Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kenners van kerkhistorie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kenners van kerkhistorie

9 minuten leestijd

Amsterdam, ., 21 Sept. 1888.

Kenners van kerkhistorie en kerkelijke practijk hebben zich verbaasd over het potsierlijk besluit van de Haagsche Synode in zake den Doop in doleerende kerken toebediend.

Dat de Haagsche Synode vroeg of laat voor deze Doopquaestie zou gesteld worden, was te voorzien, en met eenige belangstelling verbeidde men de keuze die deze tegen-Synode daarbij doen zou.

Immers het gold hier geen nieuwe, maar een overoude quaestie.

Keer op keer en slag op slag was het ook vroeger in den boezem der kerken tot allerlei gistingen schifting, deeling en transformatie gekomen, en telkenmale had elk der groepen van kerken zich moeten uitspreken over het zoo belangrijk vraagstuk van den Ketterdoop of doop der Schismatieken.

Aanvankelijk had daarbij het woord der enghartigheid en der bekrompenheid den hoogen toon, en zonder teeder besef van den schat, die ons in de catholiciteit desGenadeverbonds, en dus ook der Christelijke kerk, is geboden, beschouwde men over en v»eer elke sacramenteele handeling, die niet van het eigen kerkverband uitging, als waardeloos; behandelde een niet door de eigen kerk gedoopte als een heiden; en zag er niet het minste bezwaar in, om zulke personen te herdoopen.

Toch kwam er al spoedig reactie tegen dezen bekrompen en kerkistischen geest.

Erkend en beleden wierd, dat men juist in den heiligen Doop nog de gemeenschappelijke basis behield, waarop de onderscheidene groepen en fraction der Christelijke kerk zich van haar hoogere eenheid bewust konden blijven, en niet lang duurde het dan ook, of in den mildsten en ruimsten zin begon men over en wpder aller Doop te erkennen.

Zelfs vroeg men niet meer of de persoon, die den Doop had toegediend een geordend Dienaar was; noch ook of de Doop in het midden d: r gemeente was toebediend. De eenige vraag die besliste was, of de DoopsbedJening zelve in overeenstemming met 's Heeren bevel had plaatsgegrepen, en of men te doen had met een ernstis; gemeende toediening van den Doop, dan wei met ijdel spel.

Wel gold nog een tijdlang verregaande ketterij van der: Doopsbediener als beletsel tegen de geldigheid, maar ook dit onware standpunt is men allengs te boven gekomen; en het einde van deze worsteling was, dat herdooping van een eenmaal gedoopte door heel de kerk gebrandmerkt wierd als monsterachtige gruwel.

Een kerkelijke usantie, waarbij als vaste regel gold, dat voor gedoopt moest doorgaan elk kind of elke persoon, aan wien het Sacrament naar 's Heeren bevelheéietié was, en zulks met de intentie dat het Doop zou zijn.

Augustinus was het, die ook op dit punt den evenaar voor altoos deed doorzwikken. En na zijn boek de Baptismo is er in de Christelijke kerken over dit vraagstuk geen geschil ten principale gerezen.

Zoo de Oostersche als de Westersche kerken schonken aan deze zienswijze en practijk heur adhaesie.

In de dagen der Reformatie hebben noch Luther noch Calvijn er ook maar van verre aan gedacht, om een toegedienden Doop te verwerpen, omdat de persoon die bediende h. i. geen wettig geordend ambtsdrager of de belijdenis der kerkgemeenschap onzuiver was. De Doop van „Roomsche mispapen" niet alleen, maar evenzeer de Doop van Roomsche vroedvrouwen is door hen erkend. Tegen geen Doop van eenige sekte is door hen bedenking gemaakt, zoolang de belijdenis van Vader, Zoon en Heiligen Geest bij den Doop maar zuiver bleef. Er noch de Gereformeerde noch de Luthersche noch de Engelsche kerken hebben er ooit aan gedacht, om de goede, vroede en wijze practijk der aloude Christelijke kerk te verzaken.

Bij manier van traditie is deze goede wijze van doen dan ook nog altoos in heel Nederland gevolgd, en gevolgd door alle partijen.

De Roomschen, de Lutherschen, de Remonstranten, de Hervormden, de Christ. Gereformeerden, en wie ge meer wilt, ze hebben altoos den ouden regel aangehouden, en uitsluitend de vraag gesteld, of de Doop naar eisch van de instelling was toebediend, en toebediend met de intentie van Doop te zijn. Maar voorts vroeg niemand, of de persoon die den Doop bediende wel een ambtsdrager, of hij wel wettig geordend, of zijn belijdenis wel zuiver, of zijn kerkgemeenschap wel in den haak was.

Van zoo inquisitoriaal onderzoek wilde niemand hooren.

Een milde, ruime, echt geestelijke opvatting bleef den toon aangeven, en bij al wat de onderscheidene openbaringen van het Lichaam Christi scheidde, lag hierin voor het hart dat naar eenheid en liefde en gemeenschap dorst, nog altoos troost en hope.

Wie niet al te boos van de Haagsche Synode dacht/ heeft zich vóór Augustus 1888 dan ook niet anders kunnen voorstellen, of zij zou zich wel terdege wachten, om in dit opzicht met de eenig goede practijk te breken.

Ze stond met den Doop der in doleantie ijnde kerken wel voor een moeilijkheid; aar toch voor geen andere moeilijkheid an waarvoor alle kerkelijke vergaderingen p heur beurt hadden gestaan; en geen au haar had, na Augustinus, de lafheid ehad van verraad aan de catholiciteit der erk te willen plegen, door zelfs de eenheid an den Doop te breken.

Aan het Sacrament toegekomen, was juist oor dat Sacrament bescheidener gevoel ewekt, de hartstocht gebluscht en edeler esef bovengekomen.

De Doop is zoo heilig!

En zoo mocht dan ook van de Haagsche Synode verwacht, dat zij zoomin als eenige vergadering van weleer, den droeven boozen moed zou bezitten om zelfs het Sacrament van den Doop, als bewaarster van de catholiciteit der kerke Christi, aan te tasten,

Diepgezonken was ze wel, maar zulk een gruwel, zulk een brutale aanranding van het heilige, zou ze toch niet bestaan durven.

Of had ze dan niet dusver eiken Doop erkend.' Den Doop van Roomschen en Grieken en Armeniërs.' Den Doop van Lutherschen, Remonstranten en Doopsgezinden.' Den Doop van Christelijke Gereformeerden en kerken onder het kruis.' Den Doop van pastoors en vroedvrouwen evengoed als een Lutherschen nooddoop en huisdoop.'

Ja, was ze in haar mildheid niet zelfs te ver gegaan, door óók als Doop te eeren wat geen Doop meer in den Naam van Vader, Zoon en Heiligen Geest was geweest?

Hoe, zoo vroeg men zich af, zou het in zulk een Synode dan ook maar denkbaar wezen, dat zij, die aller Doop en allen Doop erkende, nu gansch moedwillig, alleen uit haat en wrok tegen de doleerenden, plotseling zou durven breken met de vastelijk geijkte practijk der Christelijke kerken van vijftien eeuwen?

Neen, neen, zelfs door haar meest beslisten vijand mocht de mogelijkheid van zulk een zedelijk vergrijp in de Haagsche Synode niet ondersteld worden.

Ook bij de redactie van de Heraut was er dan ook geen oogenblik twijfel gerezen, of, zoodra deze quaestie op de Haagsche Synodale ter tafel kwam, zou onverwijld tot erkenning ook van dezen Doop besloten worden. Daarna zou de bitterheid wel weer bovenkomen. Maar achting voor zich zelve en eerbied voor het oordeel der historie, zou even sterk als ontzag voor de critiek van het nageslacht, tot een ««V^doordrijven van den geest der bitterheid althans op dit teedcre punt nopen.

En toch.... wat niemand voor mogelijk zou hebben gehouden, ... het is, helaas, geschied: de Haagsche Synode heeft den kleingeestigen, den enghartigen, denhiërarchisch-dweepzieken overmoed gehad, om liever met de historie der Christelijke kerk van vijftien eeuwen te breken, zichzelve een slag in het aangezicht te geven, en zich voor den nakomeling tot een belaching en aanfluiting te stellen, dan dat ze, zij het dan ook slechts door den Doop, bij hare in doleantie gegane leden nog etnig kerkelijk kenmerk erkend had.

o, Verdoolde vergadering! Zaten er dan niet in uw midden althans drie a vier hoogleeraren in de godgeleerdheid die u praeadviseeren, die u waarschuwen konden, die u konden afhouden van dat wegwerpen van uw kerkelijk fatsoen!

Is uw voorhoofd dan zoo koperen geworden, dat ge verleerd en vergeten hebt te blozen, dèar zelfs waar vijftien eeuwen tegen u getuigen, en bij den iiistorieschrijver, die na u Icomt, slechts één oordcel der satirische belaching voor uw dv/aas en kinderachtig spel mogelijk is.'

Zaten er dan geen mannen van ernst onder u, die toch iets nog van de practijk en de traditie van den heiligen Doop at wisten, en u toch influisteren konden, dat het heusch zoo met eere niet ging.'

Moest dan het feit, dat uw voorzitter lid van het Tooneelverbond is, u als Synodale vergadering verleiden, om een daad te bestaan, die komisch voor het oogenblik, in de toekomst voor u een tragedie wordt, waarin het met uw wetenschappelijke, uw historische, uw kerkelijke eere uitheeft.'

o, Men weet niet wat het meer dient te heeten, potsierlijk en kluchtig-koddig of schreiend-beleedigend voor de eere van den Christennaam, dat een Synode, die zegt een Christelijke kerk te vertegenwoordigen, de vraag of een acte Sacrament zal zijn, wil laten afhangen van^ een ministerieele rescriptie.

De eenige vorm van erkenning dien onze Overheid nog aanhield is, dat ze u op kennisgeving van uw statuut, een bericht van ontvangst zendt. b

Zoodra ge aan art. i van de wet van 1853 voldoet, en de Overheid rekent met u, dan krijgt ge een ministerieel briefje, erkennende, dat door u aan art. i van deze wet voldaan is.

En zoo ge dat briefje nu toonen kunt, dan, zoo zegt de Haagsche Synode, is uw

Doop Doop.

Verstaat ge dit?

Daar zijn mannen als Dr. Van der Flier, als Ds. Segers en zoo vele anderen, die nog ons formulier lezen, en nog voor het oor der schare uitroepen: „Als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt ons de Vader, en zoo we gedoopt worden in den naam des Zoons, zoo verzekert ons de Zoon, en zoo we gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest!" en wat daar meer volgt.

Maar als een ernstig vader, een teedere moeder nu voortaan weten wil, of ja waarlijk in den Doop dit ook haar en haar kind betuigd, verzekerd en verzegeld is, dan zullen Dr. Van der Flier, dan zal Ds. Gezelschap, dan zal Dr. Van Ronkel en wie al niet meer, op last der Synode voortaan antwoorden moeten: „Lieve vrienden, dat moet ge op het Departement van Justitie in den Haag op het Plein gaan hooren.

Als daar de kerk die u gedoopt heeft erkend is, ja, zeer zeker dan is de genade van God Drieëenig over u gekomen,

Maar als de klerk daar u zegt, dat zulk een briefje niet is afgezonden, neen.... dan lag er in dien onderstelden Doop voor u niets!”

IJslijk niet waar?

En toch, zoo diep gezonken is men.

En nog blijft de blinddoek op veler oog.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 september 1888

De Heraut | 4 Pagina's

Kenners van kerkhistorie

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 september 1888

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken