Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Dat gij het altaar bedekt met tranen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Dat gij het altaar bedekt met tranen.”

6 minuten leestijd

Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij liet altaar des HEEEEN bedekt met tranen, met weening en met zuchting, zoodat Hij niet meer liet spijsoffer aanschouwen noch met welgevallen van uwe hand ontvangen wil. (Maleachi 2:3).

Denkt ge wel eens om de tranen, die ge anderen schreien deedt; tranen niet van vreugde, maar van bittere droefenisse en vlijmende pijn aan 't hart?

Op Ramathaim Zofim, hoog op Efraïms bergen, leefde voor vele eeuwen een vrouw, die ook vergat daaraan te denken.

Peninna was haar naam.

En zie, terwijl Peninna zorgeloos en argeloos met haar kroost op Efraïms bergen speelde, lag er te Silo bij het altaar des Heeren eene andere vrouw geknield, die zich baadde in

haar tranen en heur ziel van droefheid en weedom des harten voor haar God uitgoot. Die vrouw heette Hanna.

En die Hanna was door Peninna getergd met terging. Peninna, de rijke moeder, met het prachtig kind aan haar volle moederborst zwelgende, had op Hanna, de kinderiaoze, geschimpt ; haar zielskwelling aangedaan; en haar boosaardiglijk gewond in wat heur teederste eere als vrouw gold.

Bitter had Hanna daaronder geleden. Het opgekropt in haar vergiftigd gemoed. En toen kon ze het niet meer uithouden, en toog ze naar Silo, waar het altaar van haar Vader in de hemelen stond, en toen »overdekte ze dat altaar met tranen, met weening en zuchting", gelijk het bij Maleachi heet. Een ziel die het uitberstte van vrouwensmart en zielswee voor haar God.

Wat Peninna niet voelde, hoe diep ze zich aan Hanna tegen God bezondigde, voelde ook na haar menige trouwelooze onder de kinderen Israels niet.

Gedurig hooren we van kwelling door den ééne in Israël aan den andere aangedaan, en de doffe toon, die uit het zuchtend hart naar God steunt en klaagt, dreunt nog na tot in de dagen van Maleachi.

Ook daar is het weer een gebroken vrouwenhart, dat in haar tranen bij Gods altaar worstelt; nu niet om wat een andere vrouw, maar om wat de man harer eerste liefde haar aandeed. Verstootenen, die het in de beroofdheid van heur hart niet konden uithouden. Verworpen vrouwen en moeders j die een ander in heur plaats zagen dringen. En nu, tot aan de lippen toe vol, met heur zielverterende smart naar Gods altaar kropen en daar knielden en daar uitweenden en in tranen en zuchting lucht zochten voor het overkropt en overstelpt gemoed.

En als dan vandaag die vrouwen daar geweend hadden, kwamen morgen de mannen, die oorzaak van heur zielsbekleradheid waren, naar datzelfde altaar aandragen met hun spijsoffer, en dachten dat God de Heere hun offer wel zou aannemen.

Maar dat was niet zoo.

Neen, die God der trouwej die trouwe houdt in eeuwigheid, wierd veeleer verbolgen tegen die mannen met hun spijsoffers.

Want hoor slechts, dit is het wat Hij hun door zijn profeet Maleachi liet aanzeggen:

»Dit doet gij, dat gij het altaar des Heeren met tranen bedekt, met weening en zuchting; hoe dan zou Hij uw spijsoffer aanschouwen of het met welgevallen ontvangen van uw hand ? "

Met tranen.

Natuurlijk, niet met hun eigen tranen, maar met de tranen van de diep gegriefde, hard verwonde vrouw!

Tranen zijn geen spel. Al zijn er huichelende zielen, die zelfs met den traan van het oog hun gewetenloos spel drijven, toch, zoo dikwijls de ontroering van het hart vocht in het oog doet opwellen, wordt er een teeken van den ernst des levens gezien. En op die tranen merkt God.

Gij moogt lachen om de trouw die ge schreien deedt, maar God lacht er niet om. Gij moogt doen alsof ge ze niet ziet, maar God ziet ze wel. Of gij ze al vergeet. God de Heere zal ze niet vergeten. Hij leest ze saam in zijn flesch. En zooals de Heere luistert met goddelijk erbarmen naar de stemme des bloeds die van de aarde roept, zoo luistert Hij ook met goddelijk mededoogen naar het schreien van de ziel, die het niet meer kan inhouden, en is de traan der bittere droefenisse dierbaar in zijn oog.

Is er dan niet wel oorzaak, om eens in te keeren in uzelven, en eens terug te denken in uw verleden, en eens rond te zien om uheen, of er ook zulke tranen zijn van schrijnende gegriefdheid, die gij hebt doen weenen ?

Niet enkel tranen, bedoelen we, die de vrouw weende om haar man of de man om zijn vrouw; maar tranen om alle verdriet, dat ge aandeedt aan menschen. Door onliefheid, door misbruik van overmacht, door wreedheid in uw gedraging.

o, Heo is zoo heerlijk, als we vóór anderen eens een oorzaak van vreugde mogen wezen. Zoo bijna goddelijke, hemelsche teugen zijn het die we indrinken, als we anderer tranen drogen konden en hun den balsem van troost konden druppelen in de wonde van hun hart.

Maar anderen pijn te doen, te kwellen, te tergen, te maken dat hun ziel weedom lijdt en ze tot God gaan schreien, het is zoo duivelsche zonde en van den Heere der heirscharen gevloekt!

»Mijn altaar, zegt de Heere, bedekt ge met die tranen, die om uw ontrouw of wreedheid of overmoed geschreid wierden." Let daarop.

Er zijn ook diep gewonden van hart, die heel anders dan Hanna, niet bij Gods altaar hun ziel uitgieten, maar met bitterheid er tegen ingaan; zich door tegenhartstocht vervoeren laten; terugkwellen; en soms óók weenen, maar morrend of geprikkeld door kwaadaardigheid en spijt.

Die tranen leest God nïet saam, want ze zijn niet tot Hem geschreid. Ze zijn niet gesproeid op zijn altaar.

En daarom als er onder de lezers of lezeressen van dit korte woord zijn mochten, die voelden: »Zulk een weedom des harten heb ook ik doorworsteld, " o, verhef u dan toch niet op uw smart, maar doorzoek ook de geschiedenis uwer tranen, en vraag u zelven af, of uw uitweenen wel een weenen was aan Gods Vaderhart, bij het altaar van uw Ontfermer !

Alle andere schreien verhardt en gaat tegen God in; alleen als ge aan God uw zielswee klaagdet, geeft ge Hem eere ook in uw tranen.

Maar u, die aan dien vertwijfelde van hart de doodelijke wonde toebracht, u verontschuldigt dit niet.

Eer maakt het voor u de schuld nog ontzettender. Wie niet slechts grieft, maar door zijn grieven het slachtoffer zijner wreedheid nog van God vervreemdde bovendien, zal te banger verantwoording dragen.

Een ik mijns broeders hoeder V vraagt de Kaïnsgeest in ons, als onze gewonden in hun zielswee verkwijnen.

Maar gij, zoo ge lust hebt aan het drogen van anderer tranen, ziet toe dat ge allereerst met verootmoedigd ontfermen die tranen droogt, die gij zelven schreien deedt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 1888

De Heraut | 4 Pagina's

„Dat gij het altaar bedekt met tranen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 1888

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken