Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een parel uit de schat der Kerk (34)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een parel uit de schat der Kerk (34)

10 minuten leestijd

GELOOFSLEVEN

Calvijn sluit de behandeling van de Wet af met de overweging hoe Gods wet functioneert in het leven van de gelovige.

Eis en vervulling

Twee belangrijke gegevens komen ter sprake. De volmaaktheid van Gods wet en onze gebrekkige gehoorzaamheid. De wet plaatst ons voor een dilemma, dat Calvijn in de nu volgende vraag verwoordt: Waar de Wet de regel omvat van het zuivere dienen van God, moet de christenmens dan ook niet leven overeenkomstig haar voorschrift? (224). God doet van Zijn recht om aan de eis der Wet te voldoen niets af. Aan de andere kant weet Hij wat van Zijn maaksel is te wachten. Vandaar het antwoord: Ja zeker! Wet en Wetgever zijn één. Volmaakte hefde vraagt naar volkomen gehoorzaamheid. Maar nu de praktijk van het leven van een christen en daarvan zegt het antwoord: maar in alle mensen is zo'n grote zwakheid, dat niemand zich er volkomen van kwijt. De eerste vrucht van de wedergeboorte en bekering is, dat de christen Gods wet leert liefhebben. Al mijn vermaak stel ik met rijp beleid in Uw gebod, dat is mijn hoogst verlangen. Het is niet anders dan hoogmoed om te beweren: als ik een christen ben, heeft de Wet voor mij afgedaan. Het doel van de verlossing is: Ik, zegt God, zal mijn Wet in hun binnenste schrijven, en Ik zal maken dat zij in Mijn geboden zullen wandelen, mijn rechten bewaren en ze ook doen.

Toch blijft de vervulling van de Wet bij hen die er verlangend, met heler harte heenleven, ten dele. En dat, terwijl de Wet haar hoge, volstrekte eis volhoudt en niet van zins is zich bij ons aan te passen. Dit enerzijds - Gods eis - en het anderzijds - onze onvolmaaktheid - roept spanning op. Span­ ning tussen wat Gods wet wil en de gebrekkige wijze waarop ik daaraan voldoe. Een spanning die de vraag opwerpt: Waarom eist de Heere dan zo 'n grote volmaaktheid die boven ons vermogen uitgaat? (225). Er zit in die vraag een neiging tot zelfbeklag. Ook iets van een aanklacht. Vraagt God niet teveel? Overvraagt Hij? Calvijn verzet zich krachtig tegen deze redenering: De Heere eist niets van ons, waaraan we niet zouden zijn gehouden. Maar wanneer wij ons moeite geven om ons leven gelijkvormig te doen zijn met wat ons in de Wet gezegd is, rekent Hij ons geenszins aan, wat ons ontbreekt, al bereiken we lang niet de volmaaktheid. De Heere vergeeft wat ons ontbreekt. Dit antwoord kan niet zoiets betekenen als: God neemt de wil voor de daad. Ook niet: Doe je best, wat je tekort komt ziet Hij wel door de vingers. Evenmin: je bedoelt het goed, maar ja, een mens is maar een mens. Dan zou Calvijn, nee dan zou de Heere Zichzelf tegenspreken. Wat heeft het dan nog voor zin om te zeggen dat de Heere niets van ons eist, waaraan we niet gehouden zouden zijn? Ik denk dat we een zeer pastorale toon in het slot van dit antwoord mogen beluisteren. De Heere weet, dat er in het hart van Zijn kinderen een hartelijke begeerte leeft, om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden van God te leven. Hij heeft het begin van de ware gehoorzaamheid zelf in hun hart gelegd. Lust en hefde om naar de wil van God wetsconform te mogen zijn. Alles is er dus, maar het is een klein begin en dit begin is uit God. Dit kleine begin is dus het geloof, de bekering. Hem alleen zij de eer!

En als Calvijn het heeft over de moeite die wij ons geven ons leven gelijkvormig te doen zijn met wat God in Zijn wet vraagt, dan grenst hij de zaak aan de ene kant af te- gen de werkheiligheid, die ons in het bloed zit, en aan de andere kant tegen de valse lijdelijkheid, die denkt, het komt toch wel goed. De moeite waar het hier over gaat is het biddend werkzaam blijven uit de wetenschap niet dat ik nu al volmaakt bent, maar ik jaag ernaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus gegrepen ben. En om ons te troosten tegen de angstaanjagende gedachte, dat ik door mijn onvolmaaktheid mijn zaligheid ooit nog zal verspelen, wil dit antwoord ons juist bemoedigen. We denken hier aan de passage uit het Avondmaalsformulier, , , dat geen zonde of zwakheid, die nog tegen onze wil in ons overgebleven is, ons zal kunnen verhinderen dat God ons niet in genade zal aannemen". Ik hoor in dit antwoord dat God ondanks alles Zijn verbond in eeuwigheid bewaren zal.

Nee het is niet zo dat de Heere de onvolmaaktheid door de vingers ziet, maar Calvijn eindigt het antwoord met de zin dat de Heere vergeeft wat ons ontbreekt. De onvolmaaktheid geeft worstehng, strijd, gebed en verootmoediging. Gods vergevende liefde, op grond van het volbrachte werk van Christus, geeft ons goede hoop in de genade. Het gebed duwt ons met het gebod steeds weer in de richting van Christus.

Tenslotte wil Calvijn nog van zijn leerUngen weten of alle mensen zich zoveel moeite geven als het gaat om het vervullen van de Wet. De vraag luidt: Spreek je nu van alle mensen in het algemeen, of alleen van de gelovigen? (226). In het antwoord wordt heel duidelijk gesteld, dat de mens wederom geboren moet zijn, wil hij lust krijgen in Gods geboden. De mens die niet door de Geest van God is wedergeboren, zou niet het allerminste kunnen uitrichten. Maar al zou er iemand worden gevonden, die er een deel van volbracht, die zou toch nog niet klaar zijn. Want onze Heere zegt, dat allen die niet geheel de inhoud van de Wet volbrengen, vervloekt zijn. De onwedergeboren mens is niet in staat tot enig goed, en pogingen om de wet na te komen lopen altijd weer stuk op het hoogste gebod der hefde. Het is ons meermalen voorgehouden bij de overdenking van Gods wet. Laat ieder die dit leest of hoort het nog eens op zich laten inwerken. Steiger er niet tegen, maar buig er onder. In één woord: Niet door eigen werk of kracht wordt Gods heilige Wet volbracht. Herhaling op dit punt is echt niet overbodig. Laat het je maar bij de handen afbreken, opdat je terecht komt in de handen van Christus. Door het geloof in Hem mag ik weten dat het is alsof ik zelf alle gehoorzaamheid volbracht heb, die Christus voor mij volbracht heeft.

De tweevoudige taak van de Wet

Moeten wij nu uit het feit dat er twee soorten mensen zijn, ongelovigen en gelovigen concluderen dat de Wet ook een tweevoudige taak heeft? (227). Die conclusie is juist. Want tegenover de ongelovigen dient zij (de Wet) slechts om hen te beschuldigen en hen alle verontschuldigingen tegenover God te ontnemen. Dat bedoelt Paulus, als hij zegt, dat de Wet , , een bediening des doods en der verdoemenis was", (2 Korinthe 3 : 6). Tegenover de gelovigen heeft zij een heel andere functie.

Gods wet is voor de ongelovige, onbekeerde mens de aanklager, die ons gewetensvol veroordeelt. Andere functies van de Wet laat Calvijn hier rusten. De eerste ontdekking in het mensen-(christen-)leven aan de hand van de , , tuchtmeester", de pedagoog, is: ik kan nooit voor God rechtvaardig zijn. Ik blijf onder de maat, de verontschuldigingen werken de schuld niet weg.

De volgende vraag is: Wat werkt de wet uit bij de gelovigen? (228). Antwoord: Ten eerste, toont zij hen, dat zij zich niet kunnen rechtvaardigen door eigen werken. Vervolgens verootmoedigt zij hen, en brengt hen ertoe hun heil in Christus Jezus te zoeken. Ten derde, daar zij meer van hen eist dan hen mogelijk is te doen, vermaant zij hen de Heere te bidden, dat Hij er hen de macht en kracht toe geve. Ten derde blijven zij zich altijd schuldig voelen, zodat ze er niet trots op gaan. Tenslotte is de Wet hen als het ware een teugel, om hen binnen de perken van de vreze Gods te houden. Samenvattend: De prediking van de Wet wil ons brengen tot en bewaren bij de kennis van onze zondige aard. Zij wil ons voortdurend ontdekken en verootmoedigen. Dit is ons leven lang nodig. Hoe meer wij onze zondige aard leren kennen, en daardoor aan onszelf worden teleurgesteld, des te afhankelijker en vuriger zullen zij verlangen naar en bidden om de genade van de Heilige Geest. Het christelijk leven in deze bedehng is en blijft dubbelzinnig. Maar niet dubbelhartig. Dubbelzinnig wijst op de inwendige strijd, de tweespalt, van zuchten en hopen, maar juist zo is zij profetie van een nieuwe toekomst. , , Opdat het gevoel van onze verdorvenheid de gelovigen zou doen zuchten en verlangen om van dit hchaam des doods verlost te worden" (Ned. Gel. Bel. art. 15).

Al met al, de Wet door de bediening des Geestes bewaart ons voor geestelijke hoogmoed. Welgeladen halmen buigen diep; zwaargeladen schepen hebben diepgang.

Dan komt Calvijn vragenderwijs tot de conclusie en het doel der Wet. We moeten dus zeggen, dat, hoewel wij gedurende dit sterfelijk leven de Wet nooit volbrengen het toch geen overbodige zaak is, dat zij een zodanige volmaaktheid van ons eist? Want ze toont ons het doel, waarheen we moeten streven, opdat ieder van ons, naar de genade die God hem bewezen heeft, zich met alle krachten inspanne, om dagelijks te vorderen. (229). Zo versta ik dat. Het bijbels commentaar op dit antwoord is: Gij ziet uw roeping broeders, om uw heiligmaking te voleindigen in de vreze Gods.

Gods wet volkomen leefregel

Daarop doelt de vraag: Hebben wij in de Wet een volkomen regel tot alle goed werk? (230). De Heere vraagt eenvoudige gehoorzaamheid. Het antwoord maakt ons de zaak duidelijk. Ja, en wel zo, dat God alleen van ons vraagt, die te volgen; terwijl Hij integendeel afkeurt en verwerpt alles, wat de mens onderneemt, buiten die Wet om. Hij vraagt geen andere offerande dan gehoorzaamheid. Goed bedoeld of slecht bedoeld; alle eigenwillige, eigenwettige godsdienst is de Heere een gruwel. Gehoorzaamheid geeft blijk van hefde, en het geloof door de Hefde werkende leert ons, dat de Hefde de vervulHng der Wet is.

De Wet houdt de gelovigen in het bijbelse spoor. Waarom komen we in de Bijbel al die vermaningen, opwekkingen, bevelen en aansporingen tegen, zoals uit de geschriften van de apostelen en profeten blijkt? (231). Ze hebben maar één doel. Dat zijn louter verklaringen van de Wet, niet bestemd om ons van de gehoorzaamheid ervan af te trekken, maar om ons juist daarheen te brengen. Je zou ze kunnen noemen de verklarende kanttekeningen bij Gods heilige geboden. De Schrift is vol van toepassing van Wet en geloof en allerlei levensgevallen. Ik zet mijn treden in Uw spoor is de leefregel van de christen. In het geloof ver-staan zegt God ons in Zijn Wet voor hoe wij Zijn Naam ter ere mogen leven.

Nu stelt Calvijn de laatste vraag: Spreekt de Wet ook nog van wat onze bijzondere roeping uitmaakt? (232). Antwoord: Jazeker! Als je zegt, dat we aan ieder moeten geven wat hem toekomt, kunnen we daaruit al wel opmaken, wat onze plicht is. En verder hebben we, zoals we zeiden, de toepassing in heel de Schrift. Want wat de Heere in een samenvatting geeft, behandelt de Schrift op allerlei plaatsen breder. Leven bij het Woord van God maakt het gebod, dat heiHg en goed is, tot een zacht juk en een lichte last. In plaats van onder de Wet te moeten zuchten gaan we zingen. Hoe Hef heb ik Uw Wet. Gods geboden zijn geen vuistregels, maar gezangen ter plaatse onzer vreemdeHngschappen. Geen wettisch , , moeten" drijft ons meer, maar een dankbaar , , zullen". Door de genade van de Heilige Geest worden er tekenen opgericht van kinderlijke gehoorzaamheid. Johannes de apostel heeft toch gelijk als hij aan de christenen schrijft: En Zijn geboden zijn niet zwaar. Het geloof is immers door de Hefde werkende!

H.V.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1996

Gereformeerd Weekblad | 24 Pagina's

Een parel uit de schat der Kerk (34)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1996

Gereformeerd Weekblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken