Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ambt en gewaad (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ambt en gewaad (1)

6 minuten leestijd

KERKGESCHlDENIS

Bij het aandacht geven aan kerkelijke kringen van Ledeboeriaanse inslag bleek, dat twee zaken daar heel belangrijk werden geacht.

Ten eerste zong men het liefst de Psalmen van Datheen en ten tweede zag men de voorgangers gaarne gehuld in het oude ambtsgewaad van zwarte rok, korte broek (kuitbroek), bef, schoenen met zilveren gespen en op het hoofd een driekante hoed, de steek.

Eenmaal in mijn leven heb ik ds. Boone, aldus uitgedost, mijn ouderlijk huis zien voorbijgaan. Een schilderachtige verschijning! Vooral ds. Boone was zeer gehecht aan dit ou- de gewaad. Mede daardoor kon hij in 1907 niet meegaan met de vereniging van de Ledeboerianen met de Kruisgezinden. Ook de predikanten Ledeboer, Budding, Bakker, van-Dijke, Jansen en W. H. Blaak droegen met voorliefde deze kleding.

Vanwaar kwam die voorliefde?

De verklaring kan niet zijn, dat het hier ging om een specifiek kerkelijk gewaad.

Anders dan de Roomse Kerk, kent de Reformatie geen speciaal ambtsgewaad in de kerk. De roomse kerk hechtte en hecht nóg, grote waarde aan het ambtsgewaad. Ze heeft ze in soorten. Ik noem er enkele.

Er is de witte amikt... een soort schouderdoek. Ook kent men de albe, een soort lange jurk van wit linnen. Symbool van zuiverheid. Dan is er de stola, een soort das. Vier keer in het kerkelijk jaar, heeft deze een andere kleur. De kazuifel is een soort mantel, van zijde of fluweel, zonder mouwen. Ze omhult het gehele lichaam.

Een ander symbool van zuiverheid is de gordel of cingel. De opsomming zal niet volledig zijn, maar toont voldoende aan, dat de Roomse Kerk grote betekenis hecht aan het godsdienstkleed. De bedoeling ervan is, dat de gelovigen onder de indruk kwamen van de kerkelijke waardigheid en de dragers ervan verstaan, dat hun roeping, een bijzondere roeping is.

Zoals gezegd, de Reformatie heeft in het geheel geen wezenlijke waarde gehecht aan enige kleding. Ze heeft mét de roomse mis, ook de gehele ratjetoe van misgewaden en liturgische kleding verworpen. Zwingli was hierin het meest consequent en verzette zich tegen elk ambtsgewaad. Luther en Calvijn stonder er meer onbevangen tegenover.

Het door de Ledeboerianen zo geliefd gewaad, was in wezen niets anders dan de kleding, waarmee een eeuw vroeger, zich iedere deftige burger vertoonde, zij het dan, dat de kleur ervan niet altijd zwart was. Het was dus een wereldse klederdracht.

Waarom dan zoveel nadruk op dit oude gewaad? Hoe konden deze mensen, bij wie het toch vooral om de , .binnenkant" ging, zich zo druk maken over de , , buitenkant"? Hebben we hier te maken met een bepaalde vorm van bijgelovigheid of was het enkel taaie traditie?

Hoe het zij, de Oud-Gereformeerde, Ledeboeriaanse voorgangers hebben zich tot halverwege deze eeuw in die oude dracht gekleed, ook toen niemand deze meer droeg. Dat ze daardoor een eeuw achter liepen, was voor hen geen enkel probleem.

Kledingperikelen bij de Afgescheidenen

Over problemen in verband met het ambtsgewaad gesproken, die waren er wél bij de Afgescheidenen. Het heeft zelfs in 1847 geleid tot weer een nieuwe scheuring. De Synode van 1846 had over het gebruik van steek, bef, kuitbroek en schoenen met gespen bepaald, dat deze gedragen moesten worden in die provinciale en classicale ressorten, waarin dat gewoonte was en het afleggen ervan ergernis zou geven.

Maar op een vergadering in Zwolle (1847) bleek, dat een aantal broeders het met dit synodale besluit niets eens was. Die er wél voor waren, vertrokken naar Rouveen en zetten daar de vergadering voort.

Prof. C. Veenhof daarover in zijn boek: , .Prediking en uitverkiezing": , , het afscheid geschiedde op broederlijke wijze. Maar bezegelde de vijfde breuk in de Afgescheiden Kerken".

Ds. H. P. Scholte, sinds 1841 van de Afgescheidenen afgescheiden, had het oude ambtsgewaad al spoedig afgelegd.

Het was voor ds. Budding aanleiding zich niet met Scholte in te laten. Wat weer leidde tot een reactie van ds. Gezelle Meerburg.

Hij schreef aan Budding: , , de Apostel zegt: niemand veroordele u in het stuk der feestdagen en daar voeg ik in gedachten bij: niemand * veroordele u in het stuk der kleding”.

In Giessendam was de Afgescheiden dominee W. H. Gispen de eerste die het waagde, het ouderwetse ambtsgewaad af te leggen. Enige moed was daarbij wel nodig, want men trotseerde het algemeen gevoelen van de gemeenteleden. Men vond een dominee met hoge hoed maar werelds en de lange broek maar flodderig voor een Eerwaarde Heer.

Tegen een vrouw van een diaken, die weinig waardering had voor de wisseling van kostuum, zei ds. Gispen: , , U wil ik wel een diep geheim vertellen, omdat ik weet, dat het bij u veilig is: ik draag de korte broek nog". Nu keek de vrouw hem met grote ogen van verwondering aan. Maar Gispen vervolgde: , , Jazeker, ik draag de korte broek nog... onder de andere" (H. J, van Dijk in zijn boek: , , Land, dat voor geen wateren beeft”).

Bef, steek en kuitbroek verdwijnen

Altijd weer waren er mensen, die het dragen van steek, bef en kuitbroek als een onbedrieglijk kenmerk van rechtzinnigheid en godzaligheid beschouwden.

De tegenzin tegen het ambtskostuum nam toe, toen het sommigen tot afgoderij verleidde. Dwaas genoeg, ging men aan bepaalde delen van de ambtskleding, geestelijke betekenis toeschrijven. Omdat de steek drie kanten had, zag men daarin het teken van de godheid: Vader, Zoon en Heilige Geest.

De schoenen met de gespen, stelde voor de bereidheid van het Evangelie. En dat de bef van ds. Ledeboer twee stroken had, was heenwijzing naar de Wet en het Evangelie.

Beffen waren er in verschillende uitvoeringen. Sommige hadden twee uiteenlopende stroken, andere hadden maar één bredere strook. Ook kende men Voetiaanse, Coccejaanse, maar ook Libertijnse en Groeneweegse beffen.

Vergeleek men de uitrusting van ds. Boone met die van ds. vanDijke, dan ontdekte men een verschil.

VanDijke droeg namelijk een zijden band over zijn arm en bij Boone ontbrak die band. Voor vanDijke de kansel opging, werd deze band blijkbaar vastgemaakt aan de kraag en hing over de rug naar beneden.

Iemand zag in de combinatie van deze band met dominee's uitgestrekte armen een soort kruis.

Het heeft lang geduurd, maar uiteindelijk verdwenen ook bij de Oud-Gereformeerden bef, kuitbroek en wat dies meer zij. Daarvoor in de plaats kwam de lange zwarte jas.

B.

H.H.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1993

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Ambt en gewaad (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1993

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken