Bekijk het origineel

Nog een Doopvraag.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nog een Doopvraag.

4 minuten leestijd

Gelijk geheel natuurlijk is, rijzen er, hoe meer men over den heiligen Doop gaat nadenken, steeds meer allerlei vragen op, die betrekking hebben op bijzondere twijfelachtige gevallen.

Nu is het op zich zelf reeds een voordeel, dat men tegenwoordig zooveel meer dan vroeger over den heiligen Doop nadenkt.

De oude Wormser zou er den Heere voor danken.

En ook is het waar, dat de kerken vroeg of laat er toe zullen moeten komen, om allerlei quaestiën van dien aard, niet aan ieders goeddunken over te laten, maar tot regel en beslissing te brengen.

En dit zal dan ook kunnen, indien men maar vooraf over de belijdenis aangaande den heiligen Doop tot meer overeenstemming en klaarheid komt.

Een vraag ditmaal ons voorgelegd, luidt als volgt:

Hoe hebben we te denken over kinderen, die door belijdende ouders ten doop zijn gepresenteerd, wanneer die ouders daarna worden afgesneden, omdat bleek dat ze hypocrieten waren? Zijn deze kinderen ; als|bandelingen en werkelijk gedoopten te beschouwen, niettegenstaande gebleken is dat hun_ ouders geen geloovigen ooit geweest zijn; of is die doop dan van nul en geener waarde?

De vraag rees daarom bij ons op, ïfomdat vaststaat, dat afgesneden ouders geen kinderen kunnen laten doopen, dewijl door de afsnijding vaststaat, dat zij geen geloovigen zijn, en zijn zij het niet als zij afgesneden worden, dan zijn ze het te voren ook nimmer geweest.

Eerlijk gezegd, hooggeachte Heer, deinsden we voor de harde consequentie terug, om zulke kinderen te beschouwen als staande buiten het verbond, vooral met het oog op hun sterven in hun prille jeugd.

Ook over deze vraag'nu'geven'we gaarne ons oordeel, het oordeel der kerken dat te komen staat, inv/achtende.

Al aanstonds nu veriiest de vrager uit het oog, dat de kerk niet alleen een èan door afsnijding, maar ook een van wederopneming kent.

Voor een afgcsnedene blijft de kerk bidden.

Paulus geeft den zondaar te Corinthe aan Satan over, opdat hij behouden worde.

En ook onze Liturgie van de wederopneming stelt terugkeer van den gebannene in uitzicht.

Dit neemt echter niet weg, dat de kerk, voor zooveel ze op dat oogenblik oordeelen kan, hem beschouwt als iemand in wien de kenteekenen van genade ontbreken, en veeleer de teekenen van gemis aan genade aanwezig zijn.

Presenteerde een gebannene, na zijn ban, een kind ten Doop, zoo /ou hij^dan ook zijn af te wijzen.

Als gebannene is hij geen geloovige, dus ook zijn kind geen «kind van een geloovige".

Keert hij terug, dan wordt hij weer als sgeloovige" erkend, en volgt dus ook de Doop van zijn kind.

Volgt hier nu uit, dat de Doop vroeger, toen hij als een geloovige beschouwd werd, aan zijn kind _ toebediend, ^moet geroyeerd worden ?

Indien dit zoo ware, zou er tevens uit volgen, dat, zoo hij later met berouw terugkeert, de eerst geroyeerde Doop, weer als Doop zou te erkennen zijn.

Dit nu zou tot een spel met den heiligen Doop leiden, dat niemand zou kunnen goedkeuren.

De kerk royeert nooit'een Doop.

Al wat de kerk doen kan is, den gedoopte, zoo hij later blijkt, geen genade te bezitten, van de gemeenschap der kerk afsnijden.

Diezelfde regel, zal dus ook hier zijn toe te passen.

De afsnijding van"jden vader, snijdt niet per se zijn kinderen af. Wel zal de kerk moeten toezien, om de Christelijke opvoeding van zulke kinderen te verzekeren, en later bij het opgroeien nauwkeurig er op moeten letten, wat er uit zulke kinderen openbaar wordt, om als ze bleken geen genade te bezitten, ze van de gemeenschap der kerk af te snijden.

Maar dit kan niet gebeuren, eer zulk een kind op volwassen leeftijd gekomen is.

Iets waar nog tweeërlei bijkomt.

Een afgesnedene, die werkelijk een roekeloos man is, zal, na gebannen te zijn, in den regel zelf zijn kinderen uit de kerk terugtrekken.

Doet hij dit nu niet, en stelt hij er integendeel prijs op, dat zijn kinderen nog leden der kerk blijven, dan ligt reeds hierin zekere hoop, dat ook hij zelf zal terugkeeren.

Uit wat hij voor zijn kinderen begeert, zou reeds iets spreken van waardeering van het heilige.

Dat vooreerst, en in de tweede plaats lette men er op, dat God vrijmachtig is, om het geloof voor, om het geloof onder, en om het geloof na den Doop in te planten in de ziel.

Ware het dus al, dat deze gebannene metterdaad onbekeerd stierf, dan bleef nog altoos het feit bestaan, dat onder Gods bestel, dit kind den Doop ondergaan had.

Het kon dus zijn, dat dit een uitverkoren kind was, in welks ziel de Heere later het geloof inplantte, en dan zou, indien dit zoo openbaar werd, de vroeger toegediende Doop daardoor gehomologeerd zijn.

Ook hierin ligt dus een aanwijzing om van alle royeering van den Doop af te zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Nog een Doopvraag.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken