Bekijk het origineel

Doopgetuigen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Doopgetuigen.

4 minuten leestijd

Zonder op dit oogenblik geheel het vraagstuk der Doopgetuigen te kunnen behandelen, willen we toch wel een kort antwoord geven op een ons toegezonden vraag van dezen inhoud:

In de Heraut No. 954 tref ik in het artikel: »Nog eene Doopvraag" de volgende zinsnede aan: »Wel zal de kerk moeten toezien, om de Christelijke opvoeding van zulke kinderen te verzekeren."

Naar aanleiding dezer zinsnede neem ik de vrijheid ü lastig te vallen met eene vraag, die wellicht oirbaarlijk in de Heraut ter voorlichting van mij en anderen zou kunnen beantwoord worden.

Zij betreft de bedoeling van de derde vraag in het formulier van den kinderdoop, en wel de woorden »of getuigen".

Wel herinner ik mij daarover het een en ander in de Heraut te hebben gelezen, doch nog steeds waag ik te onderstellen, dat de algemeene opvatting dezer woorden niet de historische is. Volgens al wat ik daaromtrent tot dusver heb gehoord of gelezen, worden de »getuigen" beschouwd als plaatsvervangers der ouders. M. i. daarentegen zijn zij vertegenwoordigers der gemeente.

Mijne opvatting steunt op den algemeenen geest van het formulier.

De bediening des doops geschiedt in het midden der vergaderde gemeente; immers omdat de kinderkens als kinderen der gemeente behooren gedoopt te worden. De gemeente bidt en dankt; toch niet als een aantal belangstellende vrienden, doch als gemeente. Zijn het de ouders^ die danken: »dat gij ons en onzen kinderkens al onze zonden vergeven hebt" enz., of dankt alzoo de geloovige gemeente ?

In de geheele handeling treedt de gemeente op, om een lid van het lichaam desHeeren als zoodanig openlijk te erkennen, niet waar? Anders kon de doop ook wel plaats vinden in 't particulier, buiten de openbare godsdienstoefening. • . . .

Zou het gebruik der doopgetuigen niet uit dit besef zijn voortgekomen ? Wanneer het sacrament ten huize der ouders of van den geestelijke werd toegediend, moest desniettemin de gemeente vertegenwoordigd zijn, en geschiedde dit natuurlijkerwijze door de naaste bloedverwanten hiertoe uit te noodigen. Mijne vraag is nu deze: of deze opvatting van doopgetuigen allen historischen grond mist.

Zij komt mij voor zóó geheel in het kader uwer doops beschouwing te passen, dat misschien de zaak eenig historisch onderzoek zou kunnen loonen.

Welke geldige reden is er anders voor Uwe bovenaangehaalde bewering, dat de kerk zal moeten toezien enz? Welke geldige reden is er anders voor aan te voeren, dat de kerk ah zoodanig de verzorging der weezen op zich neemt? Vanwaar al onze weeshuizen enz., zoo onze vaderen er anders over hebben gedacht? Dan zouden zij wel zoo consequent zijn geweest de weezenverzorging aan de particuliere philantropie over te laten, dunkt mij.

Tot ons leedwezen kunnen we op de gestelde vraag niet anders dan ontkennend antwoorden.

De Doopgetuigen zouden in het stelsel van den schrijver door de gemeente en niet door de ouders moeten gesteld worden.

Toch gold steeds niet het eerste, maar het laatste.

Onze Gereformeerde kerken hebben in de Doopgetuigen dan ook nooit iets anders gezien, dan mannen of vrouwen, die in geval de ouders of de natuurlijke voogden wegvielen, als voogden der gedoopte kinderen zouden optreden, om hun Christelijke opvoeding te verzekeren.

Eerst rustte die plicht op de ouders. Vielen die weg dan verschoof die plicht op de grootouders. Doch waren ook die er niet meer, dan moesten voogden optreden. En die eventueele voogden liet men als getuigen bij den Doop optrede», opdat ze door stipulatie in het midden der gemeente tot dit werk der opvoeding zouden gehouden zijn.

Hierop drong men vooral in de tijden van vervolging, toen vader en moeder telkens den scherprechter aan de deur konden krijgen, om hua weezen onverzorgd achter te laten.

Vooral zoo hun familie nog in de »super-•stitie" stond, leverde dit Voor hun kinde­ ren gevaar op. En daarom wcnschte men dan getuig en bij den Doop, die in zulk een geval voor de geestelijke voogdij instonden.

De keuze van getuigen hield de verklaring in, dat de ouders deze getuigen na hun sterven als wettige voogden aanwezen

Juist daarom echter merkt Voetius terecht op, dat dit gebruik van getuigen alle kracht en beteekenis verliest, zoo de Staatswetten het aan vader en moeder 7iiet toestaan, om voogden aan te wijzen.

Vóór de Reformatie had het gebruik van getuigen een eenigszins andere beteekenis, waarop we nu niet kunnen ingaan. Eigenlijk was het herkomstig van den proselietendoop in Israël.

Maar wat de schrijver zegt, dat ook de gemeente een verplichting bij den Doop op zich neemt, is daarom niet minder ten volle waar.

De 'gemeente, en in haar naam de kerkeraad, is gehouden, bij wegvalling der ouders, of ook als niet-leden voogd worden, voor de Christelijke opvoeding der gedoopte kinderen, te doen, wat mogelijk is.

Alleen deze verplichting vloeit rechtstreeks uit den Doop, en niet uit de getuigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Doopgetuigen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken