Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Wet des Heeren.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Wet des Heeren.

17 minuten leestijd

ZONDAGSAFDEELING XXXIVa.

En zoo er eenig ander gebod is, Rom. 13 : 9,

II,

De uitkomst van ons eerste onderzoek^ was, dat de Tien geboden, gelijk ze daar liggen, niet aan de wereld, maar bepaaldelijk aan het volk van Israël gegeven zijn; en bij Israël genomen moeten worden, in verband met de overige ceremonieele en politieke wetten, die Mozes van Godswege aan dit volk gaf. Doch natuurlijk kunnen we bij dit resultaat niet blijven staan. Ieder onzer gevoelt toch, dat die Tien geboden wel terdege ook zijn conscientie binden, ook al is er geen sprake van, dat wij tot het Joodsche volk in zijn aloude politieke organisatie zouden behooren, of ook ons voornemen zouden, de oude ceremonieele en poliii.ke wetten van Israël voor ons zelven verbindend te verklaren. Hier ontstaat dus een strijd. De Tien gebaden zijn niet aan ons, maar uitsluitend aan Israël gegeven. Wij behooren niet tot Israël in zijn nationale formatie. Eilieve, hoe is het dan te verklaren, dat nochtans deze Tien geboden ook een macht over onze conscientie zijn?

Dit punt is van het uiterste gewicht. Wie toch de Tien geboden gelijk ze daar liggen, voetstoots overneemt en op onze toestanden toepast, komt in de verzoeking om b. V. den zevenden dag nog altoos als rustdag te gaan vieren, en zichzelven te gaan diets maken, dat het eeren van zijn ouders een middel is, om oud te worden. 01 ook, wie de onhoudbaarheid van zulke stellingen Inziet, loopt gevaar, zich een vrijer uitlegging ten opzichte van de Tien geboden te veroorloven, die, bij de uitlegging van de strafwet Jn ons eigen land, door geen enkelen wetgever of rechter zou worden toegelaten. Men wordt dan óf formalist óf maakt zich aan wilkeur schuldig; en dat enkel wijl men over de verhouding, waarin wij tot de Tien geboden st^an, nooit rustig heeft nagedacht. Juist daarom stelden we zoo kras en zoo duidelijk mogelijk op den voorgrond, dat de Tien geboden formeel en als nationaal bindende wet slechts aan één volk gegeven zijn en dus ook slechts voor één volk gelden.

Geheel zou zich echter vergissen, wie hieruit nu voorts af wilde leiden, dat derhalve deze Tien geboden ons niet aangaan. Ze gaan ons wel terdege aan, en binden ons ongetwijfeld, alleen maar op een andere , wijs; en dit is het, wat we in dit tweede artikel In het licht gaan stellen.

In het antwoord over de > goede werken" stelde de Catechismus de Wet des Heeren tegenover > ons goeddunken of menscheninzetting". Hierin nu ligt drieëlei uitgesproken. Vooreerst dat wij van nature geneigd zijn, ons eigen goeddunken, d.i. wat ons behaagt of invalt, en het meest strookt met onze wenschen en lusten, als regel voor onze gedraging aan te nemen. Satan had in het Paradijs den mensch ingefluisterd, dat hij zelf moest kunnen onderscheiden wat goed en wat kwaad is; en van de ure van onzen val af, zit ons de neiging dan ook steeds in het bloed, om wat men noemt „uit eigen oogen te zien", rechter over zijn eigen doen en laten te zijn, en voor zich zelf vast testellen, wat de beste en meest gewenschte regel van gedraging zal zijn. Dat er zekere regel moet zijn, voelen we meest nog wel. Alleen wie zeer laag staat, geeft in elk gegeven geval eenvoudig aan de opwelling en den lust van het oogenblik toe. Doch zoo zijn de meeste menschen niet. Voor de meesten staat het nog vast, dat men sommige dingen doen moet, en andere dingen niet doen mag. Alleen maar, de bepaling van wat te mijden en van wat te volbrengen is, houdt men aan zich zelf, en ook houdt men aan zich zelf het recht, om naar den loop der omstandigheden, zichzelven dispensatie te geven, van wat anders uit den aangenomen regel zou volgen. ]

Want wel schijnt het alsof we voor de onderscheiding tusschen goed en kwaad een algemeenen regel volgen, maar meer dan schijn is dit niet, We leven niet alleen. Om ons heen zijn tal van menschen die ongeveer gelijke neigingen hebben als wij. Daardoor komt het dan, dat er in heel dezen kring zeker algemeen gev^oelen ontstaat voor wat gepast of ongepast is. En omdat deze stilzwijgende regel ook ons in het hart opkwam, ontvingen we dan den indruk alsof we niet eigen goddunken volgden, maar een hooger wet. Toch is dit feitelijk niet zoo, gelijk duidelijk blijkt uit de gemakkelij kbeid waarmee we ons aan dezen regel onttrekken, zoodra we door verhuizing of anderszins in een anderen kring overgaan, en tlaardoor met een anderen levensregel in aanraking komen; of ook zonder te verhuizen dezen levensregel allerlei wijziging laten ondergaan, naar gelang we ouder worden, of andere indrukken ontvangen. Zoo waant men dan nog aan zekeren regel te gehoorzamen, men verkeert nog in de meening dat men een hooger beginsel dient, terwijl men toch feitelijk niet anders doet, dan zijn eigen .goeddunken volgen, en nu aan dat eigen goeddunken den eeretitel geeft van rechtschapen, eervol, fatsoenlijk, ideaal of ook eenvoudig zedelijk te zijn. Hierin wordt dan de zonde van het Paradijs volkomen. De Wetgever I is opzij gezet. Zelf is men zijn eigen wet-| gever geworden. Men is nu als God, zelf onderscheidende tust^chen goed en kwaad.

En in de tweede plaats protesteert de f Catechismus tegen het volgen van menschenf ineettin^en. Al naar gelang toch de mensch fier en sterk van karakter, of slap en zwak van aard is, zal hij óf meer neigen omzijn eii; en goeddunken te volgen, óf meer leunen gaan op inzettingen van zijn medemenschen; doch zoo, dat het in beide gevallen is en blijft het volgen van een regel, die niet door God, maar door den mensch is ingezet. Wat hier over de „menschelijke inzettingen" gezegd wordt, versta men intusschen niet verkeerd. Als door den koning van een land inzettingen voor het leven van zijn volk gegeven zijn, mogen deze op zich zelf niet met wat men noemt „menschelijke inzettingen" op één lijn worden gesteld. Voor zoover toch van Godswege aan dcen koning volmacht en bevoegdheid gegeven is, om vooi zijn volk de wet te geven, bindt deze wet de conscientie wel waarlijk. Alleen maar, ze bindt de conscientie niet omdat een mensch het aldus inzette, maar overmits God de Heere aan dezen mensch er de bevoegdheid toe verleende, en overmits diezelfde God den onderdanen den plicht oplegde, om hun koning te gehoorzamen. Vandaar dan ook dat de gehoorzaamheid aan deze wet ophoudt, zoodra de koning in zijn wetgeving de grenzen overschrijdt, die hem van Godswege gesteld zijn, en het gehoorzamen van den koning zelf in zonde overslaat, zoodra zijn inzetiing iets gelasten mocht tegen Gods eerc. Hetzelfde geldt natuurlijk van de inzetilut • i die een hoofd van eengezin voor zijn huisorde maakt; en evenzoo van de inzettingen die voor scholen en allerlei stichtingen zijn ingezet. Dit alles toch zijn inzettingen, die rusten op een van Godswege verleend gezag, en die, binnen den kring van bevoegdheid gegeven, nooit tegen Gods wet overstaan, maar haar uitwerken en er op rusten. Slechts dan erlangen al deze inzettingen een zondig en verkeerd karakter, wanneer de mensch als mensch ze inzet en wij, omdat de mensch ze heeft ingezet, ze opvolgen. Hierin toch ligt tweeërlei kwaad: ten eerste, dat we aan den mensch toekennen, wat alleen Gode toekomt; en ten andere, dat wij onze eigen waardigheid als mensch tegenover onze medemenschen met voeten treden, In wat rang of staat de zondaar ook moge geplaatst zijn, toch is en blijft hij evenals wij zelven een nietig schepsel, wiens adem in zijne neusgaten is en dat met ons in een zelfde oordeel ligt. Zoomin nu als we voor een mensch mogen knielen, evenmin mogen we voor een zondig medemensch een eerbied toonen, die adeen toekomt aan wat goddelijk en heilig is. Een zetregel waar we natuurlijk niet tegen ingaan, als we, om Gods wil, het door Hem op menschen gelegde gezag eerbiedigen; maar dien we onverbiddelijk schenden, zoo dikwijls we een mensch, als mensch, hetzij om zijn geld, hetzij om zijn kennis, hetzij om zijn brutaliteit, eerbied bewijzen. Dat mag nooit en loopt altoos tegelijk op twee zonden uit: op een zonde testen God, wiens eere we aan geen mensch zullen geven; en op een zonde tegen ons zelven, omdat we ons nooit als mensch van eenig mensch als zoodanig afhankelijk mogen stellen.

Daarin dat we God alleen als Wetgever feeren, ligt dus de aanbidding zelve van het .Eeuwige Wezen als God. Ware er geen |God, er zou ook geen gezag over ons bestaan, er zou geen wet, die over ons heerschen kon, denkbaar wezen. En alleen omdat God God is en als God ons zijn schepselen schiep, in stand houdt en absoluut als zijn eigendom kent, daarom heeft Hij en Hij alleen ook in volstrekten zin over ons te zeggen. En dat wel in dezen drieërlei zin: i". Dat er geen andere reden van ons ontstaan en bestaan kan zijn, dan dat God ons voor zichzelven schiep. Hij heeft alle ding om zichzelfs wil geschapen, ook den goddelooze voor den dag des kwaads 2". Dat dit doel Hem alleen bekend was, en Hij dus ook alleen wist, op wat wijs ons bestaan zijn moest, om Hem datgene toe te brengen, waarvoor Hij ons schiep. En 3". dat Hij alleen het verband kan leggen tusschen het doel waartoe we geschapen zijn en het bestaan dat we van Hem ontvingen, d. w. z, zelf alleen den levensregel kan bepalen, waarnaar we leven moeten, om te beantwoorden aan onze bestemming.

Uit dien hoofde is het volstrekt ondenkbaar, dat God de Heere een eenig schepsel in het leven zou roepen, zonder tevens [ook in en bij de schepping ervan de levens-Iwet voor dit creatuur te bepalen. Zoo ont-'stonden dus vanzelf in de schepping der natuur de natuurwetten, d w. z, in de schepping van hef plantenrijk de wet waarnaar de plant leeft, en in de schepping van het dierenrijk de wet waarnaar het dier leeft en werkt. Niet anders staat het met ons eigen lichaam, waarin geen enkel orgaan of lidmaat is, dat niet, hetzij we dit merken of niet merken, voortbestaat overeenkomstig de levenswet die God voor ons bloed, voor onze longen, voor onze zenuwen, voor onze vertering enz. gaf. En onverschillig waar ge Gods schepping bespiedt, hetzij ge de sterren volgt op heur banen, of het licht bij zijn uitstraling, of het water in zijn loop, of uw eigen ademtocht bij zijn uit en ingaan naspeurt, altoos is het de door God gestelde wet die deze uitingen van het creatuurlijk ; even buiten u en in u beheerschen. Zoo gaf God zijn wet voor de wereld van de muziek, zijn wet voor heel de wereld van het schoone. En diezelfde God die der zee haar perk gesteld heeft, die ze niet overschrijden zal, stelde ook de wet in voor den polsslag van uw bloed en voor de uitwaseming vart het vocht door de poriën van uw feuid. Wilt ge dus de Wet des Heeren in vollen omvang overzien, gelijk b. v. de psalmist dit doet in Psalm 119, waar hij in vs. 96 uitroept: > In alle volmaaktheid heb ik een einde ge vonden, maar uw gebod is zeer wijd" i), dan moet ge niet alleen aan de Tien geboden; ook niet enkel aan de Mozaïsche wet, of de wet der zeden en ceremoniën denken; mciar dan moet zich voor uw oog dat gansche samenstel van wetten in alhetcreatuurlijke vertoonen, waardoor al wat God schiep, op de aarde, boven de aarde .en onder de aarde, bestaat.

Is dit nu alzoo, dat God de Heere, omdat Hij onze Schepper ; is, ook vanzelf in die schepping de wet voor het bestaan van alle creatuur gegeven heeft, en dat geen schepping van eenig schepsel zonder die haar verzeilende levenswet denkbaar is, dan ligt het in den aard der zaak, dat de Heere onze God, die alles geregeld, alles bepaald heeft, en alles door zijn wet befheerscht, ook de Wetgever is voor dat hoogere bestaan van den mensch, dat we zijn godsdienstig en zedelijk leven noemen. Aan te nemen, dat God wel de wet voor onze longen en onze zenuwen, maar niet ide wet voor het leven onzer ziel zou hebben ingezet, is uiteraard met het bestaan van God als heilig Wezen onvereenigbaar. En ge moogt het u daarom niet anders voorstellen, of toen God sprak: „Laat ons menschen maken naar ons beeld en onze gelijkenis", lag in dit besluit tevens de wetgeving voor geheel het geestelijk bestaan van den mensch besloten.

Te denken datGod eerst den mensch schiep, en daarna een wet uitdacht, waaraan het leven van dien mensch zou moeten beantwoorden, is menschelijk geknutsel op God den Heere overbrengen. Zulk een afscheiding tusschen scheppen en regelen is in God ten eenemale ondenkbaar. Wat er dus ook later, lang na de schepping, aan den mensch van den wille Gods moge geopenbaard zijn, kan nooit iets anders wezen, dan een repetitie van diezelfde levenswet, die God de Heere met en in de schepping van den mensch als zoodanig had ingesteld. Hieruit volgt dus dat in Adam en Eva, toen ze nog in hun onnoozelneid stonden, de wet des levens evenzeer ingeschapen was en evenzoo vanzelf in hen werkte, als de levenswet, waaraan uw ademhaling onderworpen is, werken gaat, zoodra een pas geboren wicht voor het eerst het mondje opent, adem haalt, en schreeuwt, In het Paradijs zou een uitwendig gegeven wet, gelijk die later op Sinaï volgde, dan ook geen zin hebben gehad. Ais zedelijk wezen ademde Adams ziel vanzelf conform de hem ingeschapen zedewet. Want wel weten we,

i) Dat de Psalmist hier ook doelt op de wet Gods in de natuu. blijkt uit vs. 90 en 91. dat er zeker onderscheid bestaat tusschen die deelen van de levenswet, die instinctief ^li ongemerkt volbracht werden, en die andere deelen van de levenswet, die ons voor een wilskeus plaatst; een onderscheid waarop we later terugkomen; maar dit heft het feit niet op, dat het zedelijk leven den mensch was ingeschapen, en dat dit zedelijk leven zijn eigen wet in zich droeg.

Verstoring van deze harmonie volgde eerst door de zonde. Een oorzaak van buiten af kan op uw ademhaling inwerken, en maken dat ge stikt, en zoo nu ook kon op het zedelijk leven van den mensch een storende invloed van buiten plaats hebben, die maakte dat de mensch zedelijk zich zelf doodde, zoodta hij aan dien invloed plaats gaf. Dit nu is geschied. De zonde is in de wereld gekomen. Door \ die breuke is het zedelijk leven zelf in den mensch verstoord. En tengevolge van die verstoring van het zedelijk leven in ons, is ook de zedewet, die ons zedelijk leven in normalen toestand dreef en beheerschte, gestuit in haar werking. Dit nu is de oorzaak, dat de mensch de spontane kennis van de wet, die zijn zedelijk leven beheerschte, verlo©r, en dat hij, die kennis pogende te herstellen, op velerlei dwaalspoor geraakte. Niet natuurlijk alsof alle kennis, of wilt ge, alle besef van die zedewet te loor ging en werd uitgewischt. Dit kon niet. Een gestoord zedelijk leven is en blijft toch altoos een zedelijk leven, d. i. een leven van een zedelijke natuur. Ook in de schriklijk verminkten op het slagveld ontdekt ge toch nog de menschelijke vormen en de menschelijke trekken; en zoo was het volkomen natuurlijk, dat ook in het gestoorde zedelijk leven van den mensch de hem ingeschapen zedewet nog telkens voor zooverre uitkwam, als de ruïne of de j puinhoop van zijii zedelijk leven nog iets \ van de oorspronkelijke lijnen en trekken ' verried.

Hiermee ging echter gepaard een gestadige achteruitgang. Een gebouw, dat eenmaal ruïne werd, verliest telkens meer van zijn oorspronkelijke volkomenheid. Van daar dat er nu twee lijnen gingen loopen; de ééne van de traditie, den mensch aanzeggende, welke zedelijke eischen terstond na den val nog gevoeld werden, en dus nog waarneembaar waren; en de andere die der werkelijkheid, aantoonende hoe de mensch in zijn feitelijk bestaan telkens meer aan die oorspronkelijke overblijfselen der wet ontzonk. Zoo kwam dus de 'wet als een uitwendige wet tegenover hem te staan, evenals £èt bij een doctor is, die aan asthma lijdt, en die nu wel in zijn boeken kan nalezen, hoe de geregelde ademhaling zijn moet, maar die in zijn eigen ademhaling deze normale v/et niet meer terug vindt, en die er nu naar streeft, om door allerlei kunstmiddel zijn eigen gebrekkige ademhaling weer aan de wet der ademhaling te doen beantwoorden. Op zedelijk gebied ontbrak echter aan die kennis van de zedewet alle vastheid. Er was niet één enkel normaal zedelijk mensch meer beschikbaar, in wiens zedelijk gestel men na kon zien, hoe de normale werking van het zedelijk leven zijn moest. Allen waren ze afgeweken; er was niemand die goed deed; ook niet één. Zoo moest er dus verwarring ontstaan. Wat men in zich zelf nog van de wet zijns zedelijken levens gevoelde, ging al onduidelijker spreken, wijl men zedelijk zoo bitter ziek en abnormaal was geworden; en de uitwendige zedewet die door wetgever en zedemeester aan den kranke

werd voorgehouden, was wel iets duidelijker, maar luidde de ééne maal heel anders dan de andere maal; verloor daardoor alle vastigheid; en ondermijnde elk vertrouwen. Vandaar dat beide waar was, zoowel wat de apostel zegt, dat de Heidenen, geen wet hebbende, zichzelven een wet waren, als hetgeen dezelfde apostel getuigt, dat de Heidenen vreemdelingen waren, verstoken van de woorden Gods.

Gebeurt het nu echter, dat God de Heere, die ons als zedelijke wesens, en daarmee in ons de zedewet tegelijk schiep, iets, (wat dan ook) uit deze zedewet, rechtstreeks aan wien hetzij, openbaart, dan spreekt het vanzelf, dat dit uit de zedewet geopenbaarde niet alleen dien éénen mensch, of dat ééne volk, maar al wat mensch is, geldt. Niet omdat Hij er dit bij zegt, noch oott omdat de vorm der openbaring dit aanwijst, maar eenvoudig, omdat het iets is uit de wet van ieders zedelijk bestaan. Toen dus God de Heere op den Sinaï rechtstreeks aan Israël een vaste bepaling omtrent enkele punten van de zedewet gaf, en dus uitsprak, hoe op deze punten het normale zedelijk bestaan van den mensch moet zijn, had deze openbaring, ook zonder eenige bijvoeging, voorzooverre ze de ingeschapen zedewet raakte, kracht en geldigheid voor al wat mensch heet. Deze openbaring werd aan Israël gegeven, omdat Israël uit menschen bestond. En daar nu de zedewet voor cns menschelijk leven algemeen is, naardien het zedelijk leven in alle menschen gelijksoortig van aard is, gold, zonder eenige nadere bijvoeging, al wat aan Israël omtrent de wet des zedelij ken levens geopenbaard werd, voor alle volk, voor alle natie, voor eiken tijd en voor alle persoon.

Dit zou zoo geweest zijn, ook al had God deze openbaring niet aan Israël, maar aan een volk van Indië of Afrika gegeven; en deze wet Gods bindt niet omdat Israël ze ontving, maar omdat God ze ^af.

Want wel moet ook met het feit, dat ze aan Israël gegeven werd, gerekend worden; maar met geheel andere strekking. In Israël school namelijk de kerke Gods, en deze kerke Gods heeft den last om zijn Woord voort te planten van geslacht tot geslacht en het aan alle natiën te verkondigen. De bepaalde afkondiging aan Israël in zijn hoedanigheid van Verbondsvolk, hield dus in, de aanste ling van de kerk tot bewaar ster en verkondigster van de Wet Gods. Eens geopenbaard mocht deze wet niet weder in vergetelheid geraken. De eens gegeven vastigheid mocht niet weder onvast worden.

En nu het God beliefd had de door onze zonde te loor gegane kennisse van de Wet Gods, door openbaring weer te herstellen, moest de kerke Gods zorgdragen, dat deze kennisse van de wet van ons zedelijk bestaan nooit meer te loor ging en tot alle volk werd uitgebracht. Hieruit verklaart het zich, dat de wet niet in China of Japan, maar uitsluitend ia Israël, als drager van de kerke Gods, werd afgekondigd. Niet alsof hieruit de verbindbaarheid van de wet zou zijn ontstaan; deze toch ligt uitsluitend in het feit, dat God haar heeft afgekondigd; maar opdat die afkondiging voor heel ons menschelijk geslacht doel zou treffen en een iegelijk zijn onschuld, voor God benemen. Iets waaruit men tevens ziet, hoezeer een kerk het spoor bijster is, die wel het Evangelie predikt, maar de Wet zwijgen laat, of ook zendelingen onder de Heidenen zendt, wel om het Evangelie^ maar niet om de Wet te verkondigen.

Alsof Evangelie zonder wet ooit Evangelie zijn kon!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Wet des Heeren.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken