Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Ders.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Ders.

9 minuten leestijd

Diepïiünig merkt Ds. Gispen aan zijn onderstelden vriend op:

Democratisch is het echte Calvinisme en toch ook weder zoo aristocratisch, dat het niet zelden uit de lioogte op anderen neerziet, die op een dwalend standpunt leven en de rechte kennisse Gods en huns zelfs niet hebben, niet »diep ingeleid'' zijn, en de verborgenheid des geloofs niet doorgronden.

Dit komt al dadelijk uit bij de prediking des woords.

Wij prediken eigenlijk alleen of bijna alleen voor theologen, voor godgeleerden. Elk wel onderwezen lid onzer gemeente is theoloog. Hij geniet de prediking des woords bijna niet; hij controleert ze. Hij analyseert en critiseert, en stelt zich telkens de vraag: wat lean ik daartegen inbrengen ? Blijkbaar is het eene teleurstelling als de prediking zoo is, dat er nu eens niets tegen ingebracht kan worden. IVIen disputeert gaarne met de dienaren des woords gelijk op, zonder zich door het gezag van den leeraar gebonden te gevoelen of dat practisch te eerbiedigen.

Hebben de dienaren des woords nu niet eene groote mate van menschenkennis, zachtmoedigheid, lijdzaamheid en standvastigheid, dan ontstaat spoedig tweeërlei onheil.

Of er ontstaan allerlei onaangename conflicten tusschen den leeraar en zijne hoorders; of de dienaren geven hun gezag prijs, werpen den inlioud van hun ambt weg, en pijnigen zich met de vraag: lioe moet ilc toch prediken, oijr aan mijne gemeente welgevallig te zijn?

Dat door dit al te sterke theologiseeren veel vrucht van den dienst des woords verloren gaat, ligt voor de hand. Men ontvangt het woord niet meer als Gods woord, maar als het woord van een mensch. Terwijl aan de andere zijde het gevaar ontstaat om, naar de wet der tegemverking, alle theologiseeren te vermijden, ja zelfs af te keuren en tegen te staan, en alleen de ethische zijde der geopenbaarde waarheid in het oog te vatten, met sterken drang tot allerlei deugden, waarin men dan beweert, dat eigenlijk het Christendom bestaat. In de Icerkregeering is de moeilijkheid zoo mogelijk nog grooter. Hier vooral liggen de «democratische klippen, " waar het scheepke der kerk zoo lichtelijk op loopt.

Volgens de leer der Schrift berust het gezag over de kerk ecnig en alleen bij haar Hoofd en Koning: den Christus Gods.

De Christus is echter waarlijk zichtl^aar en plaatselijk van de aarde naar den liemel opgevaren, en bewijst zich daar het Hoofd zijner Cliristelijke Kerk, door hetwelk de Vader alle dingen regeert.

Plaatsbeklceders op aarde heeft Hij niet gegeven. Maar Hij heeft aan zijne gemeente gegeven dienaren des woords en ouderlingen, om haar te regeeren naar zijnen wil, ons in het beschreven woord Gods.geopenbaard.

De opzieners en ouderlingen worden niet door eene boven de gemeente staande macht haar toegezonden en over haar aangesteld, maar komen uit de gemeente zelve op.

Degenen die daartoe door den Heere bestemd zijn, worden geroepen, hetzij door de geheele gemeente, in haar kerkeraad vertegenwoordigd, hetzij door eene persoonlijke stemming van de loden der gemeente zelve, en nooit in het ambt gesteld zonder toestemming der gemeente.

Dit was en is de regel in de Gereformeerde kerken. Een regel, waarin het democratisch karakter van deze kerkregeering zich scherp onderscheidt van het monarchaal en autocratisch kara]< ter van het Roomsche stelsel, en in het hart ook staat tegenover het Haagsche Synodalisme.

Deze alzoo in het ambt gestelde opzieners en oudsten hebben macht om het woord Gods en de sacramenten in de gemeente te bedienen, en de tucht te oefenen en zoodanige regelingen te maken, als voor het welzijn der gemeente, de eerlijkheid en de orde noodig geaclit worden, in bepaalde omstandigheden en voor bepaalde tijden.

En de gemeente is verplicht haren opzieners onderdanig te zijn, de ouderlingen die wel regeeren dubbele eer waardig te achten, voornamelijk die arbeiden in het woord en in de leer, en zich in alles met behoorlijke gehoorzaamheid te onderwerpen.

Maar daarbij moeten de opzieners voor tweeërlei kwaad zich wachten.

Ten eerste voor het groote kwaad van machtsmisbruik, door wetten te maken en verordeningen in het leven te roepen, , en daarmede de consciëntiën der menschcn te binden, die Christus niet geboden heeft, of die in openbaren strijd zijn met het geopenbaarde woord Gods.

Het was dan ook ten allen tijde een geldende regel onder de Gereformeerden, dat kerkelijke wetten alleen in zooverre de eonsciëntie binden, als zij niet strijden met Gods woord, en niet verder binden dan dit woord bindt. Wetten, als bij de Perzen en Meden, bestaan in de Gereformeerde kerken niet, en mogen althans niet bestaan, en in middelmatige dingen mag men nooit elkanders vrijheid belemmeren.

Een ander kwaad is hierin gelegen, dat de opzieners zich beschouwen als deputé's, afgezondenen van het volk, geroepen om den volkswil uit te voeren en aan de gemeente te vragen: wat wilt gij, dat ik doen zal?

Dit kwaad ontstaat uit de verkeerde gedachte, dat, wijl de opzieners door de gemeente gekozen worden, zij nu ook verplicht zijn den wil van de helft plus één als regel voor hunne handelingen en besluiten te eerbiedigen, ja zelfs de gemeente in alle voorkomende gevallen te raadplegen, ook over zaken die niet stechts de plaatselij k^e kerk maar de kerken in 't gemeen raken.

Hierin ligt deze grondgedachte, dat de opzieners hun ambt-, en de rechten en plichten, die in het ambt begrepen zijn niet van den Heere ontvangen hebben, maar van de menschen, d. i. van de meerderheid der stemhebbende leden in de kerk. Dit door en door revolutionaire beginsel heeft, vooral in de latere jaren, veel misverstand en verwarring, zelfs scheuring in het leven geroepen. In deze opvatting wordt geheel uit het oog verloren, dat het ambt als ambt, met alles wat er inzit, niet is van menschelijken oorsprong, maar van God zelven, en dat de stem der gemeente alleen gaat over de personen, die met dit ambt bekleed worden. Dit recht heeft zelfs de gemeente ook niet uit en van zichzelve, maar het is haar gegeven door het Hoofd en den Koning der kerk. Alleen de wil des Konings is de wet, zoowel voor de gemeente als voor hare opzieners.

Veelmalen is en wordt tegen dit beginsel gezondigd door het Calvinistische volk en niet zelden komt het voor, dat de opzieners zelf zich schuldig maken, die verkeerde gedachte voedende, omdat zij zelven geen duidelijke begrippen hebben van hun eigen ambt.

En nu moet ik nog iets noemen. Waar ik wel weer zeer tegen opzie, omdat men zoo spoedig misverstaan wordt, maar dat ik toch noemen moet, om u een duidelijke voorstelling van onzen toestand te geven.

Ik bedoel het vaak eenzijdig en onmenschkundig drijven van sommige leerstukken, of stukken, die de kerkregeering en het gebruik der kerken raken.

Het kwaad, naar aanleiding hiervan onderhouden en in het leven geroepen, is ook niet klein.

Vooral geldt dit de leer des Doops en der rechtvaardiging des zondaars voor God.

Het oorspronkelijke leertype van de oudste Gereformeerden is thans slechts nog weinigen bekend. Aan bronnen-studie kan het volk niet doen, en ook de predikanten niet, dan alleen bij groote uitzondering. De oude, beproefde waarheid is voor het volk nedergelegd in de geschriften van Brakel en vaii der Kemp. Bij opkomende geschillen gaat het volk naar zijn Brakel en naar> zijn van der Kemp. De oudste schrgvers kent het nauwelijks bij name, en hunne geschriften, veelal in het Latijn geschreven, zijn gesloten boeken voor het volk. Zoo ontstond er in de werkelijkheid een tweeërlei theologie: eene populaire en eene wetenschappelijke. En dat niet. sedert vandaag of gisteren, maar reeds bijna twee eeuwen lang. Toen Comrie opstond en een theologie poogde op te bouwen naar het oorspronkelijke type, ondervond hij de felste bestrijding. En zoo is het voorwaar niet te verwonderen, dat nu in onze dagen door velen als eene nieuwe leer wordt veroordeeld, wat toch zoo oud is als de reformatie zelve.

Wie nu met - den feitelijken toestand niet voldoende rekening houdt, wie nu wel met moed maar niet altijd met beleid de oorspronkelijke ideeën in de gemeente weder tot heerschappij wil brengen, vergt te veel opeens, wekt, zijns ondanks, wantrouwen, verdeeldheid, en — zoo God het niet genadig verhoedt, nieuwe scheuringen. Juist omdat onze gemeenten uit theologen bestaan, komt er aan het twisten over de opvatting en uitlegging der leer geen einde. Daar geen genoegzame rekening mede te houden, geeft onwillekeurig aanleiding, dat de rook zelfs naar buiten slaat, waaruit degenen die buiten zijn, afleiden, dat er brand is. Denk voorts aan het gewichtige punt van de Opleiding tot - den dienst des woords. Eerst door het Concept, handelende over de vereeniging der Theol. Scliool met de Vrije Universiteit, maar meer nog door hetgeen terstond na de Synode van '93 geschreven werd, is er ontroering en wantrouwen in vele kerken gekomen, hier en daar zelfs van zeer ernstigen aard, en worden vele zwakke gemoederen, door eene den Gereformeerde kerken vijandige pers, geweldig geprikkeld. Het volk wil nu eenmaal over alles oordeelen, ook over diep ingrijpende wetenschappelijke kwesties, als deze met de kerk en de leer in verband staan, en laat niet zoo gemaklcelijk bestaande, instellingen en historische toestanden los. En nu kan men wel met wetenschappelijke argumentatie overwicht uitoefenen voor een tijd, maar menschkundig gesproken wint men niets, als men niet werkelijk overtuigt, en het «alles heeft zijn bestemden tijd" te veel uit het oog verliest.

Voor sterke naturen en geesten die tot heerschen gedrongen worden, is dit wel een zeer moeielijke les, maar toch een les, die in de zaken Gods dagelijks moet geleerd worden.

Doe hier nu bij het drijven op punten van minder aanbelang, b. v. grensregeling, vorm des doops, terminologie en vele dingen, die in hot kericelijke leven dagelijks voorkomen. Ook al heeft men in deze dingen gelijk en het recht aan zijne zijde, is het toch niet noodig zoo sterk aan te houden, dat het moet uitloopen op buigen of bersten.

Ik weet wel, dat het ten allen tijde zoo is gew-eest, maar ik weet ook dat het kerkelijk gezag, gelijk alle gezag, voorheen niet zoo zwak stond als in den tegenwoordigen tijd. Vooral wanneer, door welke oorzaak dan ook, wantrouwen gewekt is, moet in het kerkelijke leven vooral, de voorzichtigheid worden betracht.

Dit m.ag natuurlijk niet geschieden met verloochening of terzijdcstelling van beginselen. Maar zoo men de gelegenheid heeft, de beginselen vrij uit te kunnnn blootleggen, ter plaatse .waar zulks behoort, moet de uit-en doorwerking dan ook met vertrouwen aan den tijd, of liever aan de leiding" , en den zegen des Heeren worden overge laten.

Dit wel wat lange citaat kon niet afgekort. De opmerking is te juist, om er de toelichting van af te snijden.

, Metterdaad, al de moeilijkheid ligt in het feit, dat we van a Marck thans weer op Calvijn en op onze Martelaren teruggaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Ders.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken