Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

XXV.

Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een menschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geene waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader der leugen. Joh. 8 : 44.

Eer we tot de Paradijs-verzoeking zelve komen, is liet gewenscht thans de uitkomst van hetgeen we dusver vonden, saam te vatten. Dit nu komt hierop neer. De eerste mensch was door ééne rechtstreeksche daad van Gods almacht, in één oogenblik des tijds, in geheel volwassen afmetingen, op deze aarde tot aanzijn geroepen. Hij stond midden tusschen God en de wereld in. In die wereld was het dier op hem aangelegd, nOg eer de mensch er was, 's menschen uitwendige gedaante en bestaanswijze voorvertoonende; op het dier was weer de plant, op de plant de onbewerktuigde natuur aangelegd; en alzoo langs alle deelen der schepping ineengeschakeld, was er een keten uitloopende op den mensch. En terwijl de mensch alzoo heel de wereld in zich saamvatte, werd hij toch daardoor eerst wezenlijk mensch, dat in dit zijn wezen God zelf zich kon afspiegelen én het deed. Alzoo stond de mensch tegelijk als inbegrip der schepping, en tegelijk als beelddrager van den Schepper in den lusthof. Als zoodanig was zijn lichaam onverzwakt en ongeschonden, en was hij, wat zijn geestelijk bestaan betreft, naar zijn verstand volkomen wijs, naar zijn zedelijken aard volkomen heilig, voor wat zijn stand voor God aangaat, volkomen gerechtig. Dit was zijn »staat der rechtheid", of zijn «oorspronkelijke gerechtigheid", die niet als een nieuw bestanddeel bij zijn natuur bijkwam, maar in zijn natuur kleefde lutusschen sloot de gaafheid van dit volwassen lichamelijk en geestelijk bestaan, allerminst den voortgang naar de voleinding uit, die alleen door zedelijken strijd kon bereikt worden, en hem naar het eeuwige leven, in den glans der voltooide heerlijkheid, zou hebben overgeleid. Dit plaatste hem in de betrekking, die wij het Werkverbond noemen. Bleef hij, ook bij deze nadere ontwikkeling, staan in den zuiveren stand, waarin hij bij zijn schepping gezet was, zoo zou zijn leven verhoogd zijn/Ö^/«^^ eeuwige. Ontviel hij aan dien juisten, rechten stand voor God, zoo zou zijn leven, hoezeer ook als bestaan onvernietigbaar, zinken tot de laagte des doods.

En dit nu kon niet tot beslissing worden gebracht zonder het proefgebod der verzoeking. Heilig als Adam was, ko hij geen stukske der Wet, die in zijn hart geprent stond, volbrengen, of zijn hart sprak die Wet toe, en leidde tot een doen van het goede, omdat het goed was; terwijl het ware goed eerst volbracht is, zoo het geschiedt, omdat God het wil. Of nu Adam in dien Godebehaaglijken zin kiezen zou, kon eerst recht blijken aan een gebod, dat niet in zijn hart geprent stond, maar onbegrepen als een schijnbaar willekeurig gebod tot hem kwam. Dit gebod en de rechte meening er van kon hij verstaan, omdat de taal in hem geen eerste stamelen van klanken, maar een genoegzaam samenstel in woorden voor de uiting zijner gedachten was. En zoo stond hij in het Paradijs, met God, door het geloof, verkeerende als een man met zijn vriend, den schrik der consciëntie, en daarom de schaamte nog niet kennende.

Dit is, kort saamgevat, het resultaat van het dusver ingesteld onderzoek. Thans komen we tot de vezoeking, die eerst Eva, en door haar Adam, tot overtreding van het proefgebod geleid heeft. Lezing en herlezing van de drie eerste hoofdstukken van Genesis laten toch geen anderen indruk achter, dan dat het, zonder die verzoeking, niet tot die overtreding zou gekomen zijn. Dit vloeide uit de oorspronkelijke gerechtigheid dan ook rechtstreeks voort. Zonder verzoeking kon het in den staat der rechtheid niet tot strijd, en derhalve zoomin tot val als tot overwinning komen. Jezus verklaart het dan ook uitdrukkelijk, niet Adam was zelfmoordenaar, maar Satan was de menschenmoorder van den beginne. Intusschen lezen we in Gen. 2 van den Satan niets. De verzoeking komt door een dier. Dit nu trekt in hooge mate de opmerkzaamheid. Mensch en dier was in het Paradijs de eenige rechtstreeksche tegenstelling tusschen twee machten, en uitdrukkelijk was aan den mensch macht en heerschappij over het dier toegezegd; en, wat nog opmerkelijker is, die meerderheid , had de mensch over het dier het eerst daardoor uitgeoefend, dat de. mensch in zijn taalwereld, door het geven aan elk dier van zijn naam, aan het stomme dier, als sprekend heerscher, een plaats had toegewezen. Die den naam geeft, heerscht, en het dier, dat tegen dien naam in slechts loeien of brieschen of hinniken kon, droeg daarin het merkteeken van zijn lageren, minderen stand. Doch hoor, nu gaat er tot Eva plotseling taal, sprake, gedachtenuiting in woorden van een dier uit. De slang spreekt Eva toe. Dit spreken van de slang was buiten de scheppingsorde. Volgens die orde spreekt God en spreekt de mensch, maar heeft het dier, en dus ook de slang, de gave der sprake niet. Dat het werktuiglijk uitstooten van verstaanbare klanken daarom bij het dier niet onmogelijk is, weet ieder. Bij enkele vogels wordt dit nog, soms zeer schel en kras, gehoord. Van Bileams ezel bericht ons dit het Mozaïsch verhaal. Waar lucht, keel, tong, tand en lip aanwezig is, wekt dit dan ook geen de minste bevreemding. Dat een dier w? V^! spreken kan ligt dan ook aan heel iets anders. Daaraan namelijk dat het niet den gedachten vorm van het bewustzijn bezit, en deswege het niet tot een taal kan brengen. Wel heeft ook het dier uiting van wil of gewaarwor­ n ding door geluiden, en zeer terecht is er op gewezen, dat de dieren onderling door deze geluiden elkander allerlei beduiden, of doen merken aan menschen, maar omdat de gedachtenaam ontbreekt, wordt er geen taal in eigenlijken zin geboren. De belachelijke proeven van Professor Gordner, die in een kooi opgesloten, de taal der apen wilde bestudeeren, heeft dit feit niet weerlegd, maar bevestigd. Heel anders daarentegen komt de zaak te staan, als het dier door een hooger wezen als instrument kan worden gebruikt, en als dit hooger wezen zich van de ademhaling, de keel, de tong, de lip, den tand, kortom van de organen van het dier bedient, om door dat dier te doen, wat dat dier zelf niet kan.

Het hypnotisme heeft op dit terrein zelfs onder menschen verrassende verschijnselen aan het licht gebracht. Dusver meenden we, dat onze eigen spraakorganen alleen ons zelven dienen konden, en dat onze taal alleen het voertuig kon zijn yoor onze eigen gedachten. Thans daarentegen weten we ook practisch, dat de ééne mensch over een ander mensch zulk een macht kan krijgen, dat de sterke den zwakke dwingt hem met zijn mond te dienen, en uit te spreken niet wat die zwakke zelf, maar wat hij, als sterkere, denkt, beoogt en wil. Hier is dus een indringen in de ziel van een mensch tot op dat punt, waar de zenuwen de spreekorganen in beweging brengen, en alsnu een spreken door eens anders mond. Waar de mensch dit kan, verwondert het ons in het minst niet, dat ook God een profeet zoo kon aangrijpen, dat die profeet sprak, niet wat hij, maar wat God dacht. Maar wat ons blijft verwonderen, is, dat ook bij het dier soortgelijk verschijnsel voorkomt, vooral waar die macht op het dier wordt uitgeoefend, niet door een ander dier, noch door den mensch, maar bij Bileams ezel door God, en bij de slang in het Paradijs door Satan. Het verrassende van dat verschijnsel moest uit dien hoofde ook Eva prikkelen. Ze wist dat het dier niet sprak, dat integendeel in het spreken het teeken van de heerschappij van den mensch over het dier lag. Nu er een dier zich hooren liet dat toch sprak, moest dat dus hare opmerkzaamheid treffen. Dat het niet God was, die aldus het dier gebruikte, bleek haar terstond, want wat die slang sprak, ging tegen God in. Ze wist ook dat een andere, vreemde macht zich in die slanggeluiden tot haar richtte, en ze ontwaarde eveneens, dat die macht aan God vijandig en met het dierlijke gemeenzaam was. Nu was den mensch door God als plicht opgelegd, niet alleen om den hof te bebotaven, maar ook om den hof te bewaren (Gen. 2 ; 15). Bewaren nu onderstelt, dat er een macht was, tegen welke het Paradijs beschermd moest worden. Dat er een macht der vernieling bestond, wist de mensch alzoo. Van die macht had hij dusver nog niets ontwaard. Doch nu openbaarde zich die vreemde, die geheimzinnige, die dusver onbekende macht. Ze sprak door dat dier. Ze gebruikte die slang als instrument. En er is alzoo geen twijfel, of Eva werd terstond gewaar, dat ze niet met die slang als gewoon dier, maar met die slang als een bezeten dier te doen had.

Bij de vraag, welke die demonische macht v/as, hoe ze ontstond, en op welke wijze ze werkt, houden v/e ons niet op. Daarover is genoegzaam gehandeld in de artikelenreeks Van de Engelen. Ook over de vraag, of het wel waarlijk Satan was, die de slang als phonograaf bezigde, behoeft niet getwist, de duidelijke uitspraak van Jezus in Joh. 8 : 44 stelt dit buiten twijfel. Waarom juist de slang en niet een ander dier gekozen werd, moet symbolisch verklaard. Slechts zij nog opgemerkt, hoe de slang in het Paradijs het instrumenteele dier was, waardoor Satan de vrouw belas, en hoe het nu nog de mensch is, die, in Indië vooral, maar ook elders, door niets dan door geluid van tonen de machtigste slangen betooveren, bezweren, belezen en geheel machteloos maken kan. De echte slangenbezweerder maakt nu nog de woedendste slang enkel door toongeluid volkomen weerloos en slingert ze als een kabel om zijn lichaam. Doch al stond dit met het gebeurde in het Paradijs in geen verband, in elk geval moet hetgeen daar gebeurd is, niet overdrachtelijk, niet zinnebeeldig, niet als een innerlijke ervaring in Eva's ziel, maar letterlijk, zooals het er staat, worden opgevat. Er is taal in woorden tot Eva gekomen. Die taal ging door de slang van Satan uit. In die taal was bezieling, werd geredeneerd, werd met onderscheiding van woorden gestreden. Het was een wezenlijke verzoeking, gelijk ze in de woestijn bij de Jordaan aan Jezus overkwam en door Jezus zegevierend doorworsteld is, Alleen met dit verschil, dat aan Jezus Satan zich, zonder tusschenkomst van het dier als instrument, vergreep, en dat Eva door Satan verzocht is, niet onmiddellijk, maar middellijk, het dier tusschenin tredende als de eenige macht die de pas geschapen mensch in het Paradijs alsnog in onderscheiding van zich zelven op deze aarde kende.

Komen we thans tot de verzoeking zelve, dan dient hierbij allereerst de dusver veel te veel verwaarloosde vraag onder de oogen gezien, wat er gebeurd zou zijn, bijaldien Eva niet bezweken ware. Zou in dat geval de kennisse van goed en kwaad voor het eerste menschenpaar gebleven zijn, wat ze was vóór het proefgebod? Zou, bij die onderstelling, geen verandering in 's menschen innerlijk bestaan hebben plaatsgegrepen ? En zou hij derhalve, gesteld hij ware niet bezweken, gebleven zijn die hij was, en hebben voortgeleefd, als had hij nooit een proefgebod ontvangen? Oppervlakkig schijnt dit metterdaad zoo. De stem die uit de slang tot Eva kwam zegt: ^Als gij daarvan eet, zult gij als God wezen, kennende het goed en het kwaad". Dus, want dit schijnt er uit te volgen, als ge er niet van eet, zult ge die kennisse derven. En dat er in dit zeggen van de slang zekere waarheid lag, valt kwalijk te ontkennen, als ge op tweeërlei let. Ten eerste hierop, dat er staat: toen ze gezondigd hadden, werden hun oogen geopend; wat wederom in zich sluit, dat anders hun oogen gesloten zouden zijn gebleven. En ten andere daarop, dat God na den val in zijn Drieëenig Wezen spreekt: »De mensch is geworden als onder één, kennende het goed en het kwaad", woorden, die door Calvijn en velen na hem wel in spottenden zin zijn opgevat, als wilden ze zeggen: »Die dwaze mensch beeldt zich nu in, als onzer één te zijn, en goed en kwaad te kennen." Maar, gelijk we reeds vroeger opmerkten, deze uitlegging is niet vol te houden, want in zulk een spottend zeggen zou geen grond gelegen hebben voor het uitdrijven van den mensch uit het Paradijs, en nog veel minder voor het stellen bij den ingang van het Paradijs van den Cherub met het vlammend zwaard. Op het verband tusschen Satans zeggen: »Dan zult ge goed en kwaad kennen", het zeggen der Schrift: »Toen werden hun oogen geopend", en het zeggen des Heeren: »De mensch is geworden ketmende het goed en het kwaad", moet dus wel terdege gelet. Dat de val in zonde een nieuwe wereld van kennis voor Adam ontsloot, en dat di. kennis een kennisse van goed en kwaad was, mag niet voorgesteld als een leugenachtig verzinsel van Satan. De uitkomst bewees dat er waarheid in lag. En het woord des Heeren heeft het bevestigd. Iets waaruit dan tevens rechtstreeks volgt, dat de mensch, ware hij staande gebleven, aan die wereld van kennis, die zich door de zonde aan hem ontsloot, vreemd zou zijn gebleven, en niet aldus het goede en het kwade zou hebben gekend. Toch volgt hieruit volstrekt niet, dat hij daarom, bij niet-overtreding van het proefgebod, minder zou hebben gehad; integendeel ook dan zou hem een/w^^^r^ kennisse van goed en kwaad zijn toegekomen, maar op andere wijze, in anderen vorm, op een manier die niet tot den dood, maar tot het leven leidde. Het verschil nu tusschen deze beide vormen van kennis van goed en kwaad, d.i. tusschen den zondigen, doodelijken vorm, waarin ze Adam thans toekwam, " en den heiligen, het leven verheffenden vorm, waarin ze anders zijn deel zou zijn geworden, kan niet anders verklaard, dan uit de tweeërlei betuiging des Heeren, i". dat deze zondige vorm den dood bracht, en 2". dat het nu een kennisse was, zooals ze in God was, en Gode alleen toekwam. Welk nu is het principieele verschil tusschen de kennis van goed en kwaad gelijk ze in God is, en die afgeleide kennis van goed en kwaad, die bij den mensch hoort} Immers geen ander dan dit, dat God zelf licht en duisternis schept, zelf bepaalt wat goed, en diensvolgens wat kwaad is, en alzco het zedelijk criterium tusschen goed en kwaad in zichzelven bezit, zelf stelt en tegenover alle schepsel doorzet. Dit ter eene zijde, terwijl omgekeerd ter andere zijde de kennisse van goed en kwaad voor den mensch, als schepsel, geen andere kan noch mag zijn, dan dat hij ? iiet zelf de grenzen van het onderscheid tusschen licht en duisternis, tusschen goed en kwaad, stelt, maar het accnneemt van God, gelijk God het als Schepper gesteld heeft. Hieruit volgt derhalve, dat voor den mensch zondig en goddeloos is alle kennisse van goed en kwaad, die hij niet als door God gesteld aanneemt, maar zelf stelt, en dat omgekeerd bij den mensch alleen past, alleen waarachtig en heilig is, zulk een kennis van goed en kwaad, als hij aan God ontleent, van God aanneemt, en door God zich geven laat. Wil nu daarentegen de mensch dit laatste niet, maar wil hij een kennisse van goed en kwaad bezitten, gelijk die alleen in God bestaanbaar is, dan is dat juist zijn opstand, zijn verlaten van zijn positie als schepsel, en het gaan zitten in Gods stoel. Dat is dan wel niet wezenlijk. Het bestaat zoo enkel in zijn verbeelding. Maar voor zijn besef, voor zijn bewustzijn is het dan toch zoo. In zijn leugenwcreld stelt hij het aldus. Hij voelt zich dan als kende hij het goed en kwaad gelijk God die kent. Zijn oogen gaan open in een wereld, die als de wereld van leugen eeuwig voor hem gesloten had moeten blijven. En

de uitkomst is, dat hij waant als God te zijn geworden, en dat God zeggen moet: »De mensch is geworden als ware hij onzer één."

Hoe aandachtiger ge het Paradijsverhaal ontleedt, des te duidelijker wordt het u dan ook, dat ge alles letterlijk alzoo moet nemen als het er staat. Eva, en na haar Adam, hebben niet van den boom gegeten, omdat ze oordeelden dat dit kwaad was, maar omdat ze, eigen oordeel tegen het oordeel Gods stellende, zich diets maakten en zich inbeeldden, dat juist het wel eten van den boom hun den weg tot hooger geluk zou ontsluiten. God had hun gezegd: »Dat is goed, en dat is kwaad, " maar in stede van deze bepaling geloovig en gehoorzaam van God aan te nemen, en nu ook zelven te oordeelen, dat het zoo was, omdat God het zoo gezegd had, dorsten ze zich vermeten hier een andere opinie, een ander oordeel tegenover te stellen, alsnu zelven te gaati bepalen wat goed en wat kwaad was, en dit juist in vlak tegenovergestelden zin te doen. Zoo ontroofden ze het recht, dat Gode alleen toekomt om te bepalen wat goed en wat kwaad was, aan den Schepper van hemel en aarde, en roofden het voor zich. Ze onderwonden zich zelven te doen wat alleen Godes is, zich aan te stellen en te gedragen als waren ze bekleed met een macht die alleen aan God toekomt, en dat ze dit deden, en dienovereenkomstig hafidelden, dat was hun zonde. Hadden ze dit daarentegen niet gedaan, en staande voor de verzoeking om zelven de grens tusschen goed en kwaad te trekken, met helder bewustzijn dit geweigerd, dit afgeslagen en dit niet gewild en niet gedaan, dan zouden ze van dat oogenblik af tot het hooger inzicht zijn opgekomen, om van nu voortaan niet alleen krachtens het instinct van hun schepping, maar nu ook willens en wetens God te eeren als Koning, Wetgever en Rechter, en alzoo tot de hoogste gemeenschap met het waarachtig zedelijk leven zijn ingegaan. Ze zouden dan het goede gedaan hebben, niet enkel wijl het alzoo in hun hart geprent stond, maar nu ook wetende dat het zoo was, en waarom. Hun zedelijk bestaan zou met hun godsdienstig bestaan tot hooger harmonie ineen zijn gesmolten, en juist hierin het eeuwig leven gegeven zijn.

Nu daarentegen kwam in plaats van die zalige gewaarwording van hooge, heilige harmonie in hen de breuke der consciéntie. Wat toch anders is de consciëntie in ons, dan het zich uiten in ons van de majesteit des Heeren, waarmee Hij, als God Almachtig, de ware zedelijke wereldorde tegenover de leugenachtige inbeelding van den zondaar handhaaft? Een uiting die er niet kon zijn, zoolang, vóór den val, het zedelijk leven nog slechts instinctief en vanzelf uit de inspraak van 's menschen eigen hart opwerkte; die eenmaal weer verstommen zal, als de breuke uit ons hart voor eeuwig is weggegaan; maar die moest komen zoodra, en moet aanhouden zoolang, als de leugen op zedelijk gebied in ons hart stand houdt, en als God heiliglijk in ons tegen ons reageert met zijn waarheid. Hoe de zondaar ook die consciëntieuiting poogt te verzwakken en tot zwijgen te brengen en eindelijk zijn consciëntie verhardt, verstokt en toesmoort, kan hier niet nader ontwikkeld worden. Dat zou ons te ver afleiden. Genoeg is het ons, zoo maar wordt ingezien en toegegeven, dat de consciëntie niet werkt, zoolang er geen breuke in ons hart is geslagen, zoolang niet tweeërlei oordeel op den bodem van ons wezen met elkander worstelt; en er tweeërlei wereld voor ons tegen elkander overstaat. Duidelijk wordt deze eerste consciëntie-uiting dan ook aangegeven, door wat de Schrift meldt, dat terstond ^hun beider oogen geopend zverden, en dat ze ontwaarden dat ze naakt zvaren." Wie over de zonde heen is, en zijn consciëntie tot zwijgen heeft gebracht, schaamt zich niet. Zie het maar aan de eervergeten vrouw, die alle schaamte heeft uitgeschud, en zich aan geen naaktheid stoort noch ergert. Schaamte over zijn naaktheid te voelen opkomen, is in den zondaar, een heilige gewaarwording, een consciëntie-uiting, een inwerking van God op het hart. Die schaamte nu ontwaarden ze vóór hun val niet, hoewel ze toen even naakt tegenover elkander stonden. Toen kon deze beschamende consciëntieprikkel nog niet op hen werken. Hoe dit te verstaan zij, zal nader worden uitgelegd. Thans zij er nog slechts op gewezen, dat deze consciëntie-uiting terstond nog verder gaat. Het is de consciëntie die voor God aanklaagt, en dienovereenkomstig ziet ge Adam en Eva niet slechts zichzelven de lendenen bedekken, maar ook vluchten in het dichtste van het geboomte voor de nadering Gods. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat de eerste schaamte die ia Adam en Eva opkwam, volstrekt niet zeker preutsch gevoel was dat ze alzoo als man en vrouw tegenover elkander stonden; maar. veel sterker, een schaamte over hun geheele aanzijn en hun geheele verschijning. Ze voelden zich geoordeeld nog eer het oordeel werd uitgesproken, verkwijnend in hun misstand, gelijk ze vooraf fier en koninklijk in hun rechten stand voor God hadden gestaan. En diezelfde Adam, dia naakt gelijk hij was, uit de hand zijns Scheppers was voortgekomen, en met zijn God had omgegaan, en met zijn God gesproken had, vlucht nu, en vlucht en verbergt zich voor dienzelfden God, omdat hij zich nu naakt en ontbloot in zijn schaamte en schande voelt. Voor elkander bedekken ze zich met het aaneengeregen blad van den wingerd, maar voor God, dit zegt de consciëntie hun, helpt die bedekldng en die beschutting niet Zijn oog dringt 0-. . Joor het vijgeblad tot hun ontdaanheid doü.-. En daarom, met hun schorten aan, vluchtten ze toen weg voor het zoekend oog van Plem. Dat was de prikkel der consciëntie voor God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken