Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Engeien.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Engeien.

17 minuten leestijd

XIX.

De Heere regeert, dat de volken beven; Hij zit tusschen de cherubim; de aarde bewege zich. Psalm 99 : 1.

Onder de hemelsche wezens, die niet bloot als engelen, maar met een afzonderlijken naam worden aangeduid, bekleeden de Cherubijnen en Serafijnen de meest in het oog vallende plaats. Slechts bestaat tusschen beider vermelding in de Heilige Schrift dit veelzeggend verschil, dat de Cherubijnen heel de Schrift door optreden, terwijl de Serafijnen slechts éénmaal voorkomen, en wel in het roepingsvisioen van den profeet Jesaia. Het zou dan ook niet aangaan, om Cherubijnen en Serafijnen in één adem te noemen, indien niet ook de figuur der Serafijnen ons zoo opzettelijk beschreven werd, en indien hun niet een dienst ware opgelegd, die met den dienst der Cherubijnen althans eenige verwantschap toont. Wat in beider figuur overeenstemt is het gevleugelde. Zoowel de Cherubijnen in het Heilige der heiligen, als de Serafijnen in Jesaia's visioen, zijn van vleugelen voorzien; op deze vleugelen wordt bijzonder nadruk gelegd; en het getal der vleugelen wordt afwisselend als twee, vier en zes opgegeven. Uit deze vleugelen der Cherubijnen en Serafijnen heeft men nu ten onrechte afgeleid, dat alle engelen met vleugelen voorzien zouden zijn, en dat alzoo de engelen in het gemeen als gevleugelde wezens waren te denken. De kunst vooral heeft zich van deze voorstelling meester gemaakt, en dit denkbeeld van de gevleugelde engelen is in den loop der eeuwen allengs zóó overheerschend geworden, dat het ons moeite kost een engel zouder vleugelen te denken, ieiwijl wc omgekeerd terstond weten dat een schilder of beeldhouwer een engel bedoeld heeft, zoo ons een heilige voorstelling met vleugelen getoondt wordt. Ter afsnijding van misverstand sta hier daarom duidelijk uitgesproken, dat aldus wel de kunst, maar niet Gods Woord leert, en dat, heel anders, in de Heilige Schrift de gewone engelen altoos zonder vleugelen verschijnen, terwijl, ter onderscheiding, alleen van de Cherubijnen en Serafijnen vermeld staat, dat ze zich met vleugelen het aangezicht dekken of ook op vleugelen vlogen.

Dit is echter niet genoeg gezegd. Er moet toch aan toegevoegd, dat ook de vleugelen der Cherubijnen en Serafijnen enkel in zekere voorstelling van hun wezen bestaan, die God aan onze verbeelding gaf. Hierbij herinnere men zich, wat vroeger in den breede door ons betoogd werd, dat de engelen ^«lichamelijk zijn en een bloot geestelijk bestaan hebben. Worden ze nu desniettemin in een visioen als met een lichaam voor ziene wezens voorgesteld, en worden aan dat onderstelde lichaam vleugelen gehecht, dan is dit alles louter teekening voor onze verbeelding. Omdat wij, menschen, die als ziel en lichaam bestaan, ons niets ^«lichamelijks voorstellen kunnen, en ons van een louter geestelijk wezen geen denkbeeld kunnen vormen, heeft het God den Heere beliefd, in al zulke visioenen deze ^^«/^/«/'^•(f wezens onder een waarneembare gestalte aan ons voor te sïeüen. 'Niet omdat ze wei-kelij kin'zulk een waarneeinbare gestalte bestaan, maar omdat ons een louter geestelijk wezen niet kan getoond worden. Gelijk we ons de trilogie of, wil men de trits, van Geloof, Hoop en Liefde voorstellen als een kruis en een anker en een brandend hart, al weten we zeer goed, dat dit slechts zinnebeeldige figuren zijn, zoo ook worden de Cherubijnen en Serafijnen ons als gevleugelde wezens voorgeteekend, al weten we opperbest, dat ze én van een lichaam én dus ook van vleugelen verstoken zijn. Ge moet u dus nimmer inbeelden, dat er in den liemel zekere wezens met gevleugelde lichamen, met een arendskop, een leeuwenkop, een stierenkop enz. bestaan. Van dat alles is in de werkelijkheid niets hoegenaamd te vinden, en al zulke voorstellingen strekken uitsluitend, om de aanwezigheid van een louter geestelijk wezen voor ons aan te duiden. Als er van het Paradijs gezegd wordt, dat God Cherubijnen stelde om den ingang van den hof te bewaken, en als daarbij melding geschiedt van het lemmer eens zwaards, moet ge het u niet voorstellen, alsof Adam dien Cherub als een gevleugeld wezen met een zwaard in de hand gezien heeft, maar dan dient ook hier deze voorstelling alleen, om ons de aanwezigheid van zulk een machtig, door God daar besteld, maar louter geestelijk wezen, voelbaar te maken.

Toch leide men hieruit geenszins af, dat de breedgeteekende voorstelling van deze Cherubijnen en Serafijnen, als voorwerp voor uw verbeelding, voor u geen waarde zou bezitten. Als toch God de Heere ons deze machtige wezens onder znlk een vorm en In zulk ceii beeld voorstelt, dan-is er altooc een reden aanwezig, waarom God de Heere ze ons zóó en niet anders verzinnebeeldt. Dat ze ons aldus en niet onder een andere gestalte worden voorgesteld, is omdat in deze voorstelling, in zulk een afbeelding en onder dusdanige symbolische figuur, het best de innerlijke trekken van hun geestelijk wezen, van hun werking en van hun roeping uitkomen. Worden ze ons b. v. geteekend als figuren met duizend oogen, dan hebben ze wel die duizend oogen niet, maar dan wordt onder het beeld van die duizend oogen toch aangeduid, dat ze het vermogen bezitten, om naar alle zijden in Gods schepping in te gluren, dat hun kennis en waarneming veel grooter dan de onze is, en dat hun waakzaamheid in den dienst onzes Gods de onze zeer verre overtreft. En ioo ook duiden hun vleugelen aan, niet dat ze werkelijk vleugelen hebben, maar wel dat ze van ons verschillen, gelijk de vogel verschilt van het land-en waterdier. Het land-en waterdier is gebonden aan een vaste plek, belemmerd in zijn beweging en buiten staat om zieh buiten zijn element te begeven; terwijl omgekeerd de vogel, dank zij zijn vleugelen, zich in hooge vrijheid boven land en water verheft. Dit nu op de vergelijking tusschen ons en deze Cherubijnen toegepast, duidt alzoo aan, dat ze onze beperktheid en gebondenheid niet kennen, maar, door niets belemmerd, zich bewegen werwaarts ze willen en werwaarts hun dienst •? , ^ , 'oept. Dat ze beurtelings, of gelijktijdig, met den kop van een mensch, een adelaar, een stier en een leeuw geteekend zijn, beduidt volstrekt niet, dat ze in den hemel zulke dierenkoppen of ook een menschenhoofd dragen, maar wel, dat in hen zoodanige macht vereenigd is, als voor ons besef door die vier koppen wordt aangeduid. De indruk van majesteit dien de leeuwenkop, van kracht dien de stierenkop, van al doordringenden blik dien het arendsoog, en van bewustzijn, dien de menschenkop op ons maakt, geeft te kennen den indruk, dien de Cherub, als geestelijk wezen, eens op ons maken zal. Al deze beelden of figuren zijn dus niet de photographie van de gestalte der Cherubijnen of Serafijnen, maar de Goddelijke kunstvoorstelling, die het geestelijke van het wezen in zichtbare trekken afbeeldt.

Eerst wie dit recht gevat heelt, zal dan ook inzien, waarom het zeer wel mogelijk is, dat de onderscheiden voorstellingen, die de Heilige Schrift ons van deze wezens geeft, zoo vaak verschillen. De Cherubijnen, die Ezechiël ons teekent, vertoonen in hun raderen, met heiligen gloed doorvlamd, een geheel andere voorstelling dan de beelden der Cherubijnen die in den Tabernakel en in Salomo's Tempel stonden. Iets wat tot onoplosbare moeilijkheden zou leiden, indien in beide voorstellingen het wezen, de heusche gestalte van den Cherubijn gephotographeerd was. Dan toch zouden beide photographieën dezelfde figuur moeten vertoonen. Maar ook iets, waarbij alle moeilijkheid wegvalt, zoo men éénmaal weet, dat deze voorstellingen slechts zinnebeeldig bedoeld zijn. Dan toch is het geheel natuurlijk, dat telkenmale de gestalte zóó gewijzigd wordt, was, - trek 0'.TJ C5-'' hun wezen te laten uitkomen. Wie hier geen oog voor heeft, raakt gedurig bij het lezen der Schrift in de war, en stuit telkens op zwarigheden; terwijl omgekeerd, wie op juiste wijze tusschen wezen en zinbeeldige voorstellifiglztrAe. onderscheiden, geniet in elke gewijzigde en zelfs afwijkende voorstelling, omdat ze zijn kennis van de engelenwereld en van het wezen der engelen verrijkt.

Komen we nu eerst op de Cherubijnen, dan zij over dezen naam opgemerkt, dat het stamwoord, waarvan deze naam is afgeleid, hoogstwaarschijnlijk saamhangt met den stam van ons woord grijp-cw. De g, de r en de/ in den stam van grijp-en loopen toch evenwijdig met de ch-, de r en de b in het woord Cherub, of Chrub. Op de klinkers moet men hierbij minder letten. De medeklinkers zijn de hoofdzaak. Naar die afleiding zou het woord Cherub beteekenen: het aangrijpen, d. i. het met geweld ea overmacht de hand aan iemand slaan. Gelijk het wezen van den politieagent er bij ons in ligt, dat hij het recht en de macht heeft, om de hand aan een persoon te slaan, hem te vatten en aan te grijpen, zoo zou dan ook het woord Cherub aanduiden, dat de Che­ rubijnen de door God bestelde machtige wezens zijn, die recht en macht hebben, om een ander creatuur met den sterken arm aan te tasten, te weerstaan, af te weren of 'te gnjpeu. Een beteèkenis die zeer wel overeenstemt met de eerste vermelding van de Cherubijnen die we in de Heilige Schrift vinden. Immers, als de Cherubijnen voor het eerst optreden, worden ze als wachters bij den ingang van het Paradijs geplaatst, juist zooals thans een schildwacht of politieagent bij den ingang van een koninklijk huis wordt gezet, ..om het binnenkomen van ongenoode gasten te beletten. In den naam zou alzoo tweeërlei liggen: ten eerste een uitdrukking van macht, en wel van zulk een macht, dat ze geweld kunnen oefenen; en ten tweede van hun roepi7ig om met deze macht de heiligheden Gods tegen het onheilige te verdedigen en te verweren.

Het optreden van de Cherubijnen in den Tabernakel en in Salomo's Tempel is hiermede niet in strijd. Wat toch geschiedde in Tabernakel en Tempel ? Wat anders dan dat hier hereenigd werd, wat in het Paradijs door de zonde gescheiden was. Vóór den val leefde God met Adam in het Paradijs saam, in heilige gemeenschap, en omdat er geen zonde was, behoefde geen Cherub den zondigen mensch van God af te weren. Toen daarentegen de zonde was ingetreden, en alzoo de gemeenschap tusschen God en Adam verbroken was, moest de Cherub optreden, om de heiligheid Gods te verzveren tegen 's menschen onheiiigheid. Ennui; den Tabernakel en in den Tempel wordt door Gods ontferming het mysterie geopenbaard, om den heilige God en den zondigen mensch toch weer saam te brengen, maar zóó dat de zondige mensch ontzondigd wordt. Tabernakel en Tempel zijn daarom een »Tente der samenkomst, " d. i. van een weer saambrengen van God en mensch. Zulk een Tente was e.er'^t het Paradijs geweest. Daar leefden God e: i mensch saam. Sinds leefden God en menscli gescheiden. Nu echter in den Tabernakel keert God tot den mensch weder, en wordt de genjeenschap tusschen Schepper en schepsel hersteld. Ware nu deze gemeenscha]) met God in den Tabernakel en in Salomo'; Tempel op zulk een wijze tot stand gekomen, dat de mensch, eer hij in den Tabernakel inging, zvezenlijk ontzondigd ware geweest, zou de Cherub in den Tabernakel geen roeping hebben gehad. Maar dit was 7iiet het geval. De mensch, die in den Tabernakel inging werd wel ontzondigd, met name de hoogepriester, maar slechts zinnebeeldig, niet werkelijk. Het bloed van stieren en van bokken kon niet de zonde zelve wegnemen; het kon slechts de wegneming aanduiden. Van daar dat feitelijk deze mensch die voor Gotl naderde zondaar was en bleef. Toen Aaron voor het eerst in het Heilige der heiligen gint; was het een zondig mensch die voor den heiligen God verscheen. En dit feit nu, dit naderen van een zondigen mensch voor den heiligen God, dit juist maakt het tusschen beiden treden van den Cherub, hier in de Tabernakel, even noodzakelijk als eens in het Paradijs. Alleen het was een tusschen beiden treden OJJ een andere wijze. In het Paradijs om den zon­ daar af te weren en te verdrijven, in den Tabernakel om hem te laten toetreden met het bloed der verzoening, maar onderwijl de vleugelen opheffend en uitbreidend, om de majesteii Gods tegen bezoedeling met het onheilige te vrijwaren. Eerst als de wezenlijke verzoening in Christus gekomen is, treedt de Cherub terug, het voorhangsel scheurt van boven tot beneden, en de gemeenschap met het Eeuwige Wezen staat voor den verloste in Christus open.

In dit verband voelt ge terstond, dat het optreden van den Cherub in het Paradijs en in den Tabernakel in den grond geheel hetzelfde is, en alleen in de wijze van optreden, naar gelang het onderscheid in plaats, verschilt. Hiermede hangt dan ook de voorstelling saam, dat de Heere een God is »die tusschen de Cherubim woont". In den Tabernakel, en later in Salomo's Tempel was de tegenwoordigheid des Heeren HEKREN. Hier is mijn ruste, had de Pleere gesproken, daar zal Ik wonen. Als er dus staat, dat »God tusschen de Cherubim woont", wordt er niet gedacht aan de Cherubijnen in den hemel, maar aan de Cherubijnen van den Tabernakel en in den Tempel, en wordt uitgesproken, dat aldaar in het Heilige der heiligen zijn heilige tegenwoordigheid tusschen de Cherubijnen openbaar wordt. Wat doen nu deze Cherubijnen in den Tabernakel? Bedienen ze de verzoening? Geenszins. De arke des Verbonds stond daar, met de Wet er in, en het Verzoendeksel er over, en de persoon die de verzoening bediende was niet de Cherub, maar Aiiron als voorbeeld van Christus. Neen, de Cherubijnen doen niets dan breed hun vleugelen over dit Verzoendeksel, en als ware het over heel deze heilige plaats, waar Aaron binnentrad, uitspreiden. Ze doen dit met majesteit, want in Salomo's Tempel waren de Cherubijnenheelden niet minder dan , tien ellen hoog . en hun vleugelen waren vijf ellen lang. Kolossale figuren alzoo, die zich hoog als een boom boven de Arke des verbonds verhieven, en als een breed dak van vederen hoog over die Arke welfden. Een gewelfd dak daardoor te volkomener aangeduid, dat de vleugel van den éénen Cherub aan dien des anderen raakten. Feitelijk verzinnebeeldden deze Cherubijnenbeelden dus niets anders, dan dat God de Heere zijn heiligheid voor alle besmetting bewaarde, door zelfs van het Verzoendeksel, waarop het bloed wordt gespet, zich door de, breede vleugelen zijner Cherubs af te scheiden. Door zijn Cherubijnen isoleert God Almachtig zijn heilige tegenwoordigheid van wat zelfs in het Verzoendeksel aan de zonde en de onheiligheid herinnert Hij de Heere verbergt zich zelfs in het Heilige der heiligen nog achter de vleugelen van zijn Cherubijnen, opdat de afscheiding tusschen zijn heiligheid en al het zondige volstrekt en volkomen zij. In de uitdrukking: sdie tusschen de Cherubim woont" ligt dus altoos tweeërlei uitgedrukt: ten eerste, Hij is die Verbondsgod, die tot zijn volk Israël inkeerde; en ten tweede. Hij is die heilige God, die zelfs van zijn volk Israël zich door zijn Cheru'oijnen afscheidt.

Gelijk nu de Cherubijnen tusschen God en Adam in het Paradijs, en tusschen God en Israël in den Tabernakel staan, zoo zweven dezelfde Cherubijnen tusschen God en deze aarde. Ook die wereld zelve toch is zondig. De aarde zelve draagt den vloek en is onheilig geworden. Waar dus, gelijk in Psalm i8, God gezegd wordt tot de aarde neder te dalen, daar treden dezelfde Cherubijnen op, om het onheilige dezer aarde van het heilige af te wenden. Het heet daar, dat God voer op een Cherub, en dat donkerheid in het uitspansel, als teeken van zijn heiligen toorn, onder zijn voeten was. Een voorstelling die we terug zien keeren bij Ezechiël, waar God de Heere tot zijn volk en tot den geestelijken tempel weerkeert, maar, evenals in Psalm 18 : 11, rijdende op een Cherub, of, gelijk het in Ezechiël ook heet, varende op Cherubs of Cherubijnen. Ook deze voorstelling is geboren uit de afbeelding in den Tabernakel. Schuiven toch de Cherubijnen door hun breede slagvleugelen tusschen hun God en het Verzoendeksel in, dan ontstaat de voorstelling, dat beneden de Arke met het Verzoendeksel staat, dat daarover de Cherubijnen hun vleugelen uitspreiden, en dat boven die vleugelen God de ..Heere is, als werd zijn heilige tegenwoordigheid door de Cherubijnenvleugelen gedragen. Dit is natuurlijk niet zóó bedoeld, alsof de Cherubijnen God behulpzaam zouden wezen, noch ook alsof Hij, de Heere, door de Cherubijnen moest gedragen en vervoerd worden. Al zulk denkbeeld tcch is met; de majesteit en de alomtegenwoordigheid Gods volstrekt ouvereenigbaar. Feit blijft alleen, dat God de Heere in deze Cherubijnen meer bijzonder de uitstraling van zijn Majesteit en almacht heeft doen werken, en dat nu deze Cherubijnen zich voor het ^ schepsel schuiven, zoodra en zoo dikwijls als het schepsel door zijn zondigen aard, aan de heerlijkheid Gods ^afbreuk^dreigt, te doen.

Het is daarom verkeerd, indien men de Cherubijnen uitsluitend als de dragers van de majesteit en van de maclit Gods voorstelt. Ze zijn welterdege, zelfs nu nog, ook de schutstrawanten van Gods heiligheid. Als zoodanig betrekken ze de wacht bij den ingang van het Paradijs; overdekken ze met hun vleugelen het Verzoendeksel; en stellen ze zich tusschen God en het aardrijk, zoodra de Heere, gelijk in Psalm i8 en bij Ezechiël, tot deze zondige aarde nederdaalt. Eerst in de Openbaringen van Johannes nemen ze hun standplaats in de hemelen in, als de vier Dieren, en dat wel naast de vier en twintig Ouderlingen, als vertegenwoordigers der gezaligde menschheid. Dit is daaruit te verklaren, dat na Golgotha de vloek is weggenomen, en de verzoening, niet enkel symbolisch, maar in werkelijkheid volbracht is. Van die ure af is er dus geen onheiligheid meer af te weren, en omringen ze den Troon des Eeuwigen, als zijn trawanten. En wat eindelijk hun voorstelling bij Ezechiël en in de Openbaringen als Dieren betreft, zoo zij opgemerkt, dat ook bij de offeranden in den tempel de dieren voorkomen, als ouzondige wezens, en daarom in de plaats van den zondigen mensch op'het^altaar gaan, om in de onschuld van het dier de onschuld van het heilig Godslam af te beelden. In die voorstelling van de Cherubijnen als Dieren ligt dus wel terdege ook een zinspeling op hun afgescheidenheid van de zonde, gelijk dit bij de trawanten van Gods heiligheid paste. Toch is hiermede niet alles gezegd. Immers de dieren hebben in Gods schepping ook de eigenaardige beteekenis van die creaturen, waarin de majesteit en de macht Gods meer nog dan in den mensch tot openbaring komt. Men behoeft er den leeuw slechts op aan te zien, om er zich zelf wat majesteit : en kracht aanbelangt klein bij te gevoelen. En wijl nu Gods almacht zijn heiligheid beschut, zoo was het natuurlijk dat ook in de trawanten van Gods heiligheid zijn majesteit moest uitschitteren.

Nog een kort woord zij [hieraan toegevoegd over de Serafijnen, die niet met de Cherubijnen één zijn, want in Jesaia 37 : i6 komen ook de Cherubs voor. Toch staan ze in meer dan één opzicht met hen op één lijn. Ook zij verschijnen in menschengestalte, en mét zes vleugelen overdekt. iMaar beider ambt en roeping is verscheiden. De Serafijnen toch breiden hun vleugelen niet uit om het zondige van God af te weren, maar om zichzelven te dekken en te zweven, en hun eigenlijk officie is het altaar der verzoening te bedienen. Een Serafijn daalt neder, neemt een kool van het altaar, en brandt van Jesaia's lippen de zonde uit. De naam Seraf beduidt dan ook: een engel die 7iitbrandt. Ook zij staan dus als trawanten van Gods heiligheid tegen de zonde over; maar terwijl de Cherubijnen alleen de zonde afweren, branden zij die uit, en brengen alzoo de verzoening teweeg. De Cherubijnen symboliseeren meer de Wet, de Serafijnen meer de Getiade, terwijl beider iimerlijk leven uitgaat in het: »Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen"!

En wat nu de Rade}'e)i bij Ezechiël in hoofdstuk één aanbelangt, zoo hebben de Rabbijnen van deze Raderen, die in het Hebreeuwsch Ophanim heeten, een apart soort engelen gemaakt. Edoch ten onrechte. Dat toch de Cherubijnen bij Ezechiël verschijnen als hebbende om zich vurige raderen, die zich naar alle zijden heenbewegen, duidt niet anders aan, dan dat diezelfde Jehova, die in Israel zich opsloot en in Salomo's Tempel de plaatse zijner ruste had, in de nieuwe bedeeling de God aller volken en natiën zou zijn, die, op zijn Cherubijnen neerdalende, zich naar de vier kanten der aarde zou toebewegen. Ook die raderen zijn hier dus zinbeeldig te verstaan. Ze duiden aan, dat God de Heere de plaatse zijner ruste verlaat, om zich op zijn Cherubijnen, naar alle hemelstreek toe te bewegen, en alle natie en alle volk te zegenen met zijn: heil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Engeien.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken