Bekijk het origineel

De negende Universiteitsdag.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De negende Universiteitsdag.

11 minuten leestijd

't Was een schoone zomermiddag, den 26 Juni, toen de vrienden der Vrije Universiteit uit Noord en Zuid, uit Oost en West waren opgekomen naar Dordrecht, om des avonds de ure des gebeds bij te wonen en den volgenden dag, 27 Juni, op de negende jaarlijksche samenkomst tegenwoordig te zijn.

Voortreffelijk weder verhoogde het schilderachtige van de oudste onzer Hollandsche steden.

Door rivieren omgeven, met grachten en havens doorsneden, aan alle plaats water, vertoont Dordrecht het type van een vaderlandsche stad. Doch Dordrecht heeft behalve het uiterlijk aanzien, historische aantrekkelijkheid voor de vrienden der Vrije Universiteit. Zeker zal wel niemand der broederen in Dordrecht geweest zijn, zonder dat historische herinneringen zich aan zijn geest hebben opgedrongen.

Ieder zal er wel aan gedacht hebben, dat 270 jaren geleden, in diezelfde stad Dordrecht, de Nat. Synode vergaderde; en wie vond het niet treffend, dat nu juist daar de Vereeniging voor Hooger onderwijs op Geref. grondslag haar jaarfeest vierde ? Ja, er waren nog vrienden, die gehecht aan _ geschiedkundige monumenten, vruchteloos Dordrecht rondliepen en zochten, om het gebouw der St. Joris Doelen, waar weleer de beroemde Synode bijeenkwam, te bezichtigen. Vruchteloos ; want zooals overal, had de tijd ook hier verandering gebracht. Men vond op de plaats, waar weleer de St. Joris Doelen stond (ontnuchterende en dorre teleurstelling !) eene gevangenis verrezen.

Woensdag, des avonds te zeven ure, trad Ds. Sikkel op vooi een talrijke schare, in het gebouw der Ned. Geref. gem. Zijne inleiding moge hier volgen:

Geachte Hoorders en Hoorderessen !

Het is niet dan met grooten schroom, dat ik in deze ure aan deze plaats voor u optreed. Waar wij toch bij gelegenheid van de negende jaarlijksche samenkomst der Vereeniging voor Hooger onderwijs op Gereformeerden grondslag ons heden schikken tot het gebed voor die Vereeniging en voor de Hoogeschool door haar opgericht, daar gevoelt gij met mij behoefte, bij vernieuwing en bij toeneming de waarde van die Hoogeschool in te zien; hare behoeften en nooden te kennen en op uwe ziele te voelen drukken; een blik te slaan in den weg, waarin zij moet worden geleid en gezegend ; en den grond te bekennen, waarop die zegen mag worden gevraagd en verwacht. Dit toch is de middellijke weg, in welke het den Heere onzen God belieft, het gebed waarlijk te wekken en te leiden door zijn Heiligen Geest, en te vervullen het woord des geloofs : »Dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil. Hij ons verhoort.

Welnu, ik moet van u bekennen, dat de taak, die op mij rust, om heden in uwe overdenkingen en in uwe verzuchtingen u ten voorganger te zijn, mij niet licht valt.

Mag ik door de genade des Heeren niet vreemd zijn van het licht van Gods Woord, waarbij alle dingen moeten worden gezien en gekend, — de Hoogeschool te Utrecht, aan welke ik met de wetenschap moest bekend worden, bood mij dat Woord van God wel aan als een voorwerp van wetenschap, stelde mij wel voor dat licht, om er in te staren en het te ontleden, — maar gelijk die Hoogeschool zelve niet meer van de belijdenis van het Woord Gods uitgaat, — zoo werd mij daar ook niet geleerd, alle dingen, ook de wetenschappen zelve, bij het eenige licht van Gods getuigenis te zien en te beoordeelen. Het dwaallicht der menschelijke wijsheid moest mij daar licht schenken over Gods Woord, in plaats dat men mij bij den lichtglans van den fakkel des Woords het pad der wetenschap en der wijsheid leerde zoeken en vinden. Het menschelijk verstand is daar de laitip; Gods Woord is daar het voorwerp, dat gezocht en uitgezocht, verlicht en toegelicht moet worden.

IJus leerde ik aan de Hoogeschool niet, wat ik daar had behooren te leeren: De wetenschappen zien en beoordeelen, bij het licht van Gods Woord, en mis ik daarom veel van wat mij in deze ure noodig is, om uw voorganger te zijn.

Doch God is genadig en getrouw. Hij heeft het licht van zijn Woord, dat ik aan de Utrechtsche Universiteit moest leeren beoordeelen, mij te sterk gemaakt. En Hij heeft dat licht op mijzelven en op die Rijks-Universiteit doen terugvallen; niet om mij te doen vergeten of verachten, wat Hij mij in en door mijne leermeesters geschonken heeft, maar om mij te doen zien, hoe die Universiteit zich als Universiteit vergrijpt aan Gods Woord, door het gezag van dat Woord op het gebied der wetenschap los te laten; hoe zij zóó den zegen van de Zonne der Gerechtigheid, dien zij weleer inriep, derven moet, en zelve in plaats van een zegen een gevaar wordt voor hoogleeraren en leerlingen, voor kerk en vaderland.

Sedert heb ik de Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag leeren waardeeren en liefhebben, omdat deze niet aan de menschelijke wetenschap vraagt: »Zeg mij, wat oordeelt gij over Gods - Woord? " maar bij dat Woord buigt, om van dat Woord licht te ontvangen over de menschelijke wetenschap en de paden, die zij te bewandelen heeft; om uit dat Woord het licht op te vangen, hetwelk alle dingen verlicht.

Voor die Universiteit is er dan ook een bede in mijn hart, en daarom kan ik niet weigeren, gehoor te geven aan het verzoek van hare bestuurders, om in deze ure des gebeds onder u voor te gaan; u vooraf van de oorzaak mijner gebrekkigheid rekenschap gevende.

Doe de Heere, de almachtige, de algenoegzame, de getrouwe Verbonds-God, door den Heiligen Geest het gebed uit ons opgaan, en bestrale Hij ons ook daartoe vooraf door het licht van zijn Woord.

Slaat met mij open het boek: De Spreuken van Salomo, hoofdstuk i, en mocht de Heere ons in onze overdenkingen verlichten en leiden door wat wij daar lezen in het eerste gedeelte van het zevende vers.

^De vreeze des Heeren is het beginsel der we' tenschap" ij). In enkele breede trekken geven wij hier de rede van Ds. Sikkel weer.

(i) De rede door Ds. Sikkel uitgesproken y> TJ»tbi gtnsil lier wetenschap" ziet eerstdaags het licht bi] d Heer J. A. Wormser te Amsterdam.

Nadat de vergadering het tweede en derde vers van Ps. 36 gezongen had, wees Ds. Sikkel er op, hoe hoog in de Heilige Schrift de wijsheid en de wetenschap wordt gewaardeerd : »De wijsheid", zoo klinkt het uit het boek der Spreuken, »de wijsheid is het voornaamste ; Zij is beter dan robijnen, en al wat men begeeren mag, is met haar niet te vergelijken ; de wetenschap is meerder dan het uitgelezen, uitgegraven goüd; door wijsheid wordt een huis gebouwd; " enz. De man, die door Gods Geest zoo sprak, was zelf een levend toonbeeld van de waarheid dezer woorden : Salomo heeft de wijsheid en de wetenschap boven de robijnen gekozen, als de Heere te Gibeon aan hem verscheen met het woord: »Begeer wat Ik u geven zal".

Gij kent zijn antwoord: Geef mij nu wijsheid en wetenschap". En gij zaagt hem in dien weg het welgevallen des Heeren trekken, waardoor zijn binnenkameren met alle kostelijk en liefelijk goed vervuld werden, als de Heere tot hem sprak: gt; De wijsheid en de wetenschap is u geschonken; daartoe zal Ik u rijkdom en goederen en eere geven, dergelijke geene koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn" (i Kron. i : 7, 10, 12). Zoo verkondigt de Schrift in woord en voorbeeld de waardij der wijsheid en der wetenschap. Niet grauw, niet dor, niet afschrikwekkend is het beeld, dat de Schrift ons teekent van de wijsheid en de wetenschap.

Wijsheid en wetenschap worden door de Heilige Schrift onderscheiden. Wijsheid is een deugd, een eigenschap, een vermogen. Door de wijsheid is de mensch met bewustheid wat hij zijn moet; beantwoordt hij aan zijn doelen doet hij daarom ook de dingen, die hem zijn toevertrouwd, aan hun doel beantwoorden. Wetenschap is het middel, hetwelk den mensch ten dienste staat, om alzoo wijs te zijn ; het middel om het vermogen der wijsheid uit te oefenen; het middel om aan het doel des levens te beantwoorden. Wetenschap is kennis^ d. i. het zien, het verstaan der dingen, het lezen in de dingen, het doorgronden. Slechts hij, die het beginsel der wijsheid bezit, is in staat om te verstaan, om te kennen, om wetenschap te vergaderen. En wederom slechts hij die kent, die weet, die wetenschap heeft, kan den zegen der wijsheid genieten.

Spreker beschouwt de wijsheid en wetenschap als in God de bron vindende; voorts de wijsheid en wetenschap, in den geschapen mensch beschouwd, en eindelijk hoe zij zich in den gevallen mensch vertoont. Door den val was de mensch van die heerlijke en schitterende gaven, waar' hij bij zijne schepping mede gekroond was, beroofd. Het licht was verloren; nu slechts een wijsheid, die niet verder dan de oppervlakte gaat. De valschelijk dus genaamde wetenschap, als bedenking van het verdorven hart, gekant tegen God. Daar staat tegenover de ware wijsbegeerte, die steunt op het genadeverbond. Het genadeverbond doet over de schepping en het leven licht opgaan in de bijzondere openbaring (het Woord Gods). De ware wijsheid is de erkenning van het genadeverbond: het aannemen der tucht, het buigen voor Gods Woord. Het beginsel der wetenschap, niet slechts om de Schrift te verstaan, maar ook om de natuur en het leven te verstaan; de oorzaak, het wezen en het doel der dingen en der verschijnselen. Deze wetenschap zegent het leven in den Naam des Heeren, in Volk en Kerk,

Gode zij dank, die aan ons dierbaar vaderland de Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag geschonken heeft. Niet de wijsheid van menschen, maar de Wijsheid Gods hebben wij voor deze planting te eeren en te aanbidden.

In deze zelfde stad, in welke wij heden saamgekomen zijn, heeft de Heere zijne Wijsheid gehandhaafd tegenover de wijsheid der menschen; het verbond der genade tegenover het gebroken werkverbond; het Woord Gods tegenover de verduisterde menschelijke rede. En Hij heeft daarmee ook aan de Nationale Synode van Gereformeerde kerken inNederland, te Dordrecht in 1618 en 1619 vergaderd, wijsheid en genade gegeven, om de waarde en de zelfstandigheid van de scholen der wetenschap te erkennen; maar tevens beslistheid, om van die scholen vóór alle dingen den waarborg harer wetenschap te eischen in de erkenning van de waarheid Gods, gelijk die in zijn Wooid geopenbaard en door zijne Kerk beleden is. De Kerk heeft niet over de wetenschap te heerschen, maar zij heeft aan de wetenschap Gods Woord voor te houden en daarmee haar het beginsel te prediken, waaruit de wetenschap leven moet: de Wijsheid Gods, waaraan ook de wetenschap zich dienstbaar behoort te stellen. De wetenschap, buigende voor Gods Woord, heeft in ons Nederland den Heere gediend, zgne Kerk gevoed en volk en vaderland gezegend.

Maar ach! waar de Kerk zelve haar steunsels in menschen ging zoeken en, bij belijdenis van het genadeverbond, om wereldsche voorrechten voor menschen boog, daar volgden de vruchten harer zonde op ieder gebied haar na, en keerden zich straks overheid en wetenschap tegen het beginsel van het leven der Kerk.

Ontaarding der Hoogescholen. Gods Woord niet meer beginsel, maar voorwerp van wetenschap. De rede nu beginsel. Hier ligt de kanker der Rijks-Universiteiten en der Rijks-Gymnasia, de kanker die al het leven verwoest. En daarom immer God gedankt voor de Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag.

Geen Christen in Nederland heeft het recht zich aan den arbeid voor deze stichting te onttrekken; kerkelijke gedeeldheid wettigt in geenen deele een vijandige of onverschillige houding tegenover de Vrije Universiteit. Het gaat om de eere Gods! Om het recht van zijn Woord! Om het beginsel der wetenschap! Neen, niet om kerkelijk inzicht onttrekke men zich, maar ook niet alleen om kerkelijk'htlajag steune men de Vrije Universiteit. Onze Universiteit moet Universiteit blijven en geen kerkelijke kweekschool. Zij zou dan hare roeping prijsgeven.

De tucht worde aangenomen, opdat wij bij erkenning van de goede hand des Heeren, die tot hiertoe over onze Hoogeschool bleef uitgestrekt, altoos gebrek mogen zien in onzen ijver, in onzen arbeid, in onze liefde, in ons gebed voor de Vrije Universiteit. Wij lieten haar tekort komen. Tekort kwam zij in de zonen van zoovelen, die den Heere belijden, maar uit ongeloof, of ijdelheid, of kerkelijken weerzin hunne kinderen den Moloch der rede aan de Rijks-Universiteiten afstonden. Tekort kwam zij door veler gierigheid; tekort in den ijver van velen.

De Heere leide onze Hoogeschool, opdat de Bestuurders, de Hoogleeraren, de studenten der Vrije Universiteit in de laagte mogen worden gebracht tot de gedurige en geheele onderwerping aan het Woord Gods; tot het persoon lijk zinken in het verbond der genade door den Heiligen Geest; tot de bede van Salomo: Geef mij nu wijsheid en wetenschap!" Dan zal het antwoord volgen om den wille van den gezalfden Middelaar: Omdat gij nu dit voor u begeerd hebt — de wijsheid en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u ook geven rijkdom en goederen en eere!" Dan zal de Universiteit gezegend en ten zegen zijn; het vaderland zal gered worden; de Bruid des Heeren zal met éene stemme het lied der liefde zingen: Kom haastelijk, Heere!" En God zal worden verheerlijkt! De vergadering zong nu Ps. 33 : 9, waarna Ds. Sikkel in het gebed voorging.

Aan het slot werd nog gezongen Ps. 33 : n-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1889

De Heraut | 4 Pagina's

De negende Universiteitsdag.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1889

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken