Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hagar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hagar

10 minuten leestijd

BIJBELSE FIGUREN

Genesis 16

Genesis 21 : 9—21

Hagar was een slavin uit Egypte. We treffen haar aan in het gezin van aartsvader Abrïun en zijn vrouw Sarai. Ze zal nog een klein meisje zijn geweest, toen ze uit haar geboorteland werd geroofd. Zulke meisjes werden als slavin verkocht. Zo werd zij het eigendom van Sarai. Abram had van God de belofte ontvangen, dat Sarai hem een zoon zou baren. Maar die belofte scheen niet vervuld te worden. Als na tien jaar wachten Sarai nog steeds kinderloos is, neemt zij maatregelen. Zij staat Hagar af aan haar echtgenoot, opdat deze bij haar een kind kan verwekken. Bij de Babyloniërs was het, wanneer de vrouw onvruchtbaar bleek, geoorloofd, óf een vrouw erbij te nemen, óf de slavin van de vrouw in haar plaats te doen treden om voor een erfgenaam te zorgen. Dit voorbeeld werd door Abram en Sarai gevolgd. Rechtens zal dat kind de zoon van Sarai zijn. Sarai zal uit haar gebouwd worden (Genesis 16 : 2). Er kon, zoals Sarai het zag, aan een slavin geen hogere eer bewezen worden. Toch was dit hun doen, zonde voor God. Deze daad om uit Hagar een kind der belofte te verkrijgen, kwam voort uit ongeloof in de almacht van God en in de zekerheid van Zijn belofte. Het was bij Abram en Sarai een ingrijpen in Gods weg.

Abram ging op het voorstel van zijn vrouw, om Hagar als , , bijvrouw" te nemen, in. Hagar raakt in verwachting. Ze is er niet weinig trots op. Daarmee gepaard ging een gevoel van minachting voor haar onvruchtbare meesteres. Ze gevoelt zich de meerdere van Sarai. Dat krenkt Sarai diep. Ze beklaagt zich heftig bij haar man. Abram kiest geen partij voor Hagar en antwoordt Sarai, dat Hagar haar slavin is en blijft. Nu weet Sarai, dat ze volmacht heeft om zich te handhaven. Jaloers als ze is, gaat zij op allerlei manier Hagar het leven zuur maken. Dag in, dag uit, , .vernedert" zij Hagar en heeft ze waarschijnlijk haar slavin opgescheept met de minste slavenarbeid. Hagar moet goed beseffen, dat ze nog steeds slavin van Sarai is. Het wordt teveel voor Hagar. Ze kan het niet meer aan. Ze zoekt haar heil in de vlucht. Weg van hier! Ze wil wat onmogelijk is, ze wil dwars door de woestijn, zonder enig hulpmiddel, terug naar haar vaderland, terug naar Egypte. En dat in haar toestand!

Ze komt niet ver. Reeds bij de grens van de woestijn, bij de laatste bron, is haar overmoed gebroken. Hopeloos en radeloos, zit ze verslagen bij de waterfontein neer. Deze, door woestijnreizigers erg gewaardeerde bron, lag op de weg van Sur (d.i. de versterkte muur, die de grens vormt tussen Kanaan en Egypte). Daar vindt haar de Engel des Heeren. Dat was geen gewone engel. Wie de kanttekeningen erop naslaat leest daar: , de engel": , Dat is het hoofd der engelen. De Heere Christus, Die daarom ook HEERE genoemd wordt" (Genesis 16 : 13).

De Engel des Heeren sprak haar aan en zeide: , Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, vanwaar komt gij en waar zult gij heengaan? " Deze woorden brengen haar tot inkeer en ootmoed. En als ze bekent, gevlucht te zijn voor Sarai, geeft de Engel de bedroefde en afgetobde vrouw de raad: , Keer weder tot uwe vrouw en verneder u onder haar handen". Verder nog zei de Engel, dat ze zwanger is en een zoon zal baren. Ze moet deze de naam geven , , Ismaër': , omdat de Heere uw verdrukking aangehoord heeft" (Genesis 16 : 11). (Ismaël betekent: , Jahweh heeft geluisterd".) Ook ontvangt ze de belofte, dat Ismaël een groot nageslacht zal hebben. Dat volk uit Ismaël gesproten, zal een zwervend bestaan leiden, vrij en fier. Als een woudezel in de woestijn. Rondzwervend aan de grenzen van al zijn broeders. In strijd met allen; door allen gevreesd, maar zelf onversaagd en voor niemand bang. Aller hand tegen hem en zijn hand tegen allen. Naar aanleiding van wat hier gebeurde, noemde men de waterput: , Lachai-Rói" dat is: , de put van de levende God, Die mij ziet". Ze lag tussen Kades en Bered. Kanttekeningen: , Lachai-Rói, dat is , , des levenden die mij ziet". Zij noemde de put naar zichzelven, omdat zij in het leven gebleven was, nadat zij de Heere gezien had; en ook, naar de Heere, omdat Hij haar gunstig aangezien had; doch anderen menen, dat beide benamingen op God zien Die leeft en alles ziet”.

Zo staakt Hagar haar vluchtpoging en keert naar het huis van Abram terug. Daar baarde zij Abram een zoon. Vader Abram was toen 86 jaar oud. Hij geeft zelf haar kind de naam Ismaël, zoals de Engel aan Hagar bevolen had.

Later laait de afgunst van Sarai weer hoog op. Nu vooral tegen Ismaël. Dat is na de geboorte van Izak. Die wondere geboorte op zeer hoge leeftijd van Abraham en zijn vrouw, bracht Sara grote vreugde, maar was voor Hagar een bittere teleurstelling. Het betekende duidelijk voor haar en haar zoon een stap terug. De naijver van Ismaël kwam tot uiting op de dag, dat Izak gespeend werd. Met het spenen werd het kinderlijk tijdperk afgesloten. Men werd zuigeUng af. Dat werd feestelijk gevierd. De feestvreugde wordt voor Sara vergald, als ze ziet, dat de 17-jarige Ismaël, de 3-jarige Izak bespot. Revaliteit tussen de zonen van Abraham, die elkander niet mogen. Maar ook en meer, de tegenstelling tussen , , vlees" en , , geest". Daarover gaat het ook in Galaten 4 vers 29. De Apostel Paulus noemt daar de spot van Ismaël: , , vervolging". Vervolging van de kerk door de wereld; van het zaad van het verbond, door hen, die daar vreemd aan zijn en afkerig.

Het roept bij Sara gevoelens van weerzin op tegen Ismaël. Ze gaat zich weer op Hagar wreken. Ze eist van Abraham, dat hij de slavin en haar zoon zal heenzenden (Genesis 21 : 10). De zoon van de slavin dele niet in de erfenis, die alleen aan Izak toekomt. Het gaat hier niet over aardse goederen alleen, maar hier wordt bovenal geduid op het feit, dat Ismaël wel deel had aan de uitwendige zegen van het Verbond, waarin hij is opgenomen, Ismaël was besneden (Genesis 17 : 25), maar hij mag niet erven met de zoon van de vrije (Galaten 4 : 20—31).

Wat Sara wil, roept bij Abraham fel verzet op. Hij keurt het volstrekt af! , , En dat woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oouake van zijn zoon" (Genesis 21 : 11). Ismaël is toch ook zijn zoon. Hij moge dan geen kind van het Verbond zijn, 't was toch zijn kind, zijn vlees en bloed. Maar als God hem beveelt te doen wat Sara van hem vraagt, neemt Abraham het diep ingrijpende en hem aangrijpende besluit, Hagar en haar zoon weg te zenden. Tot zijn troost deelt de Heere hem mede, dat ook voor Ismaël een zegen is weggelegd: , doch Ik zal ook de zoon van deze dienstmaagd, tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is" (Genesis 21 : 13).

In de aangrijpende tekening van het af­ scheid is diepe weemoed. Het heeft Abraham veel strijd gekost om voorgoed afscheid te nemen van Ismaël. Vroeg in de morgen komt Abraham zelf de ongelukkige dienstmaagd een laatste groet brengen. Hij wil geen getuigen bij dit pijnlijk toneel. Hij brengt brood en een zak water en geeft ze aan Hagar. Pover proviand voor onderweg! Nog een laatste handdruk. Vaarwel! Het is of het Abraham teveel wordt. , , Hij zond haar weg". , , Ga nu maar”.

„Ismaël, hoewel in Abrahams huis geboren en voor een tijd daar opgevoed, blijkt toch ten laatste daar niet te behoren. Zo kan het ook met u gaan, die in de Christelijke kerk geboren en gedoopt, in het Christelijk gezin opgevoed, evenwel de geest van dit alles mist, omdat gij de Geest niet hebt. Een aardse erve is voor de eeuwigheid niet genoeg”.

(S. van Ronkel in: , , Bijbellezingen voor het volk".)

Zo laat Abraham ze heengaan naar de woestijn van Berseba, de vrijheid tegemoet. Al spoedig weet de arme moeder de weg niet meer. Ze is in de troosteloze woestijn het spoor bijster. Het wordt: walen in de eindeloze ruimte. Een lopen in het zand van de gloeiende, onherbergzame woestijn. Het duurt niet lang, of het drinkwater in de geitenleren zak is op. Brood is er ook niet meer. De vermoeidheid slaat toe. Vertwijfeling maakt zich van Hagar meester. In deze bloedhete woestijn geen water hebben, betekent: et haar kind straks sterven van dorst en uitputting. De jongen heeft minder weerstand dan zijn meer geharde moeder. Klagelijk ver klinkt zijn schreien in de verlatenheid. Hagar legt de jongen onder de beschutting van een struik neer. Ze gaat zitten op een boogschot afstand... , , afgaande zover als die met de boog schieten" (Genesis 21 : 16a). De gekwelde vrouw wil het kind niet zien sterven, terwijl ze toch de blik van haar jongen niet kan afhouden. En terwijl zij zich op de grond neerzette, klaagde zij onder bittere tranen haar ellende uit. , , En zij zat tegenover, en hief hare stem op en weende" (vers 16b).

Ontroergid tafereel. In de barre woestijn, een verdreven moeder met haar stervend kind! Maar dan komt God de diepbedroefde moeder troosten. „En God hoorde de stem van de jongen" (Genesis 21 : 17a). De Engel van God riep Hagar uit de hemel toe en zei tot haar: , Wat is u Hagar? Vrees niet, want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse waar hij is". Dat was immers zijn naam: , Ismaër' dat is „God hoort". De ogen van Hagar werden geopend, dat zij zag, wat ze eerst niet zag, namelijk een waterput. Dat Hagar die put niet zag, was niet zo verwonderlijk. Door haar toestand, maar ook omdat zulke putten uitgediepte holten waren, die met een steen waren afgedekt en soms met aarde bedekt. Nu was het leed geleden. Hagar vulde haar waterkruik en gaf Ismaël te drinken. Hier wordt ook aan Hagar de belofte gegeven, dat Ismaël zal uitgroeien tot een groot volk. Zo mag de vernederde Hagar nu ervaren dat , , God met haar was”.

Later verbleef Ismaël in de woestijn van Paran in het Noord-Oosten van het Sinaïschiereiland. Hij groeide uit tot het hoofd van een twaalftal stammen, die men gewoonlijk samenvat onder de naam van , , Ismaëheten" (Genesis 25 : 12—18). Hun gebied wordt omschreven als strekkend van , , Chawila tot Sur, dat ten Oosten van Egypte ligt, in de richting van Assur". Hiermee wordt waarschijnlijk bedoeld de woestijn tussen de Perzische Golf en Egypte. Door hun handen ging een deel van de specerij enhandel naar Egypte (Genesis 37 : 25): , en zie, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead, en hun kamelen droegen specerijen en balsem en mirre om dat af te brengen naar Egypte". Ismaël is ook de stamvader van de Arabieren. De naam van Mohammed duikt op, de stichter van de Islam. De Islam die zich steeds verder uitbreidt en in toenemende mate aandacht en voorziening voor haar godsdienstige beleving vraagt. Zo heeft de geboorte van Ismaël vérstrekkende en tot in onze dagen aan te wijzen gevolgen gehad.

B.

H.H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1997

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Hagar

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1997

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken