Bekijk het origineel

Zijt vuring van geest

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zijt vuring van geest

7 minuten leestijd

Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Héere. (Rom. 12 : II )

Gods profeet, Jeremia, spreekt het zoo klaarlijk uit, dat de werking van 's Heeren Geest als „een vuur in zijne beenderen" wierd.

Hij was in een matte, onwillige stemming des gemoeds. Voor Jehovah te roepen en in den naam zijns Gods te profeteeren, had hem bange dagen gekost. Men was hem te lijf gegaan en had hem naar zijn leven gestaan. > Daarom, " zoo kwam de booze gedachte in Jeremia op, „zal ik van het profeteeren aflaten. Zwijg ik, dan ben ik veilig. Te spreken is mij de dood."

Maar de almachtige werking van 's Heeren Geest triomfeerde over dat booze opzet. Och, als de Geest in ons werken gaat, wie zal dan weerstaan? En zoo ondervond ook Jeremia het. Zijn voorzichtig maar goddeloos besluit baatte hem niet, en toen de Geest weer machtig in hem doordrong, toen kon hij niet zwijgen, toen kon hij niet stilzitten. „Heere, Gij hebt overmocht en zijt mij te sterk geweest!" was aldra zijn getuigenis. En om te verklaren, wat hij in zijn binnenste ervaren had, en hoe de Heere zijn onwil gebroken had, schreef hij het toen in zijn profetie terneder, dat het als een vuur in zijn beenderen wierd, en dat hij zich inspande om het te bedwingen, fnaar dat hij ten leste den tegenstand moest opgeven. Hij kon het niet meer uithouden. Het vuur des Heeren verteerde hem geheel en al.

En zooals het in de profetie was, zoo ook is het onder het volk des Heeren. Ook zij worden, als de Heilige Geest over hen komt, met vmir gedoopt.

Op den Pinksterdag zijn „het verdeelde tongen als van vuur, die in de Pinksterzaal boven Gods uitverkorenen gezien worden.

De Heere onze God is een verterend vuur in zijnen toorn; maar Hij komt ook met heilig, louterend en bezielend vuur in de kinderen zijns welbehagens.

Van dat vuur in hen moet de gloed en de glans uitstralen.

En daarom, zal het wel met Gods kinderen zijn, dan mag ook in hen de ziel niet dof en mat liggen.

Vuur van uit den Hooge moet in hun aderen gloeien.

Ze moeten vurig zijn van geest!

Voor Gods natuur is de bron van gloed en glans in de zon gesteld. Van haar straalt het licht uit, maar ook van haar de koesterende gloed, die het aardrijk verwarmt, en slechts even hebt ge de stralen der zon in een brandglas op te vangen, om u te overtuigen, hoe de zon in haar doorwerking niet maar zengt en schroeit, maar werkelijk ï/«? ^r ontsteekt.

Door dit vuur van de zon ontwaakt de aarde in de lente uit haar doodsslaap. Zoolang de natuur aan haarzelve is overgelaten, sluimert ze in dofïe rust. Maar zoo wordt ze door den gloed der zon niet innerlijk met vuur en gloed doortinteld, of alles gaat ritselen, bot uit en doet lof en bloesem voortkomen. Alleen waar de zon het aardrijk innerlijk vurig maakt, komt leven en vrucht.

En ook hierin is de natuur slechts het spiegelbeeld van wat plaats grijpt in de wereld des geestes. Ook daar is het de Zonne der Gerechtigheid, onze Goël en Heiland, van wien alle licht en glans en gloed uitgaat.

Och, buiten Hem is het zoo dof en mat in ons hart, zoo doodsch en leeg in onze huislijke woning. Als Christus voor ons schuil gaat, bevriest alle leven in en om ons. Het verstijft, het sterft weg. Ons hart wordt een steenen hart. Niets vloeit en niets glinstert meer. En niets wordt meer aan ons gezien van dat hoogere licht dat we uit moeten stralen, opdat de wereld het zie, en er onzen Vader, die in de hemelen is, om verheerlijke.

Hij, Hij alleen is het Licht der wereld, gelijk de zon, en zij alleen, het licht is in het rijk der natuur, en ook zijn Licht geeft niet enkel glans, maar brengt ook gloed en koestering aan.

Jezus maakt het hart warm, en door het vurig gemaakte hart verwarmt hij heel ons leven.

Jezus in ons, dat is het vuur van Jeremia in onze beenderen.

Met zijn gloed in ons, kunnen we niet mat zijn.

De afgedoolde wereld weet ook wel^ dat ze zulk een zon in haar stralenden gloed niet missen kan. Ook zij voelt zich gedrukt door die stramheid der innerlijke verstijving.

Ook zij weet het maar al te goed, dat ze „vurig" moet zijn, om te kunnen leven en van het leven te kunnen genieten.

En daarom grijpen de kinderen der wereld dan naar het vuur van den wijn en van den sterken drank. Daarom omringen ze zich met luchters en schittering. Daarom verhitten ze hun bloed, winden zichzelven en elkander op. En metterdaad zoo verwekken ze ^een schijn-gloed. Een valsch vuur van dwepend en hartstocht, dat schriklijk in hun beenderen branden kan, branden tot koortshitte toe.

Maar, helaas, dat valsche vuur baat niet maar schaadt. Het verteert hun levenskracht insteê van die te doen rijpen. Altoos nieuwe brandstof moet aangedragen, om dat valsche vuur in hun hart en om hen heen brandende te houden. En de uitkomst is, dat dit vuur toch ten leste uitgaat. Uitgaat om niets dan verzenging en verkoling in hen achter te laten.

Ze dachten „vurig" van geest te zullen worden, en slechts een te banger kilheid sluipt over hun leden en een te banger dof heid grijpt hen aan.

Soms zelfs pogen ze dat valsche vuur aan vrome vormen te ontsteken, als opwinding hun voor godsvrucht geldt en allerlei bizarre dweperij hun èen spel voor hun hartstocht wordt.

Maar ook dit vuur gedijt niet, en de droeve uitkomst van al deze schijnvrome opwinding bleek in alle land en in alle eeuw steeds op niets anders uit te loopsn dan op te wreeder donkerheid en duisternis, waarmee de ziel overtogen wierd.

Kostelijk is het daarom in u als kind des Heeren, dat ge u aan dit valsche vuur der wereld, ook in zijn schijnvrome vormen speent.

Het geloof heeft met het valsche vuur van den hartstocht niets gemeen.

Het geloof is geen koortsgloed, maar heilige, stille levenswarmte, die de ziel bij haar welstand en haar K-rachtsbetoon onderhoudt.

Toch is daarom de afwezigheid van. dit valsche vuur in u nog geen bewijs dat het echte vuur des Geestes in u tintelt.

Ge kunt ook, terwijl de zon aan den hemel straalt, u van haar koesterenden gloed afsluiten, en uw leven slijten in het vunzige kelderhol.

En zoo doet, helaas, meer dan een van Gods geroepenen jarenlang. Christus schijnt en straalt den gloed zijns levens uit, maar zij vangen zijn stralen niet op. Eer sluiten ze den Christus van zich af; trekken zich terug in hun zelfgenoegzaamheid; hebben lust aan de koude en matheid van hun zielsbestaan.

En leven jaren voort en voort, zonder dat er ooit een sprank van hen afspat, of een vonkje, hoe klein ook, glinstert uit hun zielsleven.

En dit nu vtag niet. Een Christen zonder gloed en vuur is een innerlijke tegenspraak in zijn bestaan.

Gods kind is uit den winter in den zomer, uit de koude van den nacht in het licht des daags overgegaan. Maar dan moet de Zonne der gerechtigheid hem ook innerlijk het bloed der ziel verwarmen. Dan moet er ook geestdrift in hem gloren. Dan

moet het vuur des Heiligen Geestes ook in zijn beenderen branden.

Vurig moet hij zijn van geest. Vurig in zijn ijver voor Jehovah, zijn Heere. Vuri^ in zijn gebed. Vurig in zijn lof voor de liefde zijns Heeren. Vurig ook in de liefde, die door den Geest in hen ontstoken wordt.

Als offers die des avonds branden. Niet mat noch dof, maar als reukwerk zijnen Heiland toebereid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 augustus 1889

De Heraut | 2 Pagina's

Zijt vuring van geest

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 augustus 1889

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken