Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Doch zij deden naar hunne eerste wijze.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Doch zij deden naar hunne eerste wijze.”

10 minuten leestijd

Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hunne eerste wijze. 2 Kon. 17:40

> Zal ook een moorman zijn huid veranderen ? '' vraagt de Heere. Wij zouden zeggen : Kan een neger ooit blank worden als een Europeaan ? En om dezelfde gedachte nogmaals aan te dringen, voegt de Heere er bij : »0f zal een luipaard ooit zijn vlekken verliezen? "

Twee snijdende vragen, die natuurlijk niet op den neger en den luipaard, maar op den niensch in zijn stand voor zijn God doelen ; want er volgt op : Als aat kon, als de neger blank en de luipaard zonder vlekken kon worden, »zoo zoudt gij het goede kunnen doen, die geleerd zijt kwaad te doen."

En deze onmacht, om onze natuur om te zetten, was zelfs onder de Heidenen, die God niet kennen, reeds zoo diep gevoeld, dat men te Rome een dichter hoorde zingen : »Al jaagt ge de kwade neiging van uw natuur met een hooivork uw hart uit, toch sluipt ze altoos weer naar binnen."

En nu is dit onder het genadeverbond zeer zeker anders.

Wat nitt de mensch vermocht, vermag de Heere; en door zijn wondere wedergeboorte, gevolgd door de afsnijding der zonde in het bterven, brengt hij het metterdaad te weeg, dat eens, na den oordeelsaag, een gehcelc schare van verkorenen die niemand tellen kan, zoo wit als sneeuw voor den Troon zal schitteren, daar ze toch vroeger één voor één zwarter dan de moorman in hun ziel waren; of ook dat ze zonder één vlek of rimpel voor Gods aangezicht zullen verschijnen, daar ze toch vroeger een hart hadden, als een luipaard zoo gevlekt.

En al is dit nu nog niet zoo in de volle uitwerking, toch is het reeds waar in de kiem en in den wortel. „VVie uit God geboren is, roept de apostel Johannes triomfeerend uit, zondigt niet, en hij kan niet zondigen, want het zaad van God blijft in hem."

Juist dus wat bij Jeremia betuigd wordt, dat de mensch niet kan : »Goed doen hoewel hij kwaad geleerd is'', dat brengt God ia den mensch door zijn genade tot stand.

Er zijn er die licht opvingen van boven, en dat licht schijnen laten, en om wier wille verheerlijkt wordt hun Vader die in de hemelen is.

En toch, ook al belijdt Gods kind dit volmondig en met een Amen der dankzegging, toch blijft er ook bij die heerlijke belijdenis altijd iets over dat hem beklemt.

De zucht, om geheel heilig, heilig ook in de uitwerking, reeds hier op aarde te wezen, komt zoo vanzelf in zijn hart op.

o. Wat zou dat heerlijk wezen, als een verlost zondaar, met de eerste geloofsritseling, niet alleen uit de toerekening van zijn schuld, maar ook uit alle gemeenschap, aanraking en besmetting van de zonde uit was.

Neen, het is haast niet in te denken, maar stel het u toch eens voor, wat hemelsche weelde dat zijn zou, als geen de minste lust of neiging tot zonde ooit ons meer bekroop, als eiken morgen, en eiken avond niet anders dan de reinste lust en liefde, om God te dienen, onze ziel verteerde, * en als het volkomenste evenwicht onafgebroken één heilige harmonie in ons inen uitwendig leven bewaarde.

Dat zou de hemel op aarde wezen, niet waar?

Daarmee zou u hier reeds de rijke vervulling zijn in den schoot geworpen van al wat ge eeuwiglijk voor uw ziel van uw God wacht.

Te veel, te groot, te rijk ware zulke weelde voor uw leven op deze bezoedelde aarde. Maar daarom toch een heerlijke gedachte, waarnaar ons hart soms in verterend heimwee uitgaat.

Maar laat ons nuchteren zijn.

Zoo is het niet. Zoo kan het nog niet wezen. Zoo heeft God het hier op aarde voor zijn kinderen nog niet gewild.

De wereld blijft nog verlokken. Ons eigen vleesch blijft ons nog bekoren. Satan gaat nog voort ons zijn strikken te spannen Ue inwonende zonde druppelt nog telkens gif in ons levensbloed.

Vandaar ons worstelen, vandaar ons strijden, en alleen wie in dien strijd volhardt tot den einde toe, wordt eens gekroond als overwinnaar.

Maar. nu is er iets, dat bij deze nawerking der zonde zeer sterk in het oog valt, en dat is, dat Gods kinderen, ook als ze na hun toebrenging weer struikelen, dat altoos ^doen op de eerste wijze\ gelijk het in het woord uit Koningen heet, dat we hierboven schreven

„Zij deden weer naar hunne eerste wijze.^^

Uu wil dan zeggen, dat een kind van God, ook na zijn bckeering, niet slechts in het algemeen neigingen tot. zonde in zich voelt opwellen, maar dat het altoos zijn persoonlijke zonden zijn die terugkeeren.

Wie vr^/eger in zonde van hoogmoed viel, valt weer in zonde van hoovaardii. Wie eertijds onder zijn zelfzucht bezweek, valt weer in de strikken van zijn egoïsme. Wie leed aan zonde van zinlijkheid en ijdelheid, laat zich weer bekoren door wat voor oogen is. Wie een geldwolf was, valt weer in de afgoderij van Mammon. Wie met heerschzucht tobde, wordt weer overmand door diezelfde zonde. Kortom, het blijft altoos de oude booze kennis die terugkeert. Zonde van dezelfde soort. Een zelfde kant van het hart die bloot altoos weer zondigen naar dezelfde wijze.

En dat juist werkt zoo ontmoedigend, en stoort voor zoo menig kind van God de verzekering van zijn heilstaat.

Zie, hij is nu tot God bekeerd. En immers in die ure der bekeering heeft hij Satan en de wereld afgezworen, maar om den Heere zijn God te dienen, en Hem lief te hebben met zqn geheele hart. En toen hij de zonde afzwoer, heeft hij niet maar zekere zonde in het algemeen afgezworen, maar daarbij vooral en met name gedacht aan de zonde die hem dusver het rneesi in zijn conscieniie had aangeklaagd

Wie ook ooit weer in zijn hart werd toegelaten, die booze vijand zijner ziel zou nooit weer gastvrijheid erlangen.

En nu, een korten tijd liet die zonde ook af en het scheen of haar bekoring had opgehouden.

m Maar.... en dat ontmoedigt dan zoo.... ten leste is diezelfde oude booze zonde toch weer komen aankloppen, en het hart van Gods kind heeft, zoo al niet ingewilligd, dan toch gevoeld, dat het aan die zonde nog banden had.

En toch, als we dieper in het wezen der zaak doordringen, moet dat u niet ontmoedigen, maar eer uw moed verwakkeren om te dapperder en te volhardender te strijden.

Wat toch is de toestand?

Zonde, zonder naam, zonder eigen karakter, zender stempel van een tigen soort, bestaat er eenvoudig niet onder de menschen. Evenmin als ge kuui zegden, dat is een boom, zonder meer, omdat elke boom een eik, een beuk, een peppel, wilg of wat niet al is, zoo ook kunt ge niet zeggen: Dit is nu de zonde, om de eenvoudige reden, dat alle zonde steeds óf zonde van hoogmoed, óf van zinlijkheid, óf van egoïsme enz. is.

Het kan dus niet anders, of ook in u moest de zonde wel een bepaalde gestalte, een bepaalden vorm aannemen. Zonde van een bepaalde soort, een eigen strekking, een eigenaardige tint en kleur zijn.

En dit nu gaat niet bij geval, maar hangt samen met uw bloedmenging, met uw geslachlstradiüën, met uw karakter, met uw aanleg, met uw inborst, met uw talenten, met u^ opvoeding, met uw omgeving, met uw beroep, met uw lief en leed, dat ge ervaren hebt.

In de wedergeboorte vernielt en vernietigt God de Heere ^iet, wat Hij in uw schepping in u verordine«# had; maar fïij herschept het ingezonkene, en brengt al wat naar uw voorverordineering bij u hoort, in u terug

Al het eigenaardige van uw persoonlijkheid behoudt God dus in uw wedergeboorte.

Gij moet niet maar een kind Gods worden, maar een bepaald kind Gods. Een kind Gods van een eigen soort, met een eigen stempel; anders dan elk ander kind Gods.

Gelijk er aan een boom geen twee bladen volkomen gelijk zijn, zoo vindt ge ook in geen gezin twee kinderen die precies eender zijn. Er is altoos verschil, onderscheid, schakeenng. De een is anders dan de andere.

En Zelfs in den minst scherp geteekende, is altoos iets persoonlijks.

Welnu, zoo zal het dan ook zijn in het Vaderhuis, daarboven, als God eens al zijn kinderen thuis heeft. Want ook dan ontvangt een kind Gods een witten keursteen, en op dien keursteen een nieuwen naam, dien niemand kent, dan die hem ontvangt. Wat zeggen wil, dat er in ieder kind Gods een eigen mysterie zal overblijven, waardoor hij van alle andere kinderen Gods verschilt, om alzoo op een eigen wijze niet als één uit velen, maar met een eigen stem en op een eigen toon eeuwiglijk zijn God te kunnen verheerlijken.

Maar hiermee verandert dan ook de indruk, dien het terugkeeren van de oude verleiding, het weer lokken van dezelfde zonde, op uw innerlijk leven moet teweegbrengen.

Gij hadt in uw bekeering uw persoon prijs gegeven, om zonder meer een kind van God te worden. En nu komt uw God u zeggen en toonen, dat Hij hoogere gedachten over u heeft. Dat Hij uw persoon niet prijs gaf, maar in uw bekeenng staande hield, en dat het heilig doel van zijn genade is, om juist u, met uw eigen karakter, mits geheiligd, met uw eigen persoonlijkheid, maar dan gewijd, met uw eigenaardige neiging, maar dan volkomen gelouierd. Hem tot prijs, eens in zijn hemel te doen ingaan.

luist in die droeve, bittere ervaring, dat de oude ziclsvijand terugkeert, ontdekt God de Heere u dan aan u zelf.

Zóó en niet anders is de vorm, dien bij u de zonde aannam, en altoos weer zal aannemen, omdat zóó en niet anders de eigenaardige structuur van uw persoon is, en ge hierdoor aan uw zonde' altoos die bepaalde kleur geeft.

Maar dan verlevendigt dit ook juist den moed, in stee van u te ontmoedigen.

Dit toch weet ge wel, dat in-ieders natuur en persoon juist die wapenen schuilen, die tegen zijn natuurlijken vijand het meest doeltreffend zijn.

Reeds in de dierenwereld ziet ge, hoe God aan elk dier juist de wapenen gaf, die tegen zijn vijand het doeltreffendst zijn.

En zoo is het ook hier.

Tegen een onbekenden vijand is het moeilijk strijden, maar tegen uw ouden vijand, dien gij van der jeugd af kent, is de strijd u niet vreemd. Gij kent dien vijand. Gij kent zijn lagen en verlokkingen. Gij weet tijd en plaats en gelegenheiv), waarin hij u overwon. Gij kunt hem daarom zooveel lichter ontwiJKen, en voor u bij den strijd den voordeeligsien stand nemen. Gij kunt tegen hem waken. G^e kunt uw God tegen hem bidden. En na gebeden te hebben kunt ge tegen hem strijden.

Tegen hem strijden met bitterheid, om de wonde die hij u sloeg. Met wraakzucht in het hart, om hem zijn vroeger geweld te vergelden. Met heilige eerzucht, om nu, nu er een andere kracht in u werkt, niet weer onder te liggen.

Want vergeet niet, is het waar dat uw zonde altoos weer op de oude persoonlijke wijze zal werken, ook uw God werkt met zijn genade op het eigenaardige van uw karakter en uw persoon in Ge ontvangt dus niet maar genade, maar een bepaalde soort van genade. En ook die genade vergist zich niet, maar is op uw persoon berekend.

En daarom, verlies u niet in ijdele klacht, en zweef niet over de oppervlakte van uw leven; maar zie hef helder in, dat uw zonden altoos, tot uw dood toe, uw bepaalde zonden blijven zullen. En in. stee van ontmoedigd te worden, zult ge dubbelen moed grijpen, en het zal uw lust en uw vreugde worden, in 's Heeren kracht, juist die bepaalde zonden te weerstaan.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 april 1893

De Heraut | 4 Pagina's

„Doch zij deden naar hunne eerste wijze.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 april 1893

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken