Bekijk het origineel

„Cewijl de ouderdom en de grijsheid daar is.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Cewijl de ouderdom en de grijsheid daar is.”

10 minuten leestijd

Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ilv dezen geslachte verkondige uweu arm, allen nakomelingen uwe macht. Ps. 71 : 18.

Door de vier jaargetijden schept God de Heere vier werelden in één wereld, en zoo ook door de vier leeftijden doet onze God in éénzelfde menschelijk leven vier geheel verschillende levens uitkomen

Het is éénzelfde wereld, die zich al de maanden des jaars voor Gods aangezicht om haar as wentelt, en enkel doordien God den gloed der zon iets terugtrekt of een weinig dichter naderen doet, laat Hij die wereld vier malen in een heel andere gestalte, in een gansch andere gedaante voorkomen, telken male met een eigen schoon en met een eigen sprake van zijn majesteit.

De wereld in den winter is heel iets anders dan diezelfde wereld in den zomer. En toch, wie er een oog voor heeft, ziet in beide een eigen heerlijkheid uitschitteren, zooals uit Gods hand alleen zulk een schoon over het creatuur kan worden uitgestort.

Dat is de rijkdom des Heeren HEEREN. Dat is het merk zijner Goddelijkheid. Uit een scliier onnoembaar kleine oorzaak zulk een wonderbare uitwerking. Een uitwerking die tot in alles doordringt, en u reeds enkel in de sneeuwvlok en in den waterdrop twee gansch andere werelden vertoont en vcrzinbeeldt, die evenals die waterdrop en die snctuivvlok zelve tocli in wezen één zijn, en ongemerkt de ééne in de andere overgaan.

En op soortgelijke wijze handelt God nu ook mei uw eigen leven, niet uw leven als mensch. Stel het op tachtig jaren. Dat is de volle maat, zoo we zeer sterk zijn. En dan gaat het, bijna met gelijke maat van telkens twintig jaren, vier malen om. Eerst een lente, tot ge vohvassen zijt. Dan de zomer van uw leven in uw volle mannelijke kracht. Daarna de herfst tot uw zestig jaren voleind zijn. En eindelijk, met het sneeuwwit over den schedel, de winter uvi^s levens, tot God u afroept, en ge wordt uitgedragen naar het graf.

En ook hier zijn evenals bij de seizoenen de overgangen nauwlijks merkbaar; geeft elk dier leeftijden aan uw menschelijk leven een gansch ander aanzijn en aanzien; en bezit toch dal leven in elk dier vier eigen perioden een eigen uitnemendheid, waarin uw God en uw Schepper zijn scheppingsmajesteit verheerlijkt.

Nu is ongetwijfeld van deze vie? menschelijke leeftijden de ouderdom het minst begeerd. In de weelde van zijn lente te bloeien en jong te zijn; als man of vrouw, gerijpt en gansch volwassen, in het leven mee te tellen; en zoo ook die herfstjaren te doorleven, waarin de vrucht vanzelf loslaat van de takken; dit alles bezielt en bekoort. Maar als de ouderdom en de grijsheid daar is, is er begin van versterving, van verkoeling, van inkrimping des levens, en bovenal, zoo de nooddruft des levens niet te mild vloeit, zijn er weinige dagen zoo geducht en zoo gevreesd als de oude dag.

En daar is reden voor,

sDe ouderdom komt met gebreken", zegt, een uit het leven gegrepen spreekwoord, en het valt niet tegen te spreken, dat zijn levenskracht te voelen wegvloeien, en het licht in het oog te voelen verduisteren, en de fijnheid van gehoor te zien afnemen, en in de vrijheid van beweging belemmerd te worden, ons hart niet toespreekt, maar ingaat tegen de zucht van onze natuur.

Vooral op het laatst wordt dit bang en benauwend, als het nadert aan wat de Prediker reeds voor duizend jaren bezong, als »de wachters des huizes (dat zijn de beenen en armen) zullen beven"; als zijn gang onvast wordt en de maalsters in ons gebit zullen stilstaan; als sde twee deuren naar de straat" (dat zijn onze ooren) zullen gesloten worden; als de slaap weg is en de grijsaard wakker wordt, eer het dag is, »met de stem van het vogeltje"; als de zangeresse, d. i. uw stem, zal neergebogen worden; als de amandelboom wit op zijn schedel zal bloeien; en als hij bang is op den weg, en hij ten slotte ineengekrompen en kromgebogen sals een sprinkhaan op den weg doolt, en alle lust hem zal vergaan."

Hierin is een lijden, eèn zieltogen van de lampe des levens tot ze wordt uitgebluscht. Een langzaam sterven, nog eer de ure van het sterven slaat.

Een afleggen van de laatste schrede op den pelgrimsweg.

Want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis, en zijn stof zal tot de aarde wederkeeren, als zijn geest keert weder tot God die hem] gegeven heeft.

Aldus is de weg naar ons Nebo, naar dien hoogen bergtop, van welks spitse onze God ons het Kanaan zal doen aanschouwen.

Ge kunt u toch, ook al hebt ge zelf geen Nebo of Hermon beklommen, nochtans den gang van zulk een bestijging wel voorstellen.

Eerst uren wandelen tusschen bloemgevvas en boomgaarden door, om den voet van den berg te bereiken. Dat is de letite uwer jeugd. Dan een glooiend stijgen door eikenbosch en dennenwoud, beeld van manlijke zamerkï& cht. Daarna het woud achter u, en nu de hooge weide, waar geen boom meer tieren kan. En uit die herfstnatuur, beklimt ge dan ten slotte het sneeuwveld, dat nooit wegsmelt, en snerpt de koude van de ijsvlakte u de huid stuk. Dat is bij het bergbeklimmen uw tuinier^ het beeld van den ouden dag. En dan gaat het naar den hoogen top omhoog, tot eindelijk niets meer uw gezichtslijn breekt, en ge op dien top in aanbidding neerknielt, om uw God, die alleen groot is, in de majesteit zijner schepping te verheerlijken.

Beneden, in de vlakte der aarde, de koesterende gloed en de weelde van het bloemgewas, maar daarboven ijs en sneeuw, en een koude die u doet ineenkrimpen. Maar toch juist op dien bevroren bergtop, te midden van die kaalheid en naaktheid der rotsklippen, /(^i" dichtst bij den hemel^ het ruimst uw blik in de heerlijkheid en de grootheid en de majesteit van uw Gods.

Mag nu zoo ook voor u uw ouderdom we-zen, dan voelt ge die koude wel, en merkt ge wel de leegte om u heen, en zult ge wel te inniger leeren bidden: »o. Mijn God, terwijl de ouderdom en de grijsheid daar is, verlaat uw knecht, begeef uw dienstmaagd niet", maar dan zult ge toch ook in dien ouderdom zelven een bundelke vol zegeningen door uw God verborgen vinden, en ook voor dien ouden dag Hem danken kunnen.

Altoos indien ge gelooft. Indien uw hope voor eeuwig vaststaat. Indien uw zoekend oog turen mag naar de poorte van het nieuw-Jeruzalem daarboven.

Want ja, een grijsaard, die onbekeerd en met zijn verstokt hart, zich angstvallig aan de wereld blijft vastklemmen, en schrikt op de gedachte, dat sde zilveren koorde hem in zijn ruggegraat ontketend wordt", zooals Salomo het noemt, die is ellendig.

Alles waar zijn hart aan hing, ontglipt hem, en de wereld, waarin hij zijn leven zocht, lacht hem ten slotte uit, en dringt hem eerst op zijde en dan in den hoek, tot hij ten leste als een last des levens nog een eind weegs wordt meegenomen, en dan uitgestooten in het graf.

Maar als achter het doffer geworden oog, de vonk van hemelsch licht in onzen oogappel mag glinsteren, dan maakt God ons dien ouden dag zoo heel anders, zoo veelszins rijk, een gestadige verkwikking der ziele.

Een bloed, dat minder jaagt, en daarom gestild die storm van drift en hartstocht, waarmee in vroeger jaren zoo hard en zoo bitter voor Gods aangezich te worstelen viel.

De zonde nog wel nasluipend, maar toch als vrucht van veel Godzalige oefening en rijke zielservaring, lichter tegengeStaan, en het gevaar van door Satans listen verrast te worden, zoo aanmerkelijk minder.

Losser van het aardsche goed, en in het eigen ik minder prikkelbaar. Daardoor kalmer van aard en rustiger van zin. Gelijkmatiger van dag op dag. Meer gewend aan het kruisdragen, en daarom onder het kruis niet zoo licht meer bezwijkend.

In het Woord zijns Gods dieper ingeleid, meer thuis in zijn heiligheden, de ziel meer aan de stille wateren zijns heils gewend.

Zoo achter den Goeden Herder aan gaande, door zijn stok en door zijn staf vertroost. Inniger in Gods verborgen omgang genietende, zijn zalige gemeenschap minder verre, en langduriger verkeerende in de tente zijner Goddelijke tegenwoordigheid.

Daarom door Gods volk gekend, door de zijnen inniger geliefd, niet verlaten, maar om wijzer raad gezocht, en om den vrede die van hem uitstraalt gemind door al wiens hart naar het eeuwige uitgaat.

En onderwijl met den dag helderder turende in de eeuwigheid, naar het vaderland daarboven; steeds onweerstaanbaarder getrokken; en reeds nu voorsmaak genietende van wat het daariboven bij zijn Jezus, in de vergadering der volmaakt rechtvaardigen, in de ongestoorde gemeenschap zijns Gods eens zijn zal.

o. Wren het door Gods vrije gunste gegeven is, aldus oud te worden, voor dien heeft ook die oude dag een heilig schoon, dat hij om niets voor een terugkeer naar de dagen zijner jeugd zou willen uitruilen.

Wie zóó oud raag zijn, blijft ook, als de grijsheid daar is, jong van hart.

Die voelt wel, dat de uitwendige tabernakel dezes levens wordt afgebroken, maar het leven daarbinnen neerat in hem niet af, maar toe, wordt niet armer, maar rijker. Hij merkt het dat hij wel verre van aan het einde toe te zijn, veeleer nu pas nadert aan de bergen van waarachter de eeuwige morgen hem zal tegengloren. Nog een wijle, nog enkele mijlpalen, en zijn eigenlijk leven, zijn leven dat nooit versterven zal, begint.

Slechts bereide wie zoo eens als grijsaard bloeien wil, niet eerst als hij oud is, maar reeds in de dagen zijner manlijke kracht, zoo schoonen ouderdom voor.

Die wete wel, dat niets den ouden dag meer en banger bezwaart, dan de jammerlijke heugenis van meegesleepte zonden, van daden van ontrouw, van verloochening van zijn Heiland, van liefdedrang in zelfzucht verstikt.

Zoo menig grijsaard, zoo menige vrouw op jaren kent de heerlijkheid van den ouden dag niet, omdat in vroegere jaren van het lichaam te veel gevergd, de gezondheid verwaarloosd, de ziel bezoedeld, de conscientie bevlekt is, en het geloof te veel op de lippen, en te weinig in het hart heeft geleefd.

En nu is ook daarvoor op den ouden dag nog wel medicijn bij den eenigen Medicijnmeester te vinden. Uw Jezus, die op aarde geen ouderdom gekend heeft, wil ook de ouden van dagen verkwikken door de vrucht zijner offerande. Simeon met zijn sneeuvvwit hoofd, die het kindeke Jezus in zijn armen houdt, en uitroept: sLaat nu, Heere, uw dienstknecht gaan in vrede naar uw woord, want nu hebben mijne oogen uwe zaligheid gezien", blijft het uitlokkend beeld van den grijsaard, die zich vertroost in zijn Heiland.

Maar toch, wie eerst, als /dj oud is., Jezus zoekt, slaat, als de kracht alraeer gebroken wordt, voor zoo liarde worsteling. Ook de ledematen der ziel zijn bij den oude van dagen 200 weinig lenig, zoo stram en zoo stroef. Een man van zestig en meer jaren, die zich tot zijn Heiland bekeert, is zoo zeldzaam.

En daarom wie als de ouderdom daar is, niet van zijn God verlaten wil omdolen, die zoeke zijn God terwijl Hij te vinden is.

Niet eerst als hij oud is, maar in de dagen zijner jongelingschap, in de jaren van zijn manlijke kracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Cewijl de ouderdom en de grijsheid daar is.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken