Bekijk het origineel

Het tweede Jesaiaansche Wee u!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het tweede Jesaiaansche Wee u!

8 minuten leestijd

Wee dengenen, die, - zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken' drank najagen, en vertoeven tot in de schemering", totdat de wijn hen heeft verhit. Jesaja 5:11, .

Het eerste Wee u! keerde zich tegen de, veldwinnende jacht op fortuin, op goed en geld, tegen de onverzadelijke zucht, om huis aan kuis, om akker aan akker te trekken.

Dus niet tegen tri^ée. geldwolven; maar tegen de geldzucht die onder heel het volk de overhand nam, en ten slotte ook de vroomste kringen aantastte.

Bedenk wel, het is altijd Gods volk., waartegen deze bittere Wee u's! uitgaan. Altoos naar den regel van Bilderdijk: »Wanneer een volk om zonde moet vergaan, vangt //; de kerk liet zielbederf aan".

Doch hoor nu verder het tweede Weeu! yap Jesaia, nu niet tegen den gelddienst, maar tegen de weelde en brooddronken/leid^ die er uit voortkomen.

Wee dengenen, zóo roept de ziener des Heeren:

jWee, dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen verhit heeft; en harpen en luiten, trommelen en pijpen en wijn zijn in hunne maaltijden ; maar zij aanschouwen het werk des Heeren niet, en zij zien niet op het maaksel zijner handen."

Dit tweede stadium van volksontaarding en zedelijken ondergang der natie begint niet met boos opzet, maar is het onvermijdelijk en vanzelf komend gevolg van de te groote opeenhooping van geld en het te sterk toenemen der fortuinen.

Want wel is de man, die het geld bijeenzamelde,

zelf gemeenlijk meer potter dan verkwister, en houdt hij nog vast aan de eenvoudige levenswijs, waarin hij zelf is opgevoed en opgegroeid; maar als hij sterft, en het geld in handen van zijn kinderen komt, slaat dit veelal om.

Zij toch kennen de verkleefdheid aan het geld van Jiun vader niet; maar wel prikkelt hen de lust en zucht, om voor dat geld te genieten.

In dat geld zit een magische kracht.

Voor dat geld is een wereld van weelde en zingenot te koop.

En die verborgen deugd van het geld, ja, & willen zij dat er uitkomt. Hun vader heeft het saamgelezen, maar zij, kinderen, moeten er de waardij van doen uitkomen.

En dan gaat de eenvoud weg, de weelde begint haar bekoring te oefenen, en de brooddronkenheid is de asch die van de verkoolde weelde achterblijft.

Zoo is het in Egypte en Babyion, zoo is het te Samaria en Damascus, zoo is het te Athene en in Rome gegaan; en zoo, om dichter bij huis te blijven, verging het ook ons vaderland, toen het uit den vrijheidsoorlog tegen Spanje opkomende, de schatten van Oost en West in zijn havens zag binnenglijden, en dientengevolge het vragen naar God al meer «ƒ-, en het vragen naar het goud steeds toeham.

Immers toen is ook in ons land op Mammon de weelde gevolgd, en achter de weelde de brooddronkenheid aangekomen, tot het in de tweede helft der vorige eeuw in onze deftige huizen en op onze ouderwetsche buitenplaatsen een leven niet in eere, maar van schande werd, waaraan God een einde heeft gemaakt, door de Franschen hier het geld te laten weghalen, en ons den geesel van Napoleon op het lijf te zenden.

En thans ziet ge hetzelfde verloop weer.

Vooral sedert de laatste helft dezer eeuw inging, is het geld weer gaan vloeien, het goud weer gaan stroomen, en reeds nu, nog eer de eeuw ten einde liep, ziet ge nogmaals de weelde hand over hand toenemen, en de brooddronkenheid haar naloopen in het wilde drinkgelag en in een soort tooneelverfooningen en boeken die met alle eerbaarheid en schaamte den spot drijven.

En versta het nu wel, dat ook dit niet gezegd wordt, omdat er hier of daar een enkele overdadige rijkaard, of een paar gewetenlooze losbollen schuilen.

Zulke schandvlekken toch heeft elke tijd en elk volk gekend; maar dit verwoest de natie niet, zoolang in die natie de volksconscientie er nog veerkrachtig tegen protesteert en reageert.

Neen, wat gewraakt wordt, en waartegen het Wee u! van den Heere der heirscharen uitgaat, is wanneer die weelde het volk zelf in zijn breedere kringen, tot zelfs de belijders des Heeren, aantast, en de nuchtere, ernstige levenstoon op de publieke markt des levens almeer voor het gedeun van het zingenot de vlag moet strijken.

Dan wordt spel en vermaak onder alle rangen en standen het doelwit waarop men mikt, de buit waarop men jacht maakt.

En dan is het volk het tweede stadium van zijn verderf ingetreden, en gaat tegen dit tweede verderf nogmaals verwijtend en terugroepend de boetbazuin van het tweede Wee u! uit.

Tot staan nu kan dit bederf alleen gebracht worden, óf doordien God zijn oordeelen uitzendt en verarming voor verrijking doet intreden, óf wel doordien de predikatie des Woords krachtig de boetbazuin opsteekt, het volk'stuit in zijn wilde vaart, en het van de heidensche zeden die insluipen weer naar een stil, huiselijk leVen, gelijk het Christenen betaamt, terugroept.

De beterschap komt niet van dusgenaamde 5 veredeling van het Volksvermaak", en ook niet van het sNut van het algemeen", en nog minder van de schijnpogingen om door fijne kunst het Tooneel te verheffen.

Al die soort middelen zijn niets dan looze kalk, waarmee men de scheur in den muur van het nationale leven dichtpleistert, om het naderend verderf aan het oog te onttrekken.

Een volk, aldus afglijdend op de helling, kan zich zelf niet meer redden. Daar mist het in zijn door weelde verzwakt gestel den moed en de veerkracht toe.

Het zucht onder de mode, en als slaaf van die mode, moet het wel meeloopen en volgen, als Je weelde op het pad voorbijgaat.

Neen, redding van een volk ligt alleen in die kern der natie, die de getrouwigheden bewaart, en nog beeft voor het Woord, en aan zijn God vasthoudt.

Jezus zelf spreekt het uit: alleen in die kern schuilt nog het zout^ dat het bederf weren kan.

Niet omdat deze lieden zooveel beter zijn, maar omdat hun het IVoord nog tegenkomt, en Gods Heilige Geest in hen werken blijft.

Maar die stuiting komt niet, tenzij de kracht van het Woord zich in de huisgezinnen openbare.

Vroom kerkhouden wordt een schijnvertooning, als niet uit de kerk naar het huisgezin de zin des Heeren woidt uitgedragen.

Daarom is het zoo lieflijk dat God zijn volk het geven leert, ze in de kracht van het geven almeer oefent, ze steeds rijker en milder en ovjrvlotdiger doet geven, omdat er door dat geven zooveel geld uit de kas, en daarmee zooveel bj-andstof uit den oven van de weelde weggaat.

Wie goed en mild geeft voor zijn God, houdt voor de weelde niet over. Die leeft vanzelf soberder en stiller, en scheidt zich af van die kringen en gezelschappen, waarin de brooddronkenheid de schellen van den zotskap doet rinkinken.

Vooral op twee dingen moet daarom de predikatie des Woords zich bij het laten uitgaan van deze boetbazuin richten, ten eerste op veel en altoos meer geven^ en ten andere op afscheiding van de kringen der wereld^ waarin de weelde en de brooddronkenheid den toon aangeeft.

De oude beproefde levenswijsheid der Calvinisten, om vooral het spel, en den dans, en het tooneel, als vijandige machten, die tegen de eere van Gods volk overstaan, te keer te gaan.

Den Sabbat aan God en niet aan de wereld te geven. En in burgerdeugd en stillen eenvoud waarachtig levensgenot te zoeken.

Een levenswijsheid, die ook nu nog de vuurproef door zal staan, mits vader en moeder niet zoo egoïstisch zijn om te denken: Als ik mij maar inbind zijn we er.

Neen, vooral op de kinderen en op het opkomend geslacht moet de tucht des levens toegepast.

Want een schandvlek in de gemeente des Heeren zijn die booze huisgezinnen, waar wel vader en moeder teugel en toom eerbiedigen, maar waarin men de kinderen voor wild laat opgroeien, hun Doop voor niets achtende, en ze latende opwassen niet als kinderen Gods, maar als Milderen der wereld.

Ook Gods kind kent daarom wel een weelde; maar een heel andere weelde, de zieleliieelde^ als zijn hart zich verlustigen 'mag in den verborgen omgang, en in de gemeenschap met zijn God.

Het staat er immers jn dat tweede Wee «.'bij. Een volk, dat zich door de weelde der wereld als een prooi laat vervoeren, ^aanschouwt het werk des Heeren niet meer en ziet niet ot> het maaksel zijner handen.''^

Als het kunstlicht der wereld ons oog verblindt, schuilt de glans van het firmament voor ons in het duister. En zoo ook, als de weelde der wereld ons hart heeft ingenomen, versterft in ons de smaak en de zin voor geestelijke genieting, en missen we het oog, om ons te verlustigen in de aanschouwing van de wonderen des Heeren.

Dat is de gerechte straf, die den glans der weelde op den voet volgt. Ze sluit u in de wereld op, en maakt den gezichteinder van het eeuwige, den horizont van de heerlijkheid onzes Gods voor u onzichtbaar.

Zoo brengt het goud een volk van zijn God^ en de aardsche weelde een volk van Gods heerlijkheid af.

Het zinkt al dieper. Het wordt al botter. Het verliest al meer het stofgoud van zijn vleugelen.

En zoo moet het óf tot staan gebracht, dat het zich bekeere tot den levenden God, óf het gaat met al rasscher schreden zijn oordeel in het verderf tegen.

Een Wee u! is niet maar een klacht, en niet maar een waarschuwing.

Als God zijn Wee u ! over een volk uitspreekt, is dat Wee u! zelf de flits van den bliksem, waarmee Hij straks dat volk in brand steekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Het tweede Jesaiaansche Wee u!

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken