aan de hand van deze tekst, geliefden, u duidelijk maken dat het geloof noodzakelijk is, maar dat het ook noodzakelijk is van dat geloof in het openbaar belijdenis af te leggen. Want het is niet genoeg dat we geloven, we hebben ook voor dat geloof uit te komen en de Naam van de Heere te belijden".

Nu komt dit woord van de Heere Jezus heel dichtbij ons. Want doop zonder geloof - dat weten we wel, dat is te weinig. Het uiterlijk waterbad is niet de afwassing der zonden. Maar geloof zonder doopkan dat wèl? Kunnen we zeggen: die doop is maar een uiterlijke zaak, dat is het belangrijkste niet?

Dan kunnen we denken aan mensen, zoals die er vandaag zoveel zijn, die zeggen: ik kom niet in de kerk, maar ik geloof wel! Of aan hen die wel in de kerk komen, maar geen belijdenis willen doen. Of die wel belijdenis hebben gedaan, maar niet aan het Avondmaal deelnemen.

Kan dat allemaal? Ach, ik weet niet wat er kan. Maar het is niet de weg, het is niet volgens de orde van Christus. Het Evangelie roept ons op, niet alleen in Zijn Naam te geloven, het roept ons ook op voor die Naam uit te komen.

Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden. Dat zegt ons waar we krachtens onze doop toe geroepen zijn. De wereld verzaken, onze oude natuur doden en in een nieuw Godzalig leven wandelen.

Kunnen we dat zelf? Dat is de vraag niet! Toen we gedoopt zijn is er gebeden dat we onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester vromelijk tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk zouden strijden. Wie de Naam des Heeren zal aanroepen, wie door het geloof op Hem ziet en alles van Hem verwacht, die zal zalig worden.

De keerzijde

Deze medaille heeft een keerzijde: maar wie niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden. Niet allen die het Evangelie horen, zullen het ook geloven. Van een aantal hoorders geldt: het Woord der prediking deed hun geen nut omdat het met het geloof niet gemengd was.

Vreselijk is dat: het Evangelie, de blijde boodschap, voor kennisgeving aannemen. Net doen alsof we het niet gehoord hebben...

Wie dat doet, zegt de Heere Jezus, die zal verdoemd worden.

Verschrikkelijk woord is dat: verdoemd, verdoemenis. Velen gebruiken het alleen als vloek. Anderen schermen ermee.

We moeten het maar niet gemakkelijk in de mond nemen. Er niet te goedkoop over praten. Maar we mogen er ook niet over zwijgen. Dat doet de Heere Jezus ook niet. Hij zegt het onomwonden: wie niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden.

Toen we gedoopt werden is er gezegd dat we aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelf onderworpen zijn. Zijn dat alleen bekende en vertrouwde klanken? Of is dat een verschrikkelijke werkelijkheid?

Maar nu zegt het Evangelie dat we van de verdoemenis verlost kunnen worden! Wie Mijn Woord hoort en gelooft, zegt de Heere Jezus, die komt niet in de verdoemenis.

Tot mensen die zich de verdoemenis waard gemaakt hebben komt het Evangelie: er is een Jezus, een Zaligmaker.

Wie dat niet gelooft, op hem of haar blijft de toorn van God. Niet omdat er te weinig kracht was in het bloed van Christus. Maar omdat hij of zij het Evangelie niet heeft geloofd.

Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht... Wie gelooft wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft is reeds veroordeeld.

Maar het geloof is toch een gave van God? Ja, maar een gave die de Heere zo graag kwijt wil. Die Hij wegschenkt onder de verkondiging van het Evangelie. Laat HEM dat geloof werken door de kracht van Zijn Woord en Geest.

Is dat geloof in uw hart gewerkt, dan zult u zich verwonderen. Ik was even ongelovig als ieder ander. Maar de Heere is me te sterk geworden. Hij heeft mijn harde hart overwonnen. Hij heeft mijn ongeloof gebroken. En Hij doet dat iedere keer weer.

Want telkens steekt weer het ongeloof de kop op. Telkens moet ik zeggen: ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.

Wat een wonder: er is geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn! Zalig is hij, zij, die dat gelooft.

Welgelukzalig is het volk dat het geklank kent, o Heere, zij zullen in het licht van Uw aanschijn wandelen, zij zullen zich de ganse dag verheugen in Uw Naam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1990

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Geloof en Doop

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1990

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken