Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Marnix van Sint Aldegonde (6)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Marnix van Sint Aldegonde (6)

9 minuten leestijd

KERKGESCHIEDENIS

Tegen de afgodische verering van Maria, stelt hij de ware gestalte van Maria naar de Schrift als hij schrijft:

„Waer uyt men claerlijck en ghenoechtsaem mereken kan, dat deze Lief vrouwe seer eergierich is ende begeert voor de Coninginne des Hemels aengezien ende aengeroepen te wesen ende hebbe het voordeel| over alle Sancten en Sanctinnen des Paraï dijs. Want sij is al van een anderen aertl dan de heylige Maghet Maria, de moedeil van Jesu Christi gheweest is, welche sich bekende een arme dienaresse Gods te zijn, en wees denghenen, die eenich dincks behoevejm lijck waren, aen haren Sone Jesum Christam”.

„Bij de examinatie der ketters sal men hen niet vraghen oft sij de Schrift ende den Bijbel ghelooven oft sij Pauli brieven houden voor het Woord Gods, of sij niet en beken-j nen, dat sij arme verloren ende verdoemde menschen waren in Adam ende dat se God uyt enckele loutere ende onverdiende genade ende barmherticheydt heeft verlosset en de saüich gemaect... want dat is al era keel...

Wat ist dat men hen vraeght? Ten eerste ende voor allen, oft sij niet en ghelooven, dal de Heihge Roomsche Kercke is de meesteresse ende vorstinne over alle Kercken ende dat de Paus van Romen is het hoofd der selver”.

Door Rome werd uiteraard gereageerd opf de , , Biëncorf". Pastoor Jan Coen schreef ini 1598 zijn: , , Confutatie of Wederlegginghe var de Biëncorf”

Hij verklaarde, dat het verschijnen van de , , Biëncorf" een belangrijk gebeuren was. Hij erkent haar grote betekenis:

„Nochtans men houdt dezen Biëncorf in Hollant en Zeelant in grooten waerden, als een boeck vol wijsheyt en gheleertheyt; want also haest als iemand uyt Vlaanderen coemt in Hollant, sij segghen terstont: , , Leest den Biëncorf"; , , Leest den Biëncorf" hiermede te kennen ghevende, dat den , , Biëncorf" alleen genoegh is om iemand ketters te maken... ende het dunckt mij oock alsoo....”

Die „Biëncorf" werd genoemd: , , fenijnich", een , , Wespencorf" of „Kettersche Spinnecoppe”.

Naast proza schreef Marnix ook poëzie. We denken vooral aan zijn Psalmberijming. Maar ook het, , Wilhelmus" moet worden genoemd

Ons volksHed heeft men wel genoemd: , , lij-j denslied" en , , overwinningshymne". Geboren in tijden van nood, heeft het ook later in da- gen van angst en gericht, het Nederlandse volk nnerlijk aangeraakt.

„Het Wilhelmus is eerder een troostlied dan len triumflied". , , Het is vrij van krijgshaftig gebral, pathetisch nationalisme, opgeschroefiie vorsten verheer lij king of sentimenele rominantiek". (L. M. P. Scholten)

Marnix richt zich tot het Nederlandse volk, die , , arme schapen in nood zijn...": , , Oorlof mijn arme Schapen Die zijt in grooten nood, U Herder zal niet slapen Al zijt ghij nu verstroyt”.

„Zoo het de wil des Heeren Op dien tijd was geweest. Had ik gaarne willen keeren , Van u dit zwaar tempeest; \ Maar de Heer' van hierboven. Die alle ding regeert, Die men altijd moet loven En heeft het niet begeerd”.

We gingen er van uit, dat Marnix de dichter van het Wilhelmus is geweest. Maar dat is vol-^ens geleerde letterkundigen in het geheel niet zeker.

Velen hebben achter de naam Marnix als auteur een vraagteken gezet. En dat konden ze '^°^"' o^dat de schrijver zichzelf niet heeft ge jnoemd. Men is het er niet over eens.

Sommigen hebben gezegd: , , Een dergelijk [innig, teder, kinderlijk Ued kan niet van zijn hand zijn". En wellicht dachten zij daarbij aan de ruige taal van de „Biëncorf”.

Anderen zetten zonder bezwaar onder het Wilhelmus de naam van Marnix.

Zo schreef Anthonie Donker in , , de Stem” (januari 1941):

„In het gedicht waarmede Marnix zijn , , Schriftuurlijke Lofgezangen" inleidt, herinneren sommige regels aan het Wilhelmus.”

Ook de biograaf van Marnix, dr. A. A. van Schelven is geneigd aan te nemen, dat Marnix de schrijver van het Wilhelmus is geweest.

En ook de letterkundige Ad den Besten komt voorzichtig tot dezelfde conclusie.

Wie ook de schrijver mag zijn geweest, het is een aangrijpend lied geworden. Een lied vol medegevoel met het geslagen en verslagen volk van Nederland.

Er is een tijd geweest, dat als volkslied het , , Wien Neerlands bloed" werd gezongen. Een hed dat , , bol staat van zelfverzekerdheid en opgeblazen vaderlandsliefde".

We mogen dankbaar zijn, dat minister Beelaerts van Blokland er voor gezorgd heeft, dat de Ministerraad op 10 mei 1932 het besluit nam, dat het Wilhelmus van Nassouwen voortaan als het , , officiële" volkshed zou worden beschouwd en dit besluit in 1938 werd bekrachtigd.

De vermaning worde ook door ons ter harte genomen:

, , Tot Godt wilt u begheven, Sijn heijlsaam Woort neemt aan. Als vrome Christen leven Tsal hier haest zijn ghedaen".

Marnix bezat een enorme bibliotheek.

Hij zal op Souburg menig uur besteed hebben aan het catalogiseren van de bijna 1700 aanwezige boeken.

Wat waren dat voor boeken? Wel... om te beginnen waren er 38 handschriften en 14 muziekstukken. 584 boeken gingen over theologie, 102 over geneeskunde. Dan waren er 469 geschiedkundige en 525 wijsgerige, wiskundige en taalkundige werken.

Er waren boeken in het Grieks, Latijns, Hebreeuws, Italiaans, Frans, Duits en Nederlands. Hij bezat de verzamelde werken van bijna alle kerkvaders, maar ook van latere schrijvers, scholastieken en thomisten, maar ook van Luther, Melanchton, Calvijn, Erasmus en Ursinus. Werken van Homerus, Plato, Aristoteles en Euclides; Middeleeuwse devotieboeken zowel als het werk van Dürer, Bocaccio, de humanistische wijsgeer Montaique, alsook een studie van de bekende Nederlandse ingenieur Simon Stevin.

Ook Bijbels waren er uiteraard. Men telde 2 Griekse, 3 Hebreeuwse, 8 Latijnse, 1 Franse en 1 Lutherse Bijbel.

Een zeer zeldzame verzameling die een boekenhefhebber in verrukking zou hebben gebracht.

Ik stel mij voor, dat Ton Bolland van Amsterdam zulk een collectie met genoegen zou veilen.

Het moge duidelijk zijn... een man met een dergelijke veelzijdige boekenschat wist wat hij schreef en deed dit met kennis van zaken. Hij kende zijn tegenstander en kwam welbeslagen op het vaak gladde ijs.

5. Psalmberijmer

Marnix heeft ook de psalmen berijmd. Hij vertaalde ze uit het Hebreeuws, zette ze op rijm en gaf ze in 1580 uit.

Hij had er begrip voor, dat sommigen de arbeid aan deze berijming besteed, onnodig vonden, en dat hij zijn tijd beter aan andere dingen had kunnen besteden. Men had immers de berijming van Datheen.

„Ik twijfel er niet aan", aldus Marnix, , , of sommigen zullen denken dat ik de heer Datheen van lof en eer wil beroven”.

Maar hij verdedigt zich door de woorden van de apostel Paulus te citeren, die gezegd heeft, dat in de Gemeente van God geen werken verboden mogen worden, die stichtelijk zijn en die door iedereen begrepen kunnen worden.

Marnix heeft de psalmen op een veel nauwkeuriger en verantwoorder manier berijmd dan Datheen. Ze zijn hterair beter, veel schoner en meer zingbaar.

Uit deze psalmberijming vooral werd duidelijk, dat Marnix ook dichterlijke gaven bezat.

Trouwens... Datheen zelf prees het werk van Marnix. Hij achtte ze: , , nader naar de Hebreissche waerheyt te zijn, dan de zijne". Hij wenst dan ook, dat deze in de plaats van de zijne in alle Nederlandse kerken mochten worden ingevoerd.

Maar daartoe is het nimmer gekomen. In april 1581 besloot de Particuliere Synode van Zuid-Holland, gehouden in Rotterdam: , , dat de Psalmboeken van Datheni voor dese tijt int gebruyk der Kerken noch blijven sullen”.

Eerst in 1586 viel er een besluit van de Synode van 's Gravenhage, dat de berijming van Marnix: , , van den predickstoel den volcke aangeprezen (zou) worden, met aan wij singe van de nutticheyt van dien, zonder nochtans de vorige Psalmen, te weten Datheni, tot noch toe gebruyckt, preciselyck te verwerpen, maar latende in de Gemeente vrijheyt die te behouden ende te singen.”

Iedere kerkeraad behield dus de vrijheid een keus te maken. De berijming van Marnix is nooit in de kerken ingevoerd. In de bange tijd van de geloofsvervolging was men zo gehecht geraakt aan de psalmen van Datheen, dat men die tot geen prijs wilde inruilen voor die van Marnix.

Aan de afwijzing van de psalmen van Marl nix heeft bijgedragen het gebruik van veroufv derde woorden. Marnix gebruikte b.v. ii| plaats van het gebruikelijke gij en u, de veroiijh derde woorden du en dij.

Op de Synode van Dordrecht (1618-1619) ie over deze kwestie gesproken. Marnix verdejl digde het gebruik van du met een verwijzinif naar het Oud-Vlaams en Brabants: , , om destfi meer de hooge ende eeuwige Majesteijt Godsf te kennen te geven.”

Het gebruik van het meervoudige , , ghif (lieden) achtte hij van Spaanse afkomst. Wildi men de zin van de Heilige Geest , , blootelijck" ende , , slechtelijk" (duidelijk en eenvoudig! uitdrukken, dan moest men terugkeren tot hei oude du.

De Synode was verdeeld in haar oordeel. Ei waren leden die het met de zienswijze vaii Marnix eens waren. Anderen evenwel vondet dat het onbeschaafd en ongewoon klonk et dat de Nederlandsers het du alleen gebruiken in minachtende zin.

Reeds lang toch gebruikte men de vorm , , ghij", ook als men tot God bad. Tenslottf spraken bij de afwijzing, de drukkers een woordje mee.

Reeds in 1579 wezen zij een nieuwe berijl ming af. Ze waren bang, dat ze de oude voorraad psalmen van Datheen niet kwijt zouden raken. Dus ook de commercie speelde mee.i Die financiële strop moest voorkome» worden!

En zo wist mede de macht van de drukkeruitgever Radaeus de zaak tegen de houden.

Een voorbeeld van het gebruik van du en dijn vinden we b.v. in Psalm 22:

„Als ik voor dij doe mijne klachten... En du, mijn God en wilst daar niet op ach ten...”

Schoon is ook Psalm 65:

„Dij wacht in Sion telkens, Heere, , Een lofzank van nieuws aan”. !

En Psalm 84 vers 1 luidt:

„Hoe heflich is dijn wooning schoon, Hoe lustig is toch dijnen troon. Almachtig God, Heer der heyrscharen. Mijn ziel verlangt met grooten lust, Sy sucht end steent gantz ongerust. Na 's Heeren tempel end altaren. Mijn hert springt mij in 't lijf van vreugt, Als mij des levenden God heugt”.

Over de afwijzing van zijn psalmberijming vas Marnix diep teleurgesteld. , , Dat zijn psalmberijming), ofschoon literair van veel foger gehalte dan de berijming van Datheen, ftochtans door de kerk bij deze werd ten achter |esteld, is voor de dichter Marnix misschien en bitterder pil geweest dan de val van Antferpen voor de staatsman Marnix" (Jan en Annie Romein in „Erflaters van onze beschaving”).

(wordt vervolgd)

B.

H.H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Marnix van Sint Aldegonde (6)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken