Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onheilige verbintenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onheilige verbintenis.

24 minuten leestijd

Amsterdam, 20 April 1894.

Men moet geheel vreemdeling zijn in de worsteling der geesten, gelijk die zich almeer over alle landen uitbreidt, om niet in te zien, dat er belangen zijn van algemeen Christelijken aard, die alle Christenen, tot wat kerk ook b'ehoorende, saam hebben te verdedigen.

Zij die hierbij weigeren om met de goede en betere elementen in Romes kerk te rekenen, zien voorbij, dat in tal van landen op dit oogenblik alleen deze kerk voor veel dat ook ons heilig is, denk b. v. slechts aan het htavelijk, kan opkomen.

In alle republiek, b. v. van Zuid-Amerika is alleen deze kerk in staat om op te treden, en het Christelijk element is er óf niet verdedigd, óf het wordt er verdedigd door Romes kerk.

Uit dien hoofde is het dan ook volkomen natuurlijk, dat ook in ons vaderland b. V. voor de schoolquaestie. Calvinisten en Roomschen saamgingen, want beiden ijverden hierbij voor eenzelfde doel, de Christelijke opvoeding der jeugd.

Hiertegenover staat' intusschen, dat er ook geheel andere vraagstukken aan de orde komen, waarin wij niet naast, maar tegencruer de Roomschen komen te staan.

Ten onzent met name is in gansche streken van het land de Roomsche bevolking gekant tegen de ontwikkeling onzer constitutioneele vrijheden, gelijk die, bij logische ontwikkeling, zich alom onder alle rangen en standen moet uitbreiden.

Op dit punt bestaat er tusschen de Calvinisten en de Conservatieve Roomschen band noch verbintenis.

Integendeel ftles issus de Calvin" d. i. de geesteskinderen van Calvijn staan te dezen opzichte regelrecht tegen dit element der versteening over.

Juist metj^het: oog hierop nu, deed het ons zoo leed, dat vele Bedienaren des Woords in de Nederlandsche Hervormde kerk zich ditmaal zoo openlijk bij dit Conservatieve element onder de Roomsche bevolking aansloten.

Toen het er om ging om met Rome saam voor de vrijheid van het Christelijk onderwijs op te komen, bleven ze van verre staan, en oordeelden ze elk samengaan met Rome zondig.

Thans echter, nu er sprake is van de ontwikkeling onzer constitutioneele vrijheden, nu hield dit zondige h. i. op, en zag men in meerdere deelen van ons land deze zelfde leeraars gemeene zaak met Rome maken, om de logische ontwikkeling van onze volksvrijheden tegen te staan.

Dit nu smart ons.

Een Bedienaar van het Evangelie is o. i. krachtens zijn ambt en krachtens de mi.ssie van zijn Zender altoos meer geroepen, om de zijde des volks te kiezen, dan om achter de behoudzucht aan te komen.

Daarom verblijdde het ons dan ook te zien, dat lang niet allen zoo deden. Er waren er ook, en niet weinigen, die terstond inzagen, dat wie nog eenigszins aan zijn Gereformeerde belijdenis hecht, nooit bij de reactie zijn plaats vindt.

Dezulken bezielde beter geest en dreei heiliger doel aan.

Als het moet, met Rome voor onze Christelijke belijdenis den strijd aangebonden, maar evenzeer tegen Rome, als het er op aankomt, om den strijd aan te binden tegen Reactie en Behoudzucht.

Bange dagen.

In sommige dorpen worden bange dagen doorleefd door het heerschen van de zoo ontzettende pokziekte.

Eerst telde men dit nog weinig. Immers er was zoo telkens gezegd en herhaald, dat thans geen pokziekte van aanbelang meer kon voorkomen.

Doch zie, op sommige dorpen rust thans de hand des Heeren reeds zoo zwaar, dat er meer sterfgevallen voorkwamen, dan vaak in tijden van cholera.

Wekt nu die angst en die ontzetting het geloof uit zijn sluimering op, en mag het in breeden kring tot verootmoediging komen, dan rijst ook uit dezen dood het leven, en leert de zelfgenoegzame mensch weer zijn toevlucht nemen tot Hem die ons bezoekt in zijnen toorn, maar ook genadig is in zijn ontfermingen.

Maar anders, de plage is ontzettend.

Meer dan iets misvormt de pokziekte, als ze doorgaat den geheelen mensch, ze doet hem als een hulpelooze en ellendige nederliggen, soms is ze reeds in enkele dagen doodelijk, en ook al komt men er uit op, de genezing duurt zoo lang.

Hoevele onzer geliefde broederen zijn er niet al, die als wrange vrucht dier bange ziekte een lief kind, een beminden broeder, ten grave droegen. Soms meer dan één uit hetzelfde gezin.

De prediking die van zulk een krankheid uitgaat is zoo aangrijpend. Moge^ze maar recht velen tot staan brengen op den weg van ijdelheid en zonde, en in menig hart en in menig gezin die innerlijke wegwerping voor den Heere onzen God teweegbrengen, die heiligt en zaligt.

Maar blijke ook, dat bij de moeielijke gevallen, die in zulk een toestand voorkomen, ons Christenvolk de liefde niet verzake, de bedienaren des Evangelies hun volk recht leiden, en in alle dingen de eere Gods op den voorgrond sta. te keuren, daer alleen een siecke in geweest is, alwaer het maer voor een uur of twee

Velen moeten zich thans in gevaar begeven. Ze mogen dit niet doen uit achteloosheid. Ze zouden zondigen zoo ze het deden uit overgeloof. Maar ze moeten het doen als de plicht der liefde wenkt en roept.

A. Neen.

Schoon is het wat Voetius hiervan in zijn Catechismus op het zesde gebod zegt, en wat we, als voor velen nog dienstig hier willen inlasschen, ook al handelt hij niet van de pokziekte, maar van de pest, ziekten die toch helaas, maar al te veel gemeen hebben.

V. Soude men de straten ende huysen, daer de pest in is, met muren ende plancken, of andersins behooren te separeeren of af te schieten .'

Hij vraagt dan p. 662 :

A. Het is een teeken van een seer kranck ende swack geloove.

V. Is de pest oock een schadelieke ende besmettelicke sieckte ?

V. Soude men niet mogen de luyden, in wekker huysen de pest is, belasten in huys te blijven, ja deselve in 't huys sluyten, ofte uytgaende, raet witte stockjens over straet te gaan, ten eynde sy mogen bekent zijn .'

. A. Ja.

A. Het laatste schijnt meer quaets als goets te doen : nadien de menschen, die van de pest verveert zijn, deselve siende, veel eerder sullen komen te verschricken, ende alsoo door, ende van wegen den schrick deselve souden op den hals krijgen. Hét eerste, te weten alleen de luyden in het geïnfecteerde huys tegen haren danck te sluyten, om daer te moeten leven ende sterven, hardt ende onbarmhertigh.

V. Magh men de besmettinge der selver wel vermijden ende vlieden ? A. Ja: soo wanneer het den noot niet vereyscht: want niemant mag hemselven sonder noot in eer.igh perijckel begeven. V. Maer moet men de pest soo mijden ende vlieden om dat het een dootlicke sieckte is: soo dat men sijnen naesten alle liefde ende hantreyckinge weygert, ende alle trouwe, die men haer schuldigh is, verloochene r

V. Soude men die luyden, die de pest in huys hebben, de kerck niet mogen verbieden

A. Geensins.

A. Dat de soodanige haer selven in d'een of d'ander plaetse van de kerck afsonderen, is niet ongefatsoeneert, en dat van wegen die gene, die moghten Van haer verveert zijn; maer dal men .soodanige luyden gantschelick de kerck soude verbieden, dat soude voor deselve hart vallen, nadien sy, moetende voor dien tijt missen den troost ende aensprake der menschen, haer selven soecken te troosten met de aensprake Godes door sijn woort.

V. Bewijst dat ?

A. Om dat men sijn leven moet setten voor de broeders, i Joh. 3, vs. 16, gelijck oock Christus sijn leven voor de broeders geset heeft, I Joh. 3. 16 ende Matth. 25. 43. wort dit mede als een oorsaeck der verdoemenisse gestelt. lek ben kranck geweest, en ghy en hebt my niet besocht.

V. Ja, maer de pest wort ge-excipieert, als zijnde een gantsch besmettelicke ende periculeuse sieckte ?

A. Dat kan ick oock seggen van andere sieckten, als continuële brandende koortsen, den roodenloop, enz. Maer ghy moest uyt Godts woort bewijsen, dat de pe.st ge-excipieert wort.

V. Mogen de Dienaren van Godts woort haer selven wel ontrecken aan menschen die aen besmettelicke sieckten liggen, als pest, enz. om die niet te besoecken, ende te troosten ?

A. Geensins: want der selver plicht is te weyden ende te bewaren , hare schapen, ende insonderheyt wanneer de menschen zijn in dootsnooden, ende aen soodanige sieckte leggen, want als dan hebbense, als van andere menschen verlaten zijnde, aldermeest troost van doen.

V. Is het in de Schriftuer, of oock in goede natuerlicke redenen gefondeert, het huys ses weken onreyn te houden, ende te sluyten, daer yemant van de pest gestorven is r

A. Neen.

V. Item, drie weken het huys voor besmet

V. Hoe sal een Predikant, ofte oOck een particulier mensch, geroepen zijnde ter plaetse alwaer de pest is, of eenige andere besmettelicke sieckte, sich selven met een geresolveerd, getroost, ende gerust gemoedt derwaerts konnen begeven r

A. Wanneer hy vastelick gelooft ende vertrouwt, dat Godt is een Godt des levens ende des doots, ende dat hy beyde gesontheyt ende kranckheyt in zijne hant heeft, en dienvolgens machtigh is hem voor alle schade ende verderf te bewaren, ende sal bewaren, soo sulcks hem saligh is, ja iüsoo seker ende onbeschadight, in sijn beroep gaende, ofte geroepen sijnde, aldaer sal verkeeren, als of hy soodanige plaetse noytgenaeckt en hadde. SietPsalm9i, 4, 5, 6, 7 Kc.

Moge in dien geest beide betracht worden, de voorsichtigheid eenerzijds, en anderzijds de liefde des geloof? . Wachte een ieder zich, dat hij niet door overmoed zijn God verzoeke, maar wachte zich ook een iegelijke broeder, dat hij in het betoon van liefde aan de kranken niet te kort schiete.

Het is zoo, de melaatsclien onder Israël werden geheel afgezonderd, maar dit waren kranken voor hun leven, en toch ook voor hen werd gezorgd. Maar hier heeft men te doen met snel zich beslissende krankheid, en dan mogen de arme lijders niet te kort schieten in de genieting van broedertrouw en hulpe.

I£n wat de vraag aangaat, of het middel der inenting geen gave Gods kan zijn, ons door Hem verleend, om het gif in deze doodelijke krankheid te bezweren, zoo zou ons antwoord zijn: Laat niemand het aanwenden, dan wie het alzoo uit de hand zijns Gods kan aannemen en er Hem voor danken kan. Laat men ons vooral van het lijf blijven met die menschelijke hoogmoedige .sprake, die het ons aan wil preken, alsof we door de inenting den Meere onzen God ontkomen konden.

Hem ontkomt niemand, en alleen hij, die voor zich zelf zeker is, dat hij de inen.ing uit Gods hand ontving, mag en moet ze in den weg der middelen aanwenden.

Niemand oordeele dan hierin den broeder.

Het sta voor alles vast, dat we alle ziekte en dood bestrijden mogen en moeten met de ons van God daartoe geboden middelen, evengoed als we met de middelen die God op onze hand zet, strijd hebben te voeren tegen zonde en verderf.

Dood en ziekte zijn uit zonde en schuld, en daarom onreine, ongoddelijke, onheilige machten, die. God zij lof, eens verdwijnen zullen.

Ligt er in de inenting reddende kracht, dan heeft niet de arts en niet de wetenschap die uitgevonden; want wat zou de wetenschap ooit scheppen kunnen; maar dan is ook hier een kracht werkzaam, die God in zijn genade voortbracht en bestelde.

Of de artsen dikwijls door hun onvoorzichtigheid haar misbruikt hebben, zoodat er booze gevolgen uit kwamen, beslist de zaak niet. Het misbruik heft het gebruik niet op.

En al de vraag komt voor een ieder maar hierop neer, of hij inziet al dan niet, dat er een gave Gods ons ter behoudenis in is geboden.

Dat die vraag angstig drukken en de ziel benauwen kan, verstaan we geheel.

Men wil niet zondigen door een verkeerde daad, en toch er kan het leven van vrouw of kind meê gemoeid zijn. En in den weg der middelen staan wij, als hoofd des gezins, daarvoor verantwoordelijk.

Schrijver dezes, die in vroeger jaren ook zeer zware pokziekte in zijn dorp doormaakte en er al de bangheid bij tal van gemeenteleden van gezien heett, en, o, zoo veel pokzieken bezocht, en straks ten grave begeleidde, kwam na ernstige overweging tot het besluit, dat er meer voor dan tegen de inenting pleit, enjachtte ze dies, als een gave Gods, met groote omzichtigheid te mogen aanbevelen, mits wie het deed, er voor danken kon.

Hij drong zijn zienswijze niet op, maar toch vond ze ingang. Zoo bleef de hoogmoed des menschen beteugeld, er was stilheid en dankzegging, en heerlijk werkte de gloed der liefde.

Sinds rezen er nieuwe bezwaren, en weer andere bedenkingen, maar toch, omdat de zaak zoo ernstig is en er veler leven aan hangen kan, slaat de schaal o. i. in de overweging nog als toen over.

Tegen allen dwang. Tegen alle verheffing der wetenschap, alsof we aan de hand onzes Gods konden ontkomen.

In zijn hand en in zijn hand alleen wenschen we te vallen, en daaaro'm : dan alleen

hebben we vrijheid, om zulk een middel aan te wenden, als we zelf beseffen dat het ons van God komt, en Hij er de eere van heeft.

Onze broederen in Amerika.

Er is te Roselmid bij Chicago een uitgebreid werk van den heer A. Koppenaal verschenen onder den titel: Toelichting in r: ake den kgrkeiijken strijd in Noord-Amerika tusschen de Oud-Holl. Gerej. kefk (Dutch ^(f Ch.) en de Holl. Chr. Geref. kerk (Dutch Chr. Ref. Ch.).

De lezing van dit werk verdient aanbeveling, omdat er duidelijk uit \vordt, hoe hoog; tijd het is, dat ter wille van den Gereformeerden naam deze broedertwist beslecht worde.

Nu acht deze schrijver dat de Gereformeerde kerken in Nederland hiertoe allicht haar goede diensten zouden kunnen bewijzen.

Hierover laat hij zich aldus uit.

De schrijver van xWekelijksch Budget" schijnt eenigsiins bekommerd over de hiërarchie der Nederlandsche Geref. Kerken, jegens de Geref. Kerken in Amerika. Hij vreest voor een kerkelijke rechtbank, waarvoor de Ref. Church door de Dutch Chr. Ref. Church, zal worden aangeklaagd, wegens:

a. ongereformeerde gezangen 3 'b. ongezonde tucht jegens vrijmetselaars; c. vrije en ongestoorde opneming van Arminianen.

Dat de Nederl. Geref. Kerken over zulk eene. aanklacht niet zouden mogen oordeelen, als zijnde zulks buiten hare competentie, is m. i. met de competentie der Kerke Christi in tegenspraak. Hare competentie brengt niet slechts mede, maar legt haar op en gebiedt haar voor het zielenheil te waken van de naar hier vertrekkende emigranten; en ook om niet alleen gemeenschap der heiligen te oefenen, door eene bloote begroeting op Synoden, maar om te trachten als gerejormeerdc wereldkerk., zich tegenover de dwalingen van God-miskenning of verduistering van het Bloed der verzoening eenerzijds, onkunde, sectarisme en farizeïsme anderzijds, te openbaren.

De aanklacht van Ds. j. H. Vos is niet aangenomen op de Synode te Dordrecht in 1893. Waarom niet? Omdat de aanklacht niet vergezeld ging van bewijzen. En als bewijs moet men feiten aanwijzen, zwart op wit, of onder eede kunnen bevestigen.

Dewijl wij evengoed de Dutch Chr. Ref Churcji kunnen belasteren met nietszeggende bewijzen of met groote en ontzagwekkende holle phrasen, z«oals reeds lang is geschied en op de Synode te Dordt afgekeurd en nu weer door üs. H. Beuker, sCalvinisrisch wordt aangetoond", (sRechtsbestaan" laatste ged.) zonder steekhoudende argumenten, behoeven wij o. i. voor de kerkelijke uitspraak niet te vreezen.

Geloof niet, waarde heer en vriend, dat men tegenwoordig in Nederland zich knollen voor citroenen in de hand laat stoppen. Het is waar, Ds. Beuker schrijft o. m., dat vrijmetselaars even goed als voor 1892 toegelaten worden ; maar dewijl zulk eene aanklacht weer los daarheen is geworpen, zonder bewijs, zullen de Geref Kerken in Nederland oordeelen:

a. Ds. Beuker weet geen plaats waar., tijd wanneer en hoedanigheidd^ï zonde op té noemen. h. Welk bewijs heeft Ds. Beuker, daXpubliek de vrijmetselaars aangenomen worden in de Geref Kerken ?

c. Verborgen zonden kan de Kerk niet behandelen, omdat zij geen inquisitoriaalV.axakttr heeft. y> De intimis non iudicat ecclesice" is beslist de leuze der Geref Kerken in Nederland.

Nu brengt het zielenheil der emigranten en 'het kerkelijk standpunt der zich noemende HoUandsche Kerken van afkomst en tegenwoordige openbaring in N.-Amerika ook mede, dat de broederen in Nederland voor zich zullen beslissen, waar zij hun geestelijk kroost aan toevertrouwen r Komen zij in de Ref. Church, die volgens de Holl. Chr. Geref broederen een spoel" gelijkt, vol dwaling in leer, tucht en dienst, dan zondigen zij eene zeer groote zonde. God eischt het van hen, dat zij de vertrekkenden met attest naar de ivettige openbaring van 't lichaam Christi zenden.

Om te weten welke Kerk de wettige openbaring van het lichaam Christi is, in N.-Amerika, moet de geschiedenis geraadpleegd worden, alsmede de Belijdenis der beide kerkgroepen. Uit de Synodale verhandelingen, alsmede uit de critiek in de kerkelijke organen — immers, er zijn een aantal speurhonden, die afgericht zijn op vrijmetselaars, gezangen en Arminius — zal het evident blijken, aan welke Kerk de zorg van de emigranten moet worden opgedragen, die dan ook op haar beurt bevoegd is om mee te spreken. De andere Kerk zal dan geene erkenning mogen hebben, maar zitting geweigerd op de Synoden, als : a. valsche Kerk, d. i. synagoge des satans; b. Kerk in diep verval., waarmede te breken dure roeping en plicht is, omdat reformatie niet geduld wordt, maar door vervolging en ontzetting uit het ambt en lidmaatschap verhinderd wordt binnen haar. En hieruit volgt dan weer als van zelf, dat diegenen, die God de Heere verwaardigde Zijne Kerke tot openbaring te brengen, door breuke met de bestaande, die in leer, tucht en dienst een schijnkerk werd, erkend moesten worden als wettige openbaringen in elk land, dorp of stad, waar zij reformatisch optraden. Bleek het nu, dat genoemde Kerk geen synagoge des satans was en geen Kerk in diep verval, maar eene Kerk, die op enkele plaatsen wellicht geen gezonde tucht oefende of ook wel ongereformeerde leeraren tuchteloos liet begaan, dan zou afscheiding van zulk een kerkverband als revolutionair beschouwd worden. Zulk eene Kerk, die revolutionaire fundamenten en bouworde heeft, zou als van zelf ook niet erkend kunnen worden door de Ned. Geref Kerken. En daar een van beiden waar is: óf de scheiding, die in 1857 en 1882 hier plaats greep, is reformatisch, óf zij is revolutionair; daarom is het noodig èn voor het zielenheil der Nederlandsche emigranten, èn voor het Calvinistisch beginsel van kerkregeering, dat de Ned. Geref Kerken hunne roeping verstaan.

Die roeping is geen andere, dan onderzoek in te stellen en Vereeniging te bevorderen in de Geref Kerken in Amerika. En indien sommigen weigeren te vereenigen op de voorwaarden, door de Geref Kerken in Nederiand en in Amerika vastgesteld, dat dan de kerkelijke correspondenrie met hen afgesneden worde. Bloote complimentatie is daarenboven onvoldoende, om in een Wereldconcilië der algeineene Geref Christenheid samen te komen en vraagstukken te behandelen, die in 1618 en 1619. te Dordrecht (Ned.) vastgesteld zijn, maar heden herziening behoeven.

Het confoederatief verband nadert dan eerst zijne voltooiing, als alle belijders van de Pauhnische leer over de geheele wereld, elkander de behulpzame hand bieden. En dit kan niet geschieden door begroeting, maar door meespreken in de kardinale vraagstukken.

In het beginsel van Geref kerkrecht ligt m. i. ook, dat in verband met den kerkelijken toestand in Amerika, alle popingen moeten worden aangewend, om alle Gereformeerden kerkelijk te vereenigen. Het moet uitkomen, dat de Kerken Christi op aarde maar een lichaam zijn, waarvan Jezus Christus, onze dierbare Goël, Profeet., Priester en Koning is. Hij is de Koning der koningen, de Heer der Heeren. Een Heer, een geloof, een doop te belijden, is het kenmerk der waarachtige eenheid in Gods Woord, aangewezen voor Christus Kerk op aarde. De Godsopenbarmg leert ons evident, en de Geref Kerk belijdt op grond daarvan: sWat God samengevoegd heeft, magdemensch niet scheiden."

Leugen en zo7ide is alle menschenpogen in Jezus Kerk. Waarheid en Heiligheid zijn uit God.

De Apostel Paulus roept de geloovigen van zijn tijd en ook ons, door den Geest des Heeren toe, om de ongeloovigen en de heidenen niet na te volgen in ongehoorzaamheid, onkunde en wereldzin, maar «navolgers Gods te zijn, als geliefde kinderen", opdat Gods verkiezing in Christus openbaar worde jegens ons, uit het benaarstigen van onze roeping, overeenkomstig de Godsopenbaring te betrachten.

Eer dat wij eindigen, merken we op: wie de Scheiding "onder"de Nederlandsche belijders in het Westen van Amerika wil leeren kennen, de historie der scheiding in Nederland moet bestudeeren. Het provisioneele standpunt van Ds. A. C. van Raalte c. s. werd in 1839 verworpen door het ontstaan van de zich noemende Kruisgemeenten eenerzij ds, en het uitruilen van het gereformeerd kerkrecht voor het Labadistische kerkidee door Ds. Scholte en Ds. Ledeboer anderzijds. Wie nu letten wil en kan op het verloop, dat de miskenning der historie door Ds. Scholte en Ledeboer, heden te aanschouwen geeft, zal uitvinden, dat hun kerkelijk nakroost de grootste verdeeldheid te aanschouwen geeft. Niet het Koningschap van Christus, maar nabootsing onder een zeer vromen vorm, waaraan menschenpogen ten grondslag ligt, is het resultaat. Meerderheid van stemmen beslissen steeds bij de minachters van Christus Koningschap. En ofschoon wij geen andere dan oprechte bedoelingen mogen veronderstellen bij Ds. Scholte en Ds. Ledeboer, toch leert ons hier weer de historie, hoe dat zelfs hun eigen geloofskracht en gereformeerde wetenschap, onderging in sectarische bekrompenheid.

f Satan is de tegenvoeter van Jezus Christus en Zijne Kerk op aarde. Voortijds tastte satan met de wapenen der onkunde het Profetisch ambt van Christus aan. Satan had in de Kerke Christi zijne vazallen en zelfs met de onkunde der godzalige Vaderen bestreed hij de leer der vrije Genade in Christus, zonder de werken der Wet. De voorverordeneering of predestinatie wist Satan in nevelen te hullen; Gods volk deed daaraan meê.

Augustinus vermocht, door 's Heeren Geest geleid, een middel te zijn om de Paulinische leer eenigszins op te helderen. Bernhardus volgde later de lijn van Augustinus. Calvijn zou het middel in 's Heeren hand worden om de Paulinische leer na verloop van eenige eeuwen, helder en zuiver te ontwikkelen. Satan bestreed in 't bijzonder liet Bloed der verzoening en de voorbidding Christi, nadat hij het Profetisch ambt Christi had beneveld. Het Priesterschap Christi moest ook in nevelen worden gehuld. De kerkhistorie leert ons de uitkomst. Nu was het Koningschap Christi aan de orde, om daarop bijzonder te letten. Van twee zijden bestrijdt Satan Christus Koningschap. Ter eener zijde moest dit ambt in nevelen gehuld in de veste der Kerke, om de aanbidders en belijders van dien Koning te doen dwalen en 's Heeren ongenoegen over hen te doen komen. Ter anderer zijde moest in de Kerke Christi, door vergulde vroomheid en nabootsing., de kinderen des Koninkrijks verdeelen. Het koninklijk ambt van onzen Heer, wil Satan uitruilen voor onwaarachtige vroomheid, die door hem zelf wordt ingegeven. .

O, belijders des Heeren ! wordt van den booze niet overwonnen; laat Satan U niet met zijnen demonischen invloed bezielen. Waakt op; eert dien Koning der koningen; hebt zijne Wetten lief Gehoorzaam Zijne bevelen en eerbiedig Zijne ambten. Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent en het koninklijk ambt van Jezus Christus naar waarheid waardeert.

Dit stuk namen we in zijn geheel over, omdat men eerst door zulk een stuk door te lezen merkt, hoe ernstig het geschil is, en wat geestelijk kwaad er uit dezen strijd staat geboren te worden.

Ons dunkt, indien onze kerken geroepen werden, om in deze zaak de Amerikaansche kerken van goeden raad te dienen, zou dit niet moeten strekken om partij te kiezen, maar om verzoenend op te treden, en mocht het zijn, met Gods genadige hulpe ook in Amerika de breuke tusschen de broederen te heelen.

Voor zoover wij uit de verte over de zaak kunnen oordeelen, is er aan beide kanten wel een steek los, en deed men beter met op eigen terrein elke korrel van den verkeerden zuurdeesem uit te bannen, dan dat men met arendsoogen die korrel bij een andere kerk opspoort.

De liefde moet ook hier de band der volmaaktheid zijn, en beider zin en bedoelen moet zich vereenigen in het hoog en heilig streven, om den Gereformeerden naam tot eere en invloed te brengen, ook in he kerkelijk zoo blootgestelde Amerika.

Recensie.

In Seyffards Boekhandel verscheen van C. F. SCHÖTTELNDREIJER, een ernstige waarschuwing tegen eengroot gevaar, waarin op kiesche, teedere en hoogst ernstige wijze de vreeselijke zonde der zelfbevlekking, die, helaas, zoo ontzettend rondsluipt, wordt bestreden met alle kracht.

In wat geest dit goede boekske geschreven is, blijkt uit dit roerende slot:

Vöór ik de pen neerleg, moet ik u, mijn jongen vriend, die u aan dit kwaad schuldig weet en er berouw over hebt, nog eene gewichtige mededeeling doen.

De Heere zegt in Zijn heilig_ Woord: Die zijne overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn: aar die ze bekent en laat, zal barm­ hartigheid verwerven. (Spr. 28:13) En op eene andere plaats (i Joh. i : 9): indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid."

Die troostwoorden en nog vele andere zijn geschreven op 's Heeren last, opdat gij in uwe droefheid en vreeze hoop zoudt scheppen. Want die waarlijk berouw heeft, ziet zijne overtreding; hij erkent die; hij bekent, dat hij tegen God gezondigd heeft; hij is daarover diep bedroefd en wenscht niets vuriger dan dat hem zijne overtredingen vergeven worden. Welnu, de weg van vergeving is, voor den berouwhebbende, van Godswege gebaand in Zijnen lieven Zoon Jezus Christus. Gij moet dus naar Jezus toe. Hij heeft den berouwhebbenden moordenaar aan het kruis gered en gezaligd. Zijn bloed, dat Hij in Zijn offerdood gestort heeft, reinigt van alle zonden. Hij is volkomen machtig, om ook u te verlossen, niet alleen van uwe vuile zonden, maar ook van alle qverheersching der zonde. Daarom riep Zijn vriendelijke mond het uit, toen Hij nog op aarde was: sik ben de weg, de waarheid en het leven." En op eene andere keer: Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt; Ik zal u ruste geven. Neemt mijn juk op u en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe ziel. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht."

Gij moogt dus niet wanhopen. Immers Jezus Christus roept, dat ge tot Hem moet komen. sKomt herwaarts, " beteekent zooveel als : sKomt hierheen." »Komt hier." Niet zelden gebeurt het toch, dat iemand, die gaarne verlost wil wezen, niet terstond naar Jezus gaat, maar door eigen kracht of zelfbedachte middelen vergeving en verlossing zoekt. Dè, t zoeken is in de verkeerde richting, want het is van Jezus af en loopt op teleurstelling uit. Daarom roept de Heere: sKomt herwaarts tot Mij!" Die dus in waarheid vergeving en verlossing zoekt, moet naar Jezus heen, en hij zal beiden ontvangen.

Er zijn voorbeelden van knapen en jongelingen, die overtuigd zijn geworden van den zondigen weg, dien zij bewandelden; die de afschuwelij kheid van de geheime zonde, waartegen dit boekje waarschuwt, hebben ingezien; die tot Jezus zijn gevloden met de ootmoedige en oprechte iDede om vergeving en verlossing; en die ondervonden hebben, dat het waarachtig is, wat Jezus aan dezulken beloofd heeft: »Ik zal u ruste geven."

Ik herinner mij (om uit velen één voorbeeld te nemen) wat een oud-militair mij uit zijnjongelingsleven verhaalde.

Op zekeren nacht was hij in felle verzoeking tot zonde. Hij wist, dat hij niet doen mocht, wat zijn booze hart begeerde; hij redeneerde en worstelde er tegen; maar de verzoeking werd al sterker. Het zweet brak hem uit. In zijn angst riep hij tot Jezus : «Heere Jezus, help mij!" En in het volgende oogenblik was de kracht der verzoeking gebroken. Hij kreeg rust en kon slapen.

Zoo is het. Jezus, die den zinkenden Petrus verhoorde, verhoort nog alle roepen, dat in den strijd tegen de zonde tot Hem opgaat om Zijne hulp. Zijne bewaring, Zijne redding.

Er zijn voorbeelden van, dat knapen en jongelingen, met wien het reeds zoover gekomen was, dat zij de verzwakkende en verwoestende gevolgen van de schandelijke zelfbevlekking, waaraan zij zich overgaven, duidelijk begonnen te gevoelen, stil gehouden werden op dien verderfelijken weg; en, na door Jezus genade van de heerschappij der zonde verlost Ie zijn, nog flinke mannen zijn geworden; mannen, uit hoogeren of lageren stand, die door Hem in de maatschappij en in de kerk tot sieraden zijn gesteld en tot sprekende bewijzen van de wondere werking Zijner uitnemende genade.

Daarom, mijn jonge vriend, die gaarne verlost wilt zijn van het inwonende bederf en bestand tegen de zonde, die lichtelijk omringt, vlucht tot Jezus en neem Zijn juk op u; d. i. onderwerp u met geheel uw hart aan Zijne tucht en leiding, aan Zijne besturing en heerschappij.

Dat toch aller oog voor deze omsluiping van Satan openga. Dat toch vader en moeder wake. Dat toch onze jongelingen en jongedochters in reinheid voor reinheid worden opgevoed.

Ook hier geldt het: De reinen van harte zullen God zien.

Deze zonde vermoordt de zielen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1894

De Heraut | 4 Pagina's

Onheilige verbintenis.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1894

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken