Bekijk het origineel

„Avond en morgen geweest”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Avond en morgen geweest”.

10 minuten leestijd

Toen was het avond geweest en morgen geweest, de eerste dag. Gen. I : 5b.

Voor óns besef behoort de avond nog tot den dag van heden, terwijl in het Oosten, omgekeerd, de dag uitheeft zoodra de avond invalt.

Dat ziet ge nog aan de Joden in ons midden, die hun Sabbat niet Zaterdagmorgen, maar Vrijdagavond laten ingaan. Zoodra de zon achter de kimmen wegduikt, is de Sabbat er.

Wat wij zeggen: »Elken morgen en eiken avond" heet daarom in de Schrift »eiken avond en eiken morgen" en zóó nu rekent ook het scheppingsverhaal. Eerst: het was avond, en daarna: het was morgen geweest, de eerste dag.

Over dit verschil in gebruik behoeft niet getwist te worden. Het komt daar vandaan, dat wij den nacht niet meetellen. Morgen en avond maken voor ons één langen dag van zestien uren, en dan komen de acht uren van den nacht, die we buiten rekening laten. In het Oosten daarentegen rekent men óók den nacht meê en moet daarom wel bij den avond beginnen.

De Oosterschc taal is daarom diepzinniger. Als de zon er nog niet is, loopt MJ ons de rekening nog niet. Eerst als de zon opgaat, komt het leven, en tot de zon ondergaat, duurt het voort. En wat daartusschen inligt blijft in het onzekere hangen.

Maar in het Oosten komt eerst de avond en de nacht, als die verborgen tijd, waarin God werkt, in den slaap ons verkwikt, en geheel het leven van den dag voorbereidt."^ En dan eerst komt de morgen, als dit door God bereide leven, die door God gewerkte kracht naar buiten treedt, haar glansen spreidt en schittert.

Maar hoe men nu de volgorde ook neme, altoos blijft toch, bij Westerling en bij Oosterling, dat onze levenstijd geen lek is dat tik, tik, rusteloos voortdruppelt; maar dat de loop van onzen tijd is ingedeeld, dat onze tijd wordt {afgebroken, dat er een golfslag in is, die steeds op en neer gaat, en dat door een kunstig bestel Gods heel het aardrijk, en ons leven op deze wereld, twee zijden, twee vormen, twee wijzen van bestaan heeft gekre-. gen, het leven des daags en het leven des nachts.

Hierdoor nu is voor heel uw zielsbesef al wat aan u is telkens weer uit, en dan begint het weer opnieuw.

Dit nu maakt uw leven overzichtig.

Het strekt zich nu niet als één eindeloos vaal, vaag vlak voor u uit, maar het heeft zijn lijnen, zijn grenzen, zijn mijlpalen. Ge kunt het achteruit, en vóór u uit, berekenen. Tot zooverre loopt het, om dan onder te duiken, en daarna weer opnieuw te beginnen. Uw dag, en dan de nacht, en daarna weer de nieuwe morgen, als het leven u nogmaals gegund wordt, vernieuwd voor u treedt, en nogmaals begint.

Een langzaam dreunende klokslag niet van den toren, en niet van uw schoorsteenmantel, maar die uit heel de natuur u tegenklinkt en in uw eigen zielsbesef naklank vindt.

De moeheid en matheid als de avond gedaald is. En dan bij het ontvsraken weer hét gevoel van kracht en frischheid, waarmee ge den nieuwen dag tegengaat.

Nu is dit op zich zelf niets dan een sprake in uw natuurlijk leven. Maar heeft het daarom niet ook een geestelijke beduidenis?

Dat op-en neergaan van den stroom van licht en leven was toch ook reeds in de schepping, toen ©od ze voortbracht, en nog geen menschenoog zich voor het licht kon sluiten of voor het licht kon openen. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag!

Er ligt toch een rekening in dat op-en neergaan, en die rekenende teller richt immers, zoodra hij ook in uw leven doordringt, ook tot u een telkens wederkeerende vraag.

Weer een dag voorbij, en wat is het stuk van uw levenstaak, dat ge dien dag hebt afgewerkt? Weer een nacht die verliep, en waarin God u nogmaals den ledigen pijlkoker gevuld heeft, wat dan zal de taak zijn, waaraan ge die uit genade ontvangen kracht wijdt?

Een leven zonder indeeling zou zijn om eindeloos alles uit te stellen, en nooit iets uit te voeren.

Maar nu uw tijd is ingesneden, niet alleen in jaren, in maanden en in weken, maar ook in dagen, en die dag nogmaals in een avond en een morgen uiteen is gebroken, dringt en prikkelt God de Heere u slag op slag, om uw leven in te denken, over uw leven na te denken. Waarom leef ik? Waarom besta ik? God geeft mij mijn leven, mijn tijd, mijn dag, mijn morgen en mijn avond toch niet zonder doel.

In die lange nachten doet Hij aan u het wondere werk, om u opnieuw kracht toe te brengen, uw hoofd te verfrisschen, uw hart rustig te stemmen, u te ontlasten van zorg en druk.

In den nacht verrijkt Hij u. Niet slechts op het land, waar Hij 's nachts uw tarwe laat groeien, maar ook in uw eigen persoon, in uw bloed, in uw zenuwen, waar Hij 's nachts nieuwe kracht in uitstort. En evenzoo in uw denkend en willend leven, in uw innerlijk zielsbestaan, en in uw genadeleven, waarin Hij, bij wien geen verandering is noch schaduwe van omkeering, ook des nachts, als zijn verborgenheid over uw tente is, zijn werk aan u en in u voortzet.

En nu wordt ge wakker. Ge ontwaakt. Nu hebt ge weer kracht. Ge zijt niet alleen uitgerust, maar ook toegerust. Wat nu? Wat zal nu de vrucht van dien langen dag zijn ? En wat is de roeping, de taak, waartoe ge u opmaakt?

Zoo vraagt de Heere u als het weer morgen is, en als straks de dag is omgevlogen, komt die stille vrager nogmaals, en onderzoekt u, en dwingt u om terug te zien op het afgelegde pad. Nu niet: »Wat zult ge doen ? " — maar: »Wat deedt ge? " Is de taak, waartoe God u riep, voleind?

En wat is dan de uitkomst?

Zou het niet zijn, dat, o, zoo velen klagen moeten, dat niet de helft van hun dag besteed is, en dat de andere helft is verpraat, verkwist in beuzelingen en verdaan? Dat men zoowel enkele vaste dingen die voor zijn rekening komen, afdeed, maar meer uit gewoonte, of omdat ze zoo voorkwamen, maar zonder dat er nog een spoor te ontdekken viel, dat ge iets van uw leven begreept, iets afwist van het woekeren met uw tijd; of ook maar iets verstondt van wat het is, uw dagen zóó te tellen, dat ge een wijs hart bekomt.

Helaas, zoovelen, als ze sterven, hebben bijna vergeefs geleefd. Van wat hét is, in zijn leven iets uit te voeren, hebben ze nooit het stil geheimenis verstaan. En als ten leste hun levensdraad is afgesponnen, doen ze u denken aan een palmboom in de woestijn, wiens vrucht nooit nut kon doen, omdat er niemand was, die die vrucht geplukt heeft.

Hun leven is er wel geweest, de krachten waren er wel, maar die kracht is niet gebruikt, dat leven niet aangewend. Het is alles verkwist en verspild.

En dit nu is niets minder dan een levenszonde. Een verzondigd leven. Want in zonde verzinkt al wat gij niet richt op (fa/oogmerk, waartoe God het u gegeven heeft.

En daarom mogen vooral Gods kinderen wel toezien.

De Italiaan spreekt van zijn (/(? /« far niente, d. i. van het zalige nietsdoen; maar ook onder koeler hemel, waaronder het werken zooveel lichter valt, behoeft ge die beminnaars van het »zalige nietsdoen" heusch niet met een lantaarn te zoeken.

Tegen al wat spant en inspant wordt opgezien. Moet het ja, dan arbeidt men, maar men is o, zoo gelukkig als hetmaar weer af is, en het »zalige nietsdoen" weer kan begonnen.

Zelfs merkten vreemdelingen meer dan eens op, hoe wij Nederlanders in hooge mate traag van aard zijn, en ons aan het degc, krachtige werken en doorwerken en «/werken veel te weinig hebben gewend.'

En zeg nu niet, dat toch al wie met handen brood verdient, van 's morgens tot 's avonds zich afslooft; want laat zulk een man, die eerst hard moest werken, rijker worden, en opeens heeft zijn werken uit.

Niet van werken om brood, maar van werken om Gods wil is hier sprake. Van het besef, dat God u tot iets roept, u een taak oplegt, iets van u wil. Van uw Goddelijk beroep, gelijk onze vaderen het daarom noemden. En vraag u dan eens af, hoe weinigen ze zijn, die zoo, én in hun morgengebed én in hun avondgebed, hun leven opvatten, hun leven narekenen, en gestadige critiek op hun eigen leven uitoefenen.

Maar bovendien, die ééne bepaalde arbeid is nog al uw arbeid niet, waartoe God u riep. Hij geeft u niet alleen spieren en in die spieren kracht, om te spitten of eea hamer te hanteeren, maar Hij gaf u ook heel andere krachten. Of is uw hoofd dan ledig, is uw hart een uitgeschud vat?

En gaf God u die krachten in hoofd en hart dan voor niet, zonder doel, zonder oogmerk, om ze ongebruikt, ongeoefend te laten, en dien akker van uw innerlijk leven braak te laten liggen voor zijn aangezicht?

Wijst dit dan ook niet op een roeping ? Spreekt dit ook niet van een levenstaak ? En is er dan niet maar al te vaak bittere klacht over gebrek aan nadenken, over harteloosheid en soms volkomen ontstentenis van innerlijken arbeid, omdat die .arbeid van hoofd en hart u niet als plicht wordt opgelegd en ook... niet wordt betaald.

o. Als ge op het kerkhof rondwandelt, en ge komt er in, hoeveel dooden daar rusten, die gekomen en gegaan zijn, zonder dat er een denkend leven in hun hoofd, een minnend en toewijdend leven in hun hart ontwikkeld was, van wat verwoesting en vernietiging van goddelijke kracht spreken u dan die graven niet.

En toch ook hun had God het hoofd, ook hun het hart zoo wonderbaar toebereid.

En nu was het alles om niet.

Kracht die verspild is, iets van Goddelijke mogendheid in een menschenkind, maat id*®*dat kind des menschen niet geacht.

Zoo, dat God er zijn eere niet van kreeg.

Het was avond en het was morgen geweest, zoo weerklinkt het, in dieper zin nog, ook gedurig in uw geestelijk genadeleven, ] zoo ge althans het lieflijk schijnsel reeds genieten moogt van de Zonne der gerechtigheid.

Een arbeid in goddelijke kracht. De eêlste kracht der genade zelfs. Een inspanning van kracht uit den Heiligen Geest die in u is, om u als Godskind te doen wassen en groeien en vrucht dragen.

En ook dit uw genadeleven gaat in den tijd in. Des morgens verrijst ge er mede, en des avonds legt ge u met dat genadeleven in uw hart ter ruste.

Ook hier komt dus de vraag, of ge verstaat wat uw roeping is, of ge den loop ziet, dien ge te loopen hebt, of het: Wat wilt Gij, Heere, dat ik doen zal? telkens in uw ziel weerklinkt, en of ge acht geeft op uzelven, om te ontwaren ofgemetterdaad vooruit komt, of ge wint in heiliger zin, en merkt, dat ge niet om niet leeft, maar dat er uit uw genadeleven iets komt, iets uitstraalt, iets dat: de broederen verkwikken kan, en waaruit Gods naam eere ontvangt. En ook bij die vraag zijn we niet gerust.

Soms ontvangt ge, als ge na drie jaren een ouden bekende weerziet, zoo den troosteloozen indruk, dat hij nog precies staat, waar hij toen stond. Geen stap vooruitgekomen, zoo maar niet achteruitgegaan, en in genade verachterd.

En juist daarom moet dat gedachteloos glijden uit dag in dag een einde nemen.

Telkens als het weer avond is, et) weer morgen wordt, moet op de knieën voor God de rekening opgemaakt.

Waarvoor heb ik geleefd, waarvoor zal ik leven, leven ook als kind van mijn Vader die in de hemelen is?

Zóó eerst kan het op de knieën ernst, op de knieën een worstelen worden, en de vrucht van die worsteling zal vrede zijn, omdat ze u wakker schudt uit uw geestelijke traagheid.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1893

De Heraut | 4 Pagina's

„Avond en morgen geweest”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1893

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken