Bekijk het origineel

,,Dan haar leeftroht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

,,Dan haar leeftroht".

10 minuten leestijd

En hij zeide; Waarlijk ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen. Lukas 21 : 3.

Te Groningen viel, kort geleden, een politieagent in moordenaarshanden, en zijn lijk werd drijvende gevonden in een achtervliet. Nu laat die man een weduwe achter. En aanstonds ontwaakte bij de swelgezinde" en sweldadige" Groningers het besef, dat ze voor die weduwe wat doen moesten. Zoo geschiedde dan ook. Er werd-een schitterende feestavond georganiseerd. Om daarbij te mogen komen zou men een vrij hooge entree moeten betalen. En de opbrengst, na aftrek van kosten, zou voor die weduwe zijn.

Fijne, kiesche trek van den weldadigheidszin onzer eeuw. Als uw man door een booswicht om hals wordt gebracht, > amuseeren" de heeren en dames zich een avondlang dat het een aard heeft, en wat er van komt is dan voor u.

Natuurlijk deden de Calvinisten hier niet aan mede. Zij zonden door de Jongelingsvereeniging zekere som vrij gegeven geld in.

Maar voor het overige ging heel de stad meê. Niet meê te doen heette hardvochtig. Het was immers voor die arme weduwe van den vermoorden politieagent.

Dieper gaan we hierop niet in. Steeds is onzerijds tegen al die valsche vormen van zoogenaamd jweldoen" gewaarschuwd. Wie geeft moet voetstoots geven. Al de bijkomende kunstmiddelen zijn der Christelijke liefde onwaardig. Maar wat zulk een ergerlijk feit u wel oplegt, is dat ge ook op het geven in uw eigen kring, ja, op het geven uit uw eigen beurs en door uw eigen hand, telkens weer het licht van Boven laat vallen.

Niets zoozeer als de aalmoes kent zich tot schijnvertoon, zelfmisleiding en misleiding van anderen.

En toch, vooral op het »geven" was onze Heiland zoo streng en onverbiddelijk.

Wat niet om Gods wil gegeven was, gold niet. Ah de rechterhand er van wist, was de linkerhand geoordeeld. Te geven van zijn overvloed was waardeloos. Alleen wat gegeven werd van zijn gebrek, van zijn leeftocht, blonk in de offerkist des Heeren als het fijne goud van Ophir.

Ge herinnert het u van die Jeruzalemsche weduwe, voor wie niemand een weldadigheidsfeest hield, maar die zelve gaf., al wat ze in huis had, twee kleine penningen, het geld waarvoor brood moest gekocht, en dat ze uit haar mond spaarde, om het toe te wijden aan 3én Hésré haar God.

Welnu, ook vóór en na die weduwe, rolde er goud en zilver bij handvoUen in de offerkist. Maar dit weerhield Jezus niet, om voor aller oor te betuigen: Die twee penninkskens van dat vrouwke zijn meer dan al dat goud en zilver. Want wat die anderen er in wierpen, was van hun overvloed, wat die vrouw gaf, gaf ze van haar gebrek.

Nu is geven een trek van zielschoon, waarvoor ge danken moogt, zoo ge dien bij uw volk, in uw kring, ook in uw eigen huis en in uw eigen hart moogt waarnemen.

Geven" bij wijze van exceptie, geven om groot vertoon te maken, was ook bij de heidenen inheemsch, en is het tot op zekere hoogte nog. Maar geven zooals ge dit in onze Christelijke kringen in Nederland kunt opmerken, en sterker nog in Engelsche, Schotsche en Amerikaansche toestanden kunt waarnemen, is een vrucht van Christelijk geloof.

Bij Engelands kolossale giften staan we nog verre ten achteren; maar wie narekent wat vooral, niet de welgestelde, maar de skleine" burgerij ten onzent geeft; geeft aan collecten; geeft aan inschrijvingen; geeft aan vereenigingen, voor school en kerk; en dan nog soms uit hand in hand geeft, om ongelukkigen te helpen, komt tot een bedrag, dat metterdaad verbazingwekkend is.

Begroeten kan men zulke sommen niet. Juist het ware geven ontsnapt aan elke statistiek, en het moet er aan ontsnappen. Maar zooveel mag dan toch gezegd, dat alle geld in andere kringen voor vermaak en pret en uitgaan beschikbaar gesteld, in deze kringen tot den laatsten cent toe naar het altaar der lief de gaat; en dat er uitsparingen zijn, en uitzuinigingen, en een wat vaal gedragen kleed, om toch maar het zielsgenot te hebben, van een nog ruimere contributie uit te reiken, of van een geven aan iets, waarvoor menjdusver nog geen gave afzonderde.

Hierin nu schuilt een der zielskrachten van onze' kleine burgerij. Het is een meerdere genade die zij van God ontving; en die sterkend en veredelend op heel haar leven en bestaan terugwerkt.

Er steekt in dit geven een kunst^ diejgij van uw God leeren moet of ge kent ze niet.

Dan is er eerst het gewone, algemeene"geven om er van af te zijn, zooals nu vijftig jaren geleden de jvoor zijn weldadtgheidszin bekende Nederlander" een klein vast potje op zijn budget uittrok. Overleggen en opleggen zooveel duizenden, en dan ook een tientjej; ; of fwatj^voor allen nood der Christenheid saam.

Een druppelke uit den overvloed. En daarom zonder zedelijke waardij, omdat er geen uitsparing, geen ontbering, geen inkrimping van weelde achter school.

Dat was een geven zonder kunst. Geven om meê te doen. Goed gemeend, maar zonder dat er een inspraak van het hart achter zat. Men gaf niets voor zijn kerk. Geen duit voor zijn scholen. Een kleine contributie aan drie, vier vereenigingen. En ook nogl.wat los geld aan den gaanden en komenden man. Maar door den, nood heeft God daarin wijziging, heeft God de Heere daarin kwist gebracHt.

Tienmaal zooveel als toen, is nog te laag geraamd, om het verschil uit te drukken tusschen hetgeen de kleine burger vooral thans op een jaar offert, vergeleken met wat hij destijds gewoon was.

Wie de moeite nam om al de budgetten en budgetjes saam te tellen van alle diaconieën, kerken, schooUokalen, vereenigingen enz., die in ons land het hoofd boven water houden, en daaruit grosso 7nodo in zijn gedachten afzonderde, wat van de kleine burgerij komt, zou zich verbaasd afvragen, hoe uit zoo weinig rijken kring zulke kolossale sommen kunnen inkomen.

En tüch heeft niemand er iets minder om. Toch is de geestesstemming er eer door verhoogd dan gedaald. Van armer worden door het geven, is geen sprake geweest.

En wilt ge ook bij geld van dat wondere mysterie reppen, dat in sden zegen onzes Gods" schuilt, erken dan vrij, dat hier die zegen gezien is.

Iets van de olie in de kruik, waar aldoor uitging, en die toch niet ledig werd.

Zulk geven als vrucht van hooger, heiliger kunst, wierp tevens zijdelingsch voordeel af. Denk slechts aan uw kerkelijk leven. h e

Bijna algemeen erkent men onder de belijders des Heeren, dat de toestanden in de h van Staatswege gesubsidieerde Hervormde en Luthersche kerken ondraaglijk zijn. Niets deed men dan ook liever dan er een einde aan ma­ g ken. Maar ... dan moet men op eigen beenen s gaan staan. Dan vriest de goudstroom van den e Staat vast en vloeit niet meer. Dan moet alles z zelf betaald. En wie zal daarvoor instaan ? Wie e durft het aan? d

Ddt is de klip waarop de kerkelijke ijver van o, zoo velen stootte. a

Maar heel anders was het in die kringen, waar de heilige kunst van het geven geleerd was. Daar had men niet te vragen, hoe het geld er komen zou. Daar wist men wat de kunst van het geven vermocht. En de blijde uitkomst was, dat men door de kunst van het geven zijn vrijheid in Christus herwon, terwijl de andere broederen uit gemis aan »geef kracht" in de kluisters zitten bleven. z b z v

En evenzoo was het op sociaal terrein. Gelijkheid is er niet op aarde, maar de alvermogende Liefde is een macht in deze wereld, die veel ongelijks vereffent, en er daardoor de scherpte van afneemt. v n a t

En die Jiefdemacht heeft ook hier geblonken. Niet de trots van den weldoener die uit de hoogte beweldadigt, en juist daardoor beleedigt, maar de liefde die om God geeft, en alzoo van Godswege laat uitdeelen aan wie kleiner en soberder is van staat.

Natuurlijk is het geven van prinselijke giften iets heel anders, hoorende bij een gansch andere orde van zaken, en in ons land kent men in dat opzicht slechts van hooren zeggen, wat in Amerika gewoon is.

Giften zoo van een millioen gulden opeens, of zelfs van zeven millioen, gelijk een vorig jaar door één man voor de hoogeschool van Chicago werd gegeven, kennen wij niet. Slechts een zeer enkele maal, gelijk nog onlangs, worden wij verrast door een kolossale gave van duizenden tegelijk. Maar voor het overige is de aandrift van zoo indrukwekkende gaven, bij leven en bij sterven, bij ons nog niet inheemsch. Ook mag niet vergeten, dat onze kapitalen niet halen bij wat in Amerika werd opgetast. Alsook dat niet weinig menschelijke ijdelheid en ijverzucht over zee in zulke gaven meespreekt. Toch geven we de hoop niet op, dat ook ten onzent het groot-kapitaal nög eens tol hét oefenen van deze schoone kimst komen zal. Natuurlijk naar de mate onzer kracht, maar dan toch tot betoon van hooger geestdrift. Er is zoo menige stichting en zoo menige inrichting, die alleen op die wijs er komen en bloeien kan. Doch welken loop dit ook neme, vast staat, dat, naar Jezus' maatstaf gerekend, de bodem van de geldkist der barmhartigheid nog lang niet gezien is.

Nu reeds geven we tienmaal meer dan vijftig jaren geleden, maar in de vijftig jaar die te komen staan, is die reeds zoo groote-som nog zeer, wel te verdubbelen en verdrievoudigen. • Kon wie boven de kleine burgerij staat er toe komen, om haar systeem van geven te gaan toepassen, reeds hierdoor zou zoo ongelooflijk groote som' beschikbaar worden.

En zelfs dan is men nog niet toe aan het punt waarop Jezus ons ten slotte hebben wU. Jezus wil zelfbeperking in het uitgeven, opdat het geven meerder kunne worden. Jezus keurt niet af, maar keurt het goed, dat ook de minste aan het geven meedoe.

Neem nu die beide, én dat ge komt tot de kunst, om minder voor uzelven noodig te hebben, en wat ge hierdoor spaart, om Gods wü en voor zijn zaak te geven^ én dat ge den kring der gevers en geefsters onder allen verbreedt, en gis dan zelf waartoe ge komen zoudt

Die arme weduwe, die haar twee duitjes van haar leeftocht gaf, is eeuw na eeuw een middel in Gods hand geweest, om de gemeente Gods rijk te maken; en stellig is de som niet te noemen, die alleen de nagedachtenis van deze vrouw, door zelfbeschaming, voor de Christelijke liefde overwoekerd heeft.

Die vrouw heeft haar twee penningen in de offerkist, maar door haar vermelding op het Evangelieblad millioenen en nogmaals millioenen aan Christus' kerk gegeven.

En die uitbreiding gaat niet alleen bij de armeren door. Betrekkelijk niet rijk in geld zijn ook uw huisgenooten, en uw kinderen, die van u leven, en slechts over een kleine som gelds 'sweeks of 'sjaars te beschikken hebben. Welnu, ook die allen moeten leeren geven^ geven uit zielsbehoefte, geven van v/at gespaard is en van wat ze zichzelv.en ontzegd hebben, ook opdat ze later milder geven, als God hun meer zal hebben toevertrouwd.

Zoo zijn de schatkameren der gemeente van Christus metterdaad schier eindeloos.

Mits zij het op haar Heere werpen, zal Hij, wiens het goud en het zilver is, haar niet begeven noch beschamen.

Dat is het mysterie der zelfgenoegzaamheid in de liefde Christi. Ze vergt altoos meer, maar weet ook altoos meer uit zichzelve te putten. Het is er mêe als met de dampen, die naar den hemel opklimmen, maar om straks als malsche droppen uit dien hemel neder te dalen. De nood zelf baart hier voorziening.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

,,Dan haar leeftroht

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken