Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

JEZUS' lijdensprediking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

JEZUS' lijdensprediking

14 minuten leestijd

, , En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mens hoogd worden; opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwig hebbe." Johannes 3 : 14 en 15

1. De donkere achtergrond

De lijdenstijd is weer begonnen. De prediking zal méér nog dan anders de gekruisigde Christus in het middelpunt doen staan. Daarbij mag aangesloten worden bij het voorbeeld dat de hoogste Profeet en Leraar zelf gegeven heeft. Meer dan eens heeft Christus Zelf een „lijdenspreek" gehouden. Zo ook in dat bekende, nachtelijke gesprek in Jeruzalem met de farizeeër Nicodémus. In dat gesprek werd Nicodémus gewezen op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte. „ Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. " Een totale vernieuwing van de mens is nodig. Een hartgrondige verandering. Je kunt niet blijven die je bent. Er zal wat met een mens moeten gebeuren tussen wieg en graf, en héél wat ook. Met deze ernstige prediking neemt Christus Nicodémus mee naar... de woestijn. En dan niet zomaar een woestijn, maar die heel bepaalde woestijn van Numeri 21. Nicodémus was als schriftgeleerde heel goed met die geschiedenis bekend. Hij wist waarover de Heere het had toen Hij de woorden sprak: , , En gelijk Mozes de slang in de woestijn ver hoogd heeft..."

De woestijn van Numeri 21 - wat moeten wij ons daarbij voorstellen, wat was daar aan de hand? Het was al in het jaar 40 na de uittocht uit Egypte. Het volk Israël was gelegerd aan de grens van het beloofde land Kanaan. Zou het nü dan eindelijk zo ver zijn dat ze het land mochten binnentrekken, veroveren en daarna rustig bewonen? Maar dan is er een teleurstelling. Ze mogen niet door het land van het broedervolk Edom trekken. Pertinent wordt hen door de koning van Edom de doortocht geweigerd! Dat betekent dat ze een grote omweg zullen moeten maken. Opnieuw uitstel dus, opnieuw wordt een beroep gedaan op het geduld en uithoudingsvermogen van het volk. En dan gaat er een zondige ondankbaarheid gisten bij deze mensen! Ze gaan murmureren, mopperen, tegen Mozes en vooral tegen God. Ze zijn zo verbitterd door de tegenslag dat ze Gods zegeningen niet meer opmerken. Ze beledigen de HEERE door Hem niet te erkennen voor Zijn trouwe zorg. Ze durven zelfs zó ver te gaan dat ze zeggen: „dat manna, dat brood uit de hemel? o daar walgen we van, het komt ons de keel uit! Waren we maar in Egypte gebleven! „Nu is dat volk veertig jaar lang onderwezen in de woestijn, maar wat heeft het weinig geleerd, wat heeft het geestelijk weinig vorderingen gemaakt! En ook heel de generatie die in de woestijn geboren en getogen is (het merendeel van het volk!) geeft de HEERE de eer niet.

Dan blijkt dat de HEERE niet met zich laat spotten. Hij is een rechtvaardig en heilig God. Hij zal de zonde niet door de vingers zien, maar streng straffen. Er waren in dat woestijngebied veel gevaarlijke, giftige slangen. Tot nog toe had God hen veilig en ongedeerd door dat gebied heen laten trekken. Maar nu Israël die genade niet acht, trekt God Zijn hand terug en laat die slangen met opzet los. De gevolgen zijn vreselijk. Mannen, vrouwen en kinderen worden gebeten en krijgen dat - dodelijke slangengif in hun aderen. Vreselijke pijn en koorts en daarna een ellendige dood zijn de gevolgen. Dat heeft nu de zonde gedaan! De opstand, de revolutie tegen God, de schandelijke ondankbaarheid voert in het verderf. Dus dat is de woestijn van Numeri 21. Het is de woestijn van de zonde. Van de toorn van God tégen de zonde en van de straf van God óver de zonde. En dan bijten er velen letterlijk en figuurlijk in het zand. De zonde baart verderf en dood. Zo wordt het een woestijn van pijn en leed, van ziekte en ellende, een „woestijn zonder genade". De Heere Jezus wil aan Nicodémus zeggen: zie, dat is nu ook üw leven. Dat is ook van uw bestaan de diepste werkelijkheid. En zo maakt de Heere het ook óns duidelijk. Hij ontdekt ons er aan door Woord en Geest. Dat die woestijn van de zonde en van Gods rechtvaardige toorn ónze woonen verblijfplaats is. Dat ook wij gebeten en daarom ten dode opgeschreven zijn! Dat het slangengif van de zonde ook in en ónze ver-aderen woelt en werkt, ruist en e teven bruist! We noemen dat „de geestelijke dood": gebeten door de oude gifslang, de satan; in de greep van „de mensenmoordenaar van den beginne". Nicodémus moest daaraan ontdekt worden. Wij niet minder. Anders zijn we als rechtvaardigen in eigen oog, die de bekering niet nodig denken te hebben. We zijn dan als gezonden die de Medicijnmeester niet nodig achten. Maar waar we oog krijgen voor de woestijn van Numeri 21 als de woestijn van ook óns leven, daar krijgen we behoefte aan verlossing en daar wordt plaats gemaakt voor de Zaligmaker van zondaren!

2. De wonderlijke inhoud

Maar nu de wonderlijke inhoud van Jezus' lijdensprediking. , , En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, al zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden."

Om dit woord te verstaan moeten we nog even terug naar Numeri 21 die „woestijn zonder genade" was. Maar bij nader inzien is deze uitdrukking toch niet juist. Want als het volk Israël in de nood schuld gaat belijden, zich voor God verootmoedigt en smeekt om redding, dan wil de HEERE genade bewijzen. Hij hoort naar de voorbiddende Mozes en geeft deze de volgende merkwaardige opdracht: , , Maak u een vurige slang en stel ze op een stang; en het zal geschieden dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven."

God geeft een redmiddel. Een namaakslang midden in het legerkamp van Israël, voor iedereen duidelijk zichtbaar, bevestigd aan een hoge stang. En nu maar zien op die namaakslang. Tot genezing! Maar u begrijpt, dat gaat zo gemakkelijk niet. Want dat betekent afzien van al die gruwelijke kleine en grote slangen om je heen. Dat betekent afzien van je eigen wonden en temidden van koorts en pijn de blik vestigen op... uitgerekend wéér een slang! Het redmiddel had de gedaante van het strafmiddel! Zo kwam het dan voor die gebetenen wél op gelóóf aan, op geloof in Góds belofte, op geloof in het Woord, dwars tegen al het zichtbare, tastbare en voelbare in. Maar wie in geloof en

in gehoorzaamheid zag op het redmiddel, die werd behouden. Gered van een wisse dood, genezen van een vreselijke kwaal!

Kijk, Nicodémus, zegt de Heere Jezus, zó moet Ik, de Zoon des mensen, nu ook verhoogd worden. Als de slang verhoogd. Namelijk aan het kruis! Letterlijk is dat een „verhoging", want aan het kruishout van Golgotha hangt Christus zichtbaar tot in de wijde omtrek. In feite is dat een „vernedering", want de kruisdood is een schandelijke dood. Tóch is dat voor Christus tegelijkertijd „verhoging", want zo wordt Hij „verheerlijkt" als de gehoorzame Knecht des Vaders en zo gaat het voor Hem door lijden tot heerlijkheid, via het kruis naar de kroon.

Waarom als de slang verhoogd? Wel, Christus komt om van de zonde te verlossen. Maar dan wordt Hij zelf aan het kruis tot zonde gemaakt. Hij komt om de vloek weg te nemen. Maar als een gevloekte hangt Hij aan het hout. Hij komt om de slang satan de kop te vermorzelen. Maar alsof Hij zelf een satanische slang was, wordt Hij door de aarde uitgeworpen en door de hemel afgeweerd. Zo gebeurt op Golgotha alles onder de schijn van het tegendeel! De grote Vernieler van de slang wordt tentoongesteld alsof Hij zélf de slang was. Het Vrouwenzaad neemt de gestalte aan van het slangenzaad. En nu borduren we nog maar even voort op dit veelzeggende beeld: wanneer doodzieke mensen in de woestijn opzagen naar de koperen slang, dan was het alsof die slang als een magneet alle ziekte, alle vergif, naar zich tóe trok en in zich verenigde. Zo zijn ziekte en zonde in Christus samengetrokken, al onze ongerechtigheden zijn op Hém aangelopen en werden op Hém verzameld.

Maar hoewel Hij als Lam Gods tot zonde was gemaakt, bleef Hij in Zichzelf vlekkeloos, rein en volkomen, zónder gebrek. Net zoals die koperen slang wel er net zo uitzag als die vurige slangen, maar geen vergif in zich had - zo werd er geen druppel zondegif aangetroffen in de aderen van Christus. En zo kan deze vlekkeloos reine Hogepriester volkomen reinigen en volkomen heiligen - en wel al degenen die door Hem tot God gaan.

Als de slang verhoogd. Terecht spreken uitleggers van , , drieërlei verhoging." Verhoging aan het kruis. Verhoging aan Gods rechterhand in heerlijkheid, maar dan niet meer als een gevloekte, dan niet meer in de gestalte van de slang. Maar ook verhoging in de prediking. Preken is niet anders dan Christus omhoog heffen in de woestijn van de verlorenheid als het enige medicijn. Hóóg wordt Hij opgeheven in de rechte prediking, hóóg wordt Hij opgeheven in de zuivere bediening van de sacramenten van doop en avondmaal. Wee de predikers die maar zo als iets bijkomstigs, zo als in het voorbijgaan en zo terughoudend, spreken van Christus en van Zijn verzoenings-en verlossingswerk. Paulus had zich heilig voorgenomen in de prediking niets anders te willen weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Als predikers zijn wij „kruisgezanten". En als kruisgezanten zijn we verkondigers van zeer goede boodschap.

„En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden."

Graag ook uw aandacht voor dat woordje moet. Waaróm moet dat en van wie moet dat? Welke drang staat daar achter en welke noodzaak is hier aanwezig?

Mozes heeft in Numeri 21 niet op eigen initiatief en naar eigen goeddunken de koperen slang gefabriceerd. Maar op Gods bevel en aanwijzing. En zo gaat de Zoon des mensen maar niet Zijn eigen gang. Hij heeft weet van het moeten van Gods raad, van Gods welbehagen. Het betreft hier de wil van de Vader!

Daarmee gaat dus de redding van de HEERE Zelf uit. God is rechtvaardig en heilig, zodat Hij de zonden straft. Maar Hij is ook barmhartig en genadig, zodat Hij wonderlijke uitkomst biedt. De HEE-RE maakt de „woestijn zónder genade" tot een „woestijn vól van genade". Ziende op de Gekruisigde, worden we bepaald bij Gods toorn tegen de zonde. Maar ook bij Gods onuitsprekelijke liefde.

3. De heerlijke uitwerking

„Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".

Nicodémus werd in die onvergetelijke nacht niet alleen bepaald bij de woestijn van zijn leven, maar ook gebracht aan de voet van het kruis. Hij werd gewezen op de noodzaak van de wedergeboorte en de weg daartoe is hem genoemd: het geloof! Het gelovig zien op Jezus, de Gekruisigde. Is dan het evangelie zo eenvoudig? Is het dan anders niet dan alleen maar zien op Jezus? Ja, kinderlijk eenvoudig, aanbiddelijk eenvoudig. Maar vergissen we ons niet! We zagen al: het was voor die gebetenen in Numeri 21 niet zomaar even een neutraal en vluchtig opkijken naar de koperen slang. Het zien op het redmiddel vroeg om geloof in de belofte van God. En zo is dat nu ook met het gelovig zien op Jezus. U weet van uw nood, u weet van dat zondegif in u. En dan ziet u de Gekruisigde als de slang verhoogd. Dat betekent dat u Hem ziet als de strafdragende en lijdende Borg! U kunt dus niet naar Hem kijken of u wordt bepaald bij uw eigen schuld en bij uw eigen wél verdiende straf. Het gelovig zien op Jezus is een zien in schuldverslagenheid. Want: „om ónze overtredingen is Hij verwond, om ónze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld."

Wat hebben we dus ziende op Jezus een uitgesproken hekel aan de zonde. We willen niet alleen van de gevolgen van de zonde af, maar we willen vooral van de zonde zélf af! We begeren niet alleen verlossing van het verderf, maar ook verlossing van de oorzaak van het verderf, de zonde! Zien op Jezus in het geloof - is dat eenvoudig? Ja, heilig eenvoudig van Gods kant. Maar volslagen onmogelijk van de mens uit. Want je voelt dat zondegif nog in je, je hebt de dood nog om je heen en voor je uit. Maar je dan toch onvoorwaardelijk over te geven op het woord van de HEERE die niet liegen kan! Een ieder die gelooft, die ziet op Jezus, als de slang verhoogd, die wordt gered. Niet slechts tijdelijk, zoals in Numeri 21. Maar voorgoed. We ontvangen „eeuwig leven in Hem". Zo moeten we de tekst wel lezen: , , opdat een iegelijk die gelooft... eeuwig leven hebbe in Hem". Eeuwig leven is geen eindeloze voortzetting van dit aardse leven. Eeuwig leven is geen verlenging en ook geen herhaling. Eeuwig leven is leven van heel andere orde, van veel hogere kwaliteit, het is pas écht leven en dan in de nauwe verbondenheid en gemeenschap met Christus! Het is niet meer pootjebaden in een troebel slootje, maar zwemmen in een zuivere zee van leven! Dat krijgen we in Jezus. Dat hébben we in Jezus. Leven dat de dood overwint. Leven, eeuwig leven, uit een overvolle bron. Zo is door het geloof in Christus Psalm 103 volle werkelijkheid: „Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden."

Denk er om: de genezing was in Numeri 21 niet gelimiteerd. Er was geen maximum - aantal genezingen gesteld. Er was onbeperkt redding te ontvangen door het zien op de verhoogde koperen slang. Zovelen als er gebeten waren, zo velen konden er genezen worden. Maar de genezing was wél geconditioneerd, d.w.z. zij geschiedde niet automatisch en onvoorwaardelijk. Het kon alleen door dat middel en niet daarbuiten, andere wegen stonden niet open, het middel was exclusief.

Zo is er nu ook in Christus' bloed een onbeperkt aanbod van vrije genade. In Hem is een onuitputtelijke fontein geopend tot reiniging van alle ongerechtigheid. Er is geen limiet. Er zijn geen grenzen aan Jezus' macht. Héél uw gezin, héél uw familie, héél de gemeente, héél de wereld kan gered worden. Niemand behoeft te denken dat hij of zij er nét „één te veel" is. Maar de redding van het verderf geschiedt nooit automatisch en als vanzelfsprekend. Het kan alleen in de weg van de geloofsoefening, in de weg van het zien op Jezus. Er is verschil in de mate van het geloof. Maar er is éénheid in het wezen van het geloof. Sommigen zagen in die woestijn met vertroebelde, angstige blik naar de verhoogde slang. Anderen

met vertrouwende, vaste blik. Maar allen zagen ze op dat éne, van God gegeven redmiddel. Zien alleen was genoeg. Dat konden zelfs de zwaksten en meest uitgeputten nog. Ze behoefden niet naar de slang op de stang toe te strompelen of te kruipen. Velen zouden daarvoor de kracht niet meer gehad hebben. Maar nu is er behoud voor de allerkleinsten en voor de allerzwaksten. Terwijl de sterkste die dit enige redmiddel zou verachten, zonder pardon zou moeten omkomen!

Wie in het geloof op Jezus ziet, zal niet verloren gaan in een „woestijn zonder genade". Maar ingaan in Immanuëlsland, waar al Gods beloften ja en amen, volkomen waar zullen blijken. Dan zullen uw ogen uw Koning zien in Zijn schoonheid. Hier hebt u Hem leren zien in Zijn noodzakelijkheid, in Zijn onmisbaarheid, in Zijn gewilligheid en in Zijn volkomenheid. En dit zien van het geloof is een dóórgaande zaak. Het is altijd weer de toevlucht nemen tot Christus. Het vergif van de zonde is nog niet geheel weggenomen. Zo blijven we laag aan de grond, diep en steil afhankelijk! Kent u dit gelovig zien op Jezus nog niet? O bidt toch om genezing van uw geestelijke blindheid, om verstoring van uw valse rust. Vraag toch om geopende zielsogen om de ernst van uw levenssituatie te onderkennen. En zie dan op het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. Eens sluit de gelovige voor het laatst de ogen toe. Maar „van stonde aan" opent hij ze „aan de overzij", in Gods heerlijkheid, met veel klaarder blik, met veel helderder zicht. Dan gaat geloven over in aanschouwen. Dan zien wij Hem die onze ziel heeft liefgehad.

In God is al mijn heil, mijn eer, mijn sterke rots, mijn tegenweer, God is mijn toevlucht in het lijden. Vertrouw op Hem, o volk, in smart, stort voor Hem uit uw ganse hart, God is een toevlucht t' allen tijde. (Psalm 62 : 5)

V.

J.H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

JEZUS' lijdensprediking

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken