Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Heilige Geest (9) Over de vergeving

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Heilige Geest (9) Over de vergeving

10 minuten leestijd

PASTORALE VRAGEN

Inleiding

Bij ons nadenken over het werk van de Heilige Geest hebben we er ons toe gezet om ondermeer nader aandacht te geven aan de wedergeboorte. De vorige keren hebben we gelet op het begin van de wedergeboorte. Dat begin is voluit een werk van 's Heeren Geest, zo zagen we. En wel een heerlijk en onnaspeurlijk werk. Gods Geest doet echter niet alleen maar het , , beginwerk". We mogen wel diep onder de indruk komen van de aandacht die Gods Geest aan het nieuwe leven geeft om het geheel te doen ontluiken. Daarin is Hij als een moeder die heel aandachtig let op de bewegingen van het pasgeboren kind; Hij voedt het, want het moet groeien; Hij is het behulpzaam bij de eerste wankelende pasjes, want het moet krachtiger worden; Hij geeft moederlijke zorg, want het moet volwassen worden. Echt leven gaat zich roeren. Er zit beweging in. Er zit groeikracht in. Als het goed is, blijft Gods kind niet in de kinderschoenen van het geloof staan. Het moet naar de volmaaktheid toe, al is het dat die volmaaktheid op aarde niet gegrepen wordt. Maar de roeping ligt er wel om zich naar die volmaaktheid uit te strekken, om die volmaaktheid te grijpen. Christus' kerk moet jagen naar de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal (vgl. Hebr. 12 14). Het echte leven streeft naar boven. Het wil worden, waartoe God het gesteld heeft: eiUg leven. Het diep in de Schrift gewortelde woord: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEE RE, uw God, ben heilig" (Lev. 19 : 2), ont vouwt het program van de Geest!

Dat alles brengt ons op de belangrijke vraag naar de ontplooiing van het geloofsleven. Hoe is de Geest daarbij betrokken? Ook hier lig gen, zo dunkt ons, pastorale noties van uit zonderlijk belang.

In dit artikel willen we letten op de zonden vergeving. Gezien ons Apostolicum voluit een zaak van de Heilige Geest! In een volgende bijdrage hopen we dan in te gaan op de heili ging van het leven.

Een relatie hersteld

In de wedergeboorte gaat het om het herstel van de stuk gelopen relatie tussen God en ons. Deze relatie van het kindschap werd verbro ken door onze zonde, maar wordt door de Geest in de wedergeboorte geheeld. Hoe ingrijpend die heling wel is, blijkt ons uit het gegeven dat de Geest de gelovige leert God als zijn Vader aan te roepen in het zo ontroerende Abba, Vader! Gods Geest geeft hem een plaats in Gods huisgezin onder Gods kinderen en leert hem eten van de tafel van Gods gena de. Hij is tot kind aangenomen; hij is een adoptie-kind geworden.

Wanneer deze relatie wordt hersteld, spre ken we van , , de rechtvaardiging van de goddeloze". We zitten dan in de sfeer van het recht. Over de van God door de zonde vervreemde zondaar wordt recht gesproken en het vonnis luidt: Om Christus' wil vrijgesproken! De vreugde over die vrijspraak in het leven van de verloste zondaar is de echo van de blijdschap van de Geest over die verlossing. Het is heel juist, wanneer gesteld wordt dat de rechtvaardiging van de goddeloze het hart van de gereformeerde religie is. Het geloof is de , , hand" van de gelovige. Met die hand neemt hij uit Gods hand de gerechtigheid van Christus aan en eigent zich die gerechtigheid toe als had hij die zelf volbracht. Door het geloof vindt de gelovige het vaste fundament in de gerechtigheid van Christus, welke de Heere als de grond van de zaligheid van eeuwigheid heeft gelegd Op grond van de beloften van het evangelie mag hij nu vast en zeker weten: Mijn schuld is in Gods boek doorgehaald, mijn zonden zijn geworpen in de stroom van Christus' bloed; mijn God zond ook voor mij Zijn Zoon en sprak mij om Christus' wil vrij. Zo wordt Christus ons tot rechtvaardigmaking, vgl. 1 Korinthe 1 : 30. We denken aan de bekende regels uit het „Wachtwoord der hervormers" van zo vroeg gestorven M'Cheyne, waarin hij die vluchten in het geloof tot Jezus na de heilzame ontdekking aan zonde en schuld zo mooi verwoordt:

Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered; Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet. Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij. Ik boog me, en geloofde, ... en mijn God sprak me vrij.

Hier doet het geloof een christen voor het eerst ademhalen, na misschien wel jaren te hebben voortgezwoegd onder de zware last van de zonde en schuld. Gods Geest grift de waarheid diep in, dat Christus alleen onze gerechtigheid is... De grond van de vergeving is het offer van Gods Zoon. Een zondaar kan echter niet anders bij Christus komen en op Zijn offer z'n zondaarshand leggen, dan door het geloof. Alleen het geloof, als gave van God, gewerkt door Gods Geest, grijpt de Christus aan in de beloften van het evangelie.

De Geest herstelt dus verbroken relaties! Hij brengt het offer van Golgotha tot volle gelding in het leven van hem die daarvoor ronddoolde onder de toorn van God, door geloof te wekken in de Heere Jezus Christus. Zo komt het tot de wondervoUe vrede met God.

De grote ontdekking van het geloof is dus: bij de Heere is vergeving! Een machtige ontdekking! Ze maakt de blijvende vreugde van Christus' kerk uit. De zondaar leert God kennen als een barmhartig en genadig Vader om Christus' wil. Dat is voor hem ongedacht en wekt een ongekend vertrouwen voor de toekomst... Zijn leven is er voorgoed door gestempeld en geen leed kan het uit zijn geheugen wissen. Gods Geest overtuigt hem daarbij, dat de „vreemde vrijspraak" totaal is en dat de tot kind aangenomen zondaar nu een onvervreembaar recht op het eeuwige leven heeft ontvangen. Het is een zalige wetenschap, dat de Heere op dit vonnis niet meer terugkomt, hoezeer de duivel dat ons ook zou willen doen geloven. Die troost fluistert de Heilige Geest temidden van de vele aanvechtingen en strijd ons in het hart. Nee, het berouwt de Heere echt niet, wanneer Hij ons als kind in Zijn huisgezin opnam.

Blijvend in „bedelaarsstand"

Een vraag is, of de behoefte aan en noodzaak van vergeving alleen behoort bij het eerste uur van het nieuwe leven. Dat is zeker niet het geval. Het is een misvatting om te denken, dat een zondaar, nadat hij door de poort van de rechtvaardigmaking is heengegaan, zich enkel nog maar hoeft te bekommeren om de heiliging van het leven. Wat ons heel nadrukkelijk bij het nieuwe leven opvalt, is, dat Gods Geest bij de tot geloof gekomen zondaar de behoefte aan vergeving juist levend houdt. Daartoe is ook alle reden. Op aarde is het zondigen namelijk nooit een gepasseerd station. Al voortgaande op de weg der bekering roept Gods kind de Heere gedurig aan om vergeving van bedreven zonden. Soms kunnen zonden uit de jeugdjaren een oud geworden christen nog wel eens in gewetensnood brengen. Wat wordt dan de bede uit Psalm 25 : 7 verstaan: , Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenkt mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedwil, o HEERE!". Maar daar zijn ook telkens weer nieuwe zonden waar Gods Geest ons aan ontdekt. Oude en nieuwe zonden dus! Daarover moet vergeving worden gevraagd. Om zo te zeggen: e Geest houdt Zijn kinderen in de „bedelaarsstand”.

De blijvende (!) behoefte aan vergeving is beslist een grondtrek van het nieuwe leven. Waar die behoefte niet of nauwelijks meer wordt gevoeld, is het geloofsleven in de gevarenzone terecht gekomen, hoe „actief" het er ook uit moge zien. Op een of andere wijze wordt de werking van de Geest tegengestaan. Het minderend zicht in onze dagen op de zonde in haar afschuwelijk karakter heeft ongetwijfeld te maken met een tegenstaan van de Heilige Geest. Velen zien het God onterende van de zonde niet meer, omdat ze zich meer en meer afsluiten voor de werking van Gods Geest.

Het is daarom goed om vast te houden, dat er op de heilsweg nooit een traject komt, waar een gelovige dat rechtvaardigende aspect van het geloof zou kunnen missen. Gelovigen blijven maar arme zondaren, die elke dag weer moeten leven van de vergeving der zonden! Hoe verder wij op de geloofsweg komen, hoe meer dat wordt verstaan en beleefd. Een gelovige moet tot op het sterfbed toe met het Lam van God in de armen naderen tot de genadetroon van God. Daar komt hij werkelijk nooit boven uit. Echt geloof stemt tot deemoed. De gelovige leert, staande in de kinderschoenen van het geloofsleven, Christus gelovig aan te grijpen tot vergeving van zonden. Dat is zijn bijbels A-B-C. Die „kinderles" moet een leven lang in de praktijk worden gebracht. Geloofsgroei heeft duidelijk te maken met een zich steeds verder ontsluitend zicht op de eigen verdorvenheid en op het al meer de toevlucht nemen tot het offer van Christus, dat zulke diepten van zonde en schuld kan overbruggen. Wie eenmaal werd gerechtvaardigd, wil telkens opnieuw Gods vergeving in Christus van oude en nieuwe zonden vernemen. Hij ontdekt immers hoe langer hoe meer zijn zondige aard!

Er is dus een voortdurende noodzaak om door het geloof te worden gerechtvaardigd, wil het werkelijk vrede zijn. Zondag 31 uit onze Catechismus zegt zo duidelijk, dat aan de gelovigen verkondigd en openlijk betuigd moet worden, dat hun, zo dikwijls als zij de beloften van het evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God om der verdiensten van Christus' wil vergeven zijn. De tot geloof gekomen mens kan dat toegaan tot Christus dus niet missen. Gods heiligen dragen over bedreven zonden en zonden van nalatigheid van harte leed. Zij zijn daarover naar God bedroefd en begeren - en verkrijgen! - vergeving door 't geloof in Christus' bloed (vgl. D.L. V, 7). Zo worden we er voor behoed om de „vrome" mens in het middelpunt te plaatsen, die op eigen kracht voort zou kunnen gaan. Gods Geest houdt door Zijn voortgaand ontdekkend werk Zijn kinderen klein. Hij leidt Zijn volk steeds weer naar Jezus' verzoenend lijden en sterven in prediking en sacrament. En hoe is Hij verblijd, wanneer een kind van God, beladen met allerlei zonden, opnieuw vrede en troost vindt in Christus' Middelaars werk en gaat zingen: Niets kan mij scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heere! Is er eigenlijk wel een mooier woord dan , , vergeving" in de Bijbel? Mij dunkt van niet. Het is in dit woord, dat God ons de klop van Zijn hart doet horen. Het is tegelijkertijd het woord waarmee Hij klopt op de deur van ons hart, ook na ontvangen genade. Wie dan met de tollenaar vraagt om vergeving, gaat gerechtvaardigd naar huis... Daarbij gaat het er eenvoudig aan toe. Mensen eisen soms grote dingen om een certificaat van echtheid te kunnen drukken op het nieuwe leven. Wie heeft niet eens gehoord van „vierschaarbelevenissen"? Past hier echter niet het vermaan: Zoekt u geen grote dingen, maar voegt u tot de nederige? De zegen van Gods vergeving wordt Hem steeds weer biddend ont­worsteld op de wijze van de tollenaar en van de moordenaar aan het kruis. Of is ons dat te gewoontjes? Voor de Heere gelukkig niet. Hoe nodig is het, om in dat, , gewone" te worden geoefend.

(wordt vervolgd)

H.

P.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1992

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De Heilige Geest (9) Over de vergeving

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1992

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken