Bekijk het origineel

De steen en de tempelbouwers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De steen en de tempelbouwers

10 minuten leestijd

MEDITATIE

„Maar de landlieden zeiden onder elkander: eze is de erfgenaam; komt laat ons hem doden, en de erfenis zal de onze zijn. En zij namen hem en doodden hem, en wierpen hem uit buiten de wijngaard." (Markus 12 : 7 en 8)

Een gelijkenis vormt de overdenking van - deze regels. De mensen aan wie de Heere Jezus deze gelijkenis vertelt, zijn bepaald geen vrienden van Hem. Ze waren wéér naar Hem toegekomen, de overpriesters, de Schriftgeleerden en de ouderlingen. Het conflict vormt de achtergrond van deze gelijkenis. Dit conflict, de tegensteUing tussen Jezus, de Zoon van God en de geestelijke leidslieden van het volk. De spanning neemt toe. Voortdurend zijn de tegenstanders erop uit Hem te vangen. Ze vragen Hem telkens naar Zijn macht en bevoegdheid. Jezus antwoordt met tegenvragen. Daarop blijven ze het antwoord schuldig. Het was een vragen naar de bekende weg. Het was voor iedereen duidelijk, dat de Heere Jezus sprak en handelde op gezag van God. Maar al was dat voor iedereen duidelijk, het werd niet door iedereen aanvaard. Het vuur van de haat smeult.

Toch gaat Jezus een antwoord geven op de vraag Wie Hij is. Dat Hij is de Zoon van de levende God. Tegehjk tekent Hij hiermee het beeld van henzelf: boze wijngaardeniers, landheden. Jezus is Zich volkomen bewust van wat zich binnen afzienbare tijd gaat afspelen. Het doemt voor Hem op: het kruis. Dat laat Hij door middel van deze gelijkenis duidelijk blijken. De beelden die Jezus gebruikt zijn overduidelijk. Zijn hoorders zullen direct begrijpen waarover Hij het heeft, wat Hij bedoelt. U spiegelt zich er wel aan?

Het lied van de wijngaard

Het gaat dan over een wijngaard, die geplant wordt. Het gebeurt grondig en goed. Men spaart kosten noch moeite. Er wordt een omheining gemaakt, een wijnpersbak gegraven, een toren gebouwd, die uitzicht geeft op de omgeving. Een veihgheidsmaatregel om de wijngaard te beschermen tegen indringers. Zoals de kleine vossen, die veel schade aanrichten. Altijd weer en nog steeds. Hoe dan ook, alles wordt in het werk gesteld een goede opbrengst te verzekeren. Wanneer nu de wijngaard is aangelegd, besluit de eigenaar naar het buitenland te gaan. Lukas zegt zelfs dat het was voor een lange tijd. Wat doe je dan in dergelijke omstandigheden? De wijngaard ver- pachten. Er wordt, zouden wij zeggen, een pachtcontract opgesteld waarin alles precies wordt vastgelegd en geregeld. Een goede zaak, zeggen wij dan. Je weet maar nooit. De hoofdzaak van het contract is wel de bepaling dat een deel van de opbrengst voor de eigenaar is. Laten we maar zeggen de pachtprijs.

De eigenaar gaat op reis. Na verloop van tijd stuurde de man zijn knechten om de pacht te innen. Maar het ging met die dienaren toch wel anders dan verwacht mocht worden. De eerste de beste die kwam, namens zijn heer, werd beetgepakt, geslagen en zonder pacht teruggestuurd. De volgende die zich aandiende, werd gestenigd en raakte aan het hoofd gewond. Nadat hij zo schandelijk behandeld was, werd ook hij weggestuurd. De volgende werd gedood. De pacht werd de rechtmatige eigenaar geweigerd. Velen werden er gezonden, waarvan er sommigen werden geslagen, anderen werden gedood. Het ging dus van kwaad tot erger. Slaan, stenigen, doden. Men kwam om de vrucht, maar men kreeg niets. De eigenaar had het toekijken, ondanks het contract.

Het is heel goed mogelijk dat Jezus bij het uitspreken van deze gelijkenis dacht aan Jesaja 5, het lied van de wijngaard. Een wijngaard waarvan vrucht verwacht mocht worden. Er was alles aan gedaan, alle mogelijke zorg aan besteed. De verwachting was dat er goede druiven voortgebracht zouden worden. Maar het was wel anders: stinkende druiven. De hoorders zullen elkaar wel aangekeken hebben. Ze snappen wel dat Jezus hen op het oog heeft. Ze kenden de Schriften. Israël is Gods wijngaard. Zo wilde de Heere met geen volken handelen. Het beloofde land, de tempel, de priesters, de offerdienst, de woorden Gods, de beloften van heil. Niet te waarderen en niet te tellen zegeningen. De leiding van de Heere met Zijn volk. Als op arendsvleugels gedragen. Israël, een vruchtbare wijngaard. Want, zegt de Heere, wat is er meer aan Mijn wijngaard te doen? Om de vrucht

De Heere mocht vrucht verwachten. Hij komt erom. Daar gaat het om. Dat is tot Zijn eer. Een leven volkomen Hem gewijd. Dankbare gehoorzaamheid. Om Zijn verbond en woorden als schatten te waarderen. De profeten maanden het volk.

Bekeert u. Hoe zijn ze behandeld? Gij die de profeten doodt en stenigt. Maar Mijn volk wou niet! Aangrijpend is dat. Niet de gehoorzaamheid, de onderwerping, het gaan in Zijn weg, de wandel naar Zijn Woord, het bedoelen van Zijn eer. Het leven van de gegronde verwachting. De Heere, Hij is de Enige Die recht kan laten gelden. Hinderlijk vinden wij, die menen zelf rechten te hebben. Zo zijn wij, mensen. Wie Gods recht niet erkent, ergert zich al gauw. En loopt weg. Er is niet zoveel nieuws onder de zon. U trekt de lijn en het beeld van de wijngaard toch wel door? Hoe vaak horen we het niet, zeggen we het niet: een planting des Heeren. Ook dan als het gaat om de kerk in Nederland, waar zoveel om te doen is. Sinds jaar en dag horen we het EvangeHe van de Christus Gods. Alles is gegeven wat nodig was om de Heere te dienen in oprechtheid. De kerk, het Woord, de sacramenten, de ambten, de vrijheid. Nu al weer zoveel eeuwen. Wordt ons dat afgenomen? God zegt: wat is er meer aan die wijngaard te doen? God zegt ook: wat is je dat waard? In de dagen van de Heere Jezus werd die verwachting niet beantwoord. Sinds Adams dagen en Adams opstand is dat het oude lied. De weigering, het ongeloof. De lankmoedigheid van God leidde niet tot bekering. Dan komen de dingen nog scherper te liggen. En nu?

Ten laatste dan zond de eigenaar zijn zoon. Een zoon die hem hef was, zegt Markus. Hem zouden ze ontzien. Ten laatste, dat tekent de gezindheid van de heer van de wijngaard. Het is toch haast onwaarschijnlijk. Wie zou zo handelen, na alles wat er al gebeurd was, wat de knechten al was overkomen. Wie zou dan nog zijn zoon zenden?

Toch is dat gebeurd. De heer van de wijngaard beschikt over een buitengewone mate van lankmoedigheid. Al was er alle reden toe direct naar de rechter te stappen, het vonnis te laten vellen, hij deed het niet. Hij zond zijn zoon. Maar ook toen ging het anders dan gedacht. De verwachting werd beschaamd. Ze ontzagen zelfs de zoon niet. Want de landlieden zeiden onder elkaar: Deze is de erfgenaam. Hij zal straks de wijngaard krijgen. Ruimen we hem uit de weg is de erfenis voor ons. Zo gezegd, zo gedaan. Ze namen en doodden hem en wierpen hem uit, buiten de wijngaard.

Zo nu, zal het de Heere Jezus vergaan. Hij heeft Zich laten zenden. Dat heet nu ontferming. Dat is een hef de die in menselijke bewoordingen niet is uit te drukken. En als Hij komt, zitten ze dan op Hem te wachten? Nee. Hij is gekomen tot het Zijne maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij heeft Zich vernederd tot in de dood aan het kruis. Verworpen. De bouwheden hebben de steen verworpen. De zoon werd niet ontzien. De hoogste hefde werd veracht. God Zelf, de Eigenaar werd verworpen. Hier is Golgotha in tekenspraak. Jezus Christus, Hij wordt buiten de stad geworpen, buiten de poort. Hij is Gods Gave. Het laatste wat Hij te geven had. Ze hebben Hem niet ontzien. Ze willen zich niet onderwerpen. Het smeulende vuur wordt een vlam: weg met Hem. Ze volharden in ongeloof. Niet geloven, het wordt op den duur een verwerpen van het Evangelie, een niet vertrouwen op de woorden van God. Het wordt een haten en verwerpen van de Christus. Maar zullen wij dan de Zoon ontzien? Zullen wij hem ontzien, Die komt in de Naam des Heeren? Wie wil eraan geloven? Zo maar wat vragen bij wijze van toepassing.

Uw vrucht uit Mij

Immers het kruis van Christus is ook voor ons een ergernis. Er is al teveel godsdienstigheid, waaruit de ergernis is weggesneden. Deze ergernis, dat er voor Hem geen plaats is. Dat Zijn Woord haaks op ons leven staat. Dat Hij komt om de vrucht. Wij staan zo heel dicht bij die overpriesters en oudsten. Als het horen van het Evangelie niet met geloof gemengd is, doet het ons geen nut. Zonder de genade van God in Christus, zonder levend geloof, is het kruis ons een ergernis. Dat is het, voor Jood en Griek. Het is de Heilige Geest, Die ons ontdekt aan onze dodelijke onvruchtbaarheid. Hij roept de belijdenis tevoorschijn, waar allen die de Heer e vrezen mee in zullen stemmen: uit mij geen vrucht. In der eeuwigheid niet! Opdat de vrucht gevonden zou worden uit Hem. Zo wordt Christus ons dierbaar. In dat rechtvaardigen van God en het veroordelen van onszelf. Dat wij al onze rechten hebben verspeeld. Dat God naar recht zou handelen als Hij mij voorbij zou gaan. Voor eeuwig. De Geest maakt eerlijk en doet de schuld belijden. Wij zijn niet zo welwillend als wij voorgeven. De gelijkenis wordt opnieuw geschreven in de geschiedenis van ons leven. We zullen het met droefheid erkennen.

Maar verstaat u dan ook het wonder dat de Heere Jezus Zich liet verwerpen. Zich het doden. Dat Hij Gods recht heeft vervuld, heeft weergegeven wat Hij niet geroofd had. Dat Hij de straf heeft gedragen, de toorn van God waaronder wij eeuwig hadden moeten verzinken. Opdat ik voor Hem buig. Tot Hem vlucht. Mijn vermeende rechten prijsgeef. In Hem alleen rust. Mijn Heere en mijn God. De bouwheden konden de Heere Jezus niet gebruiken. Ze vielen over Hem. Passen wij daar toch voor op. Hoe u het wendt of keert, van welke snit of makelij uw godsdienst is: zahg wie aan Christus niet zal geërgerd worden. Zij die deze gelijkenis uit de mond van de Heere Jezus hoorden verlieten Hem en gingen weg. Ze hebben het goed begrepen. Wat zouden ze Hem graag gevangen nemen. Maar ze vreesden de schare. Wie heeft zich verhard en vrede gehad?

De geestelijke leidslieden dachten dat hun positie was veilig gesteld wanneer ze de Heere Jezus hadden gedood. Achter de Christus zagen zij niet de Eigenaar, de Vader, Die Hem gezonden had. De landlieden zijn wél, de wijngaard niet verdorven. Hij paste niet in het bestek van de bouwlieden. •Wel in dat van de Vader. De bouwUeden konden Hem niet gebruiken, de Vader heeft Hem aangenomen. Hij wordt tot een hoeksteen. Dat is van de Heere geschied. Dat is wonderlijk voor het oog des geloofs. Anders niet. Het geloof ziet Hem. Neemt Hem aan. Leeft uit de kracht van Zijn offer. Uit de kracht van Hem, Die dood geweest is, maar Die leeft. Meer en meer. Daarin is de groei. Het opwassen. Niet omhoog, maar in de diepte. Je hoe langer hoe meer verootmoedigen. En hoe langer hoe meer de gerechtigheid van Christus begeren. En je hoe langer hoe meer verwonderen. Waarover? Over de diepten en de rijkdom van Gods ontferming. Zo weergaloos groot, zo vol erbarmen. Daar vol van te zijn. Van God en van Zijn liefde, van Christus en van Zijn genade. En dat alles door de Heilige Geest.

Gaan wij dan aan de wek-en roepstem niet voorbij. Is het gevaar denkbeeldig, vandaag 1997, dat de wijngaard van ons eenmaal wordt weggenomen? Wat een aanslagen worden er gepleegd op de kerk in Nederland. Het oordeel begint bij het huis van God. Wat hebben we verdiend. O dat we dan de Christus Gods te voet vallen. Voor Hem buigen. Hem, de Erfgenaam eerbiedigen. Horen naar wat Hij te zeggen heeft. Hem gehoorzaam zijn. In een ootmoedige wandel. Tot de eer van Zijn Naam.

K.t.K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1997

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De steen en de tempelbouwers

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1997

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken