Bekijk het origineel

Jacob Ftevius.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jacob Ftevius.

6 minuten leestijd

In de Vrije Kerk van deze maand gaf de heer De Waal zijn tweede stuk over Revius, waarop we gaarne de aandacht vestigen. Want metterdaad het is ondankbaarheid, dat zelfs op onze gereformeerde scholen, die wel van Brederoó en Storter hooreii; de naam van onzen zuiverster». Calvinistischeu dichter ^uit hèi tijdperk onzer glorie nauwlijks genoemd wordt.

Terecht dringt de heer De Waal dan ook op herstel van dit onrecht aan:

Niettegenstaande den lof, hem door voorname schrijvers als B. Huydecoper, Van Kampen, Siegenbeek, Van Vloten en anderen toegezwaaid, is Jacobus Revius als dichter in de verste verte niet algemeen bekend Wellicht heeft daartoe veel bijgedragen, dat hij zulk een beslist Calvinist is geweest en dat zijne gedichten in Gereformeerden geest waren geschreven. Want man uitée'n stuk als hij was, als het de Gereformeerde Religie gold, dan kende hij tegenover zijne belagers geen genade.

Het zal moeilijk vallen uit zijne dagen iemand aan te wijzen, die hem evenaardt in beteekenis voor de Gereformeerde beginselen. Hij staat als scherp geteekend Contra-Remonstrantsch dichter alleen. Terecht is opgemerkt, dat zijne beroemde tijdgenooten, met name de mannen van den Muiderkring eens anderen geestes waren. Pieter Cornelisz. Hooft nam tegenover het Christendom eene onverschillige houding aan; Vondel was een der hartstochtelijkste bestrijdets van de Gereformeerde Belijdenis; Rafaelsz, Kamphuizen (ferd uit zijn ambt ontzet om zijne Arminiaansche gevoelens. Alleen Constaatijn Huygens maakte eenige uitzondering. En daarenboven, terwijl mannen als Casper Barlaeus de Mythologie van het classieke Heidendom eene plaats inruimden boven den Bijbel zelfs, onderscheidden zich Revius' gedichten door hunne Bijbelsche vroomheid, zoodat hij ook op het gebied der poëiie seen voortreffelijk orgaan der kerk was". En toch dichtte hij slechts in de ure van uitspanning. De belangrijke feiten, welke plaats hadden op het oorlogsterrein te land of ter zee beslaan eene groote plaats onder de ver­ ƒ schillende onderwerpen zijner zangen. Vooral bezong hij telkens weder den moed en de toewijding van de Prinsen uit hetHuis van Oranje, niet vergetende evenwel, wat de Psalmist in Psalm 146 VS. 2 ons toeroept, namelijk:

Vest op Prinsen geen betrouwen, enz.

Dit met beslistheid optreden, doet Busken Huet dan ook verklaren : »Revius was een hartstochtelijk man. Hij was dat in zijn kerkdijken ijver, in zijne vroomheid, en ook in zijne vaderlandsliefde ; en dit is de reden, dat men bij hem, gelijk bij Luyken^ ofschoon op zeer onderscheiden gebied, tonen hoort weergalmen, wier echo men. vruchteloos zou trachten op te vangen onder het lezen in Cats".

Twee werken zijn door Revius nagelaten, waaruit zonneklaar blijkt, dat het niet overdreven was, toen er beweerd werd, dat hij > zoet was op de Nederduitsche dichtkunde", en dat zijne verzen gezocht werden som de stichtelijcke materie als om den soeten rijm",

In 1630 verscheen te Deventer van de hand van Revius, Overijselsche sangen en dichten^ welke hij opdroeg aan zijn geleerden vriend Daniël Heinsius.

Dat deze gedichten in den smaak vielen, kan afgeleid worden uit het feit, dat reeds in 1634 een tweede druk er van moest komen, waarin onze dichter verklaart, dat hij zich heeft laten bewegen > dese Rijmerijen weder aan het licht te brenghen, met aenwas van eenighe nieuwe, die hij na de eerste uitgave te Leiden had vervaardigd. Hij noemde dien arbeid wel klamme rijmerij" en »slecht leurewerck", maar hij belijdt tevens, dat het hem te doen was, om, evenals zijn vriend Heinsius, door middel van zijne verzen > den ongemeten lof van Christo, God en mensch" te verbreiden. Daarom heet het:

«Dien selven soeck ik ook mij danckbaer te (bewijseri, «So ghij de veersen laeckt, de stoffe moetghij (prijsen, xPrgs dy de veersen oock, soo gatet boven (wenscV.

Verscheidene zijner zangen konden op bekende melodieën woiden gezongen, zoodat de Gereformeerden evengoed hun sLiedeboek" bezaten als zij, die met den godsdienst niet veel ophadden. Doch dit »Liedeboek" ademde een gansch anderen geest. Tegenover al die sboertighe, amoreuze en aendachtighe Lied-boecken" van »Zeeuwsche nachtegaelen of Schoonhovensche sang-godinnen" slaat Revius een veel ernstiger toon aan. In Starter's Friesche lusthof, in Luyken's Duytse lier, waren het saardige deuntjes, nieuwe toontjes, levertjes, rondeeltjes, quakjes en andere vermakelijkheden" die de lezers moesten bezighouden, maar als Revius zingt, dan is het waar, dat de Engelen zich verheugen en de duyvels zich verstoren, of zooals Heydendal in zijn lofdicht zingt:

Revius die verdooft, Als hij zijn snaren roert, liet quelen der Sirenen, Den Roomschen Lierman, en 't gevley van den Toscaen. Hij speelt u op goet Duyts, op Fransch, Griecx (en Latyn De daden en den roem der onversclirocken helden, Die voor het Nederlant haer in de waegschael (stelden. Geluckig' Helden, die diens speelmans stoffe zijn! Dat meer is, doet hij niet met soet geluyt u hooren Gods eeuw'ge lof en eer?

De historische zangen van Revius, die dan in de eerste plaats aan de orde komen, dragen een te speciaal karakter, om er onze lezers op te wijzen. Toch geven ook wij gaarne een plaats aan het Gebed, dat hij zong voor de inneming van 's-Hertogenbosch.

Gij, die in den Hemel woont, En van daar de vorsten kroont, Die hier wagen goed en leven Om den vijand te doen beven. Die vertredet uwe eer: Wilt ons horen, - lieve Heer!

Neemt den vijant sijnen moet, Neemt hem wijsheyt ende spoet, Neemt hem coren ende haver, Neemt hem crijger ende graver, Neemt hem harnas en geweer, Wilt ons horen, lieve Heer!.

Maekt verzaechtheit in de stat, Maekt de wakers moe en mat, Maekt onveylich hare straten, Maekt onwillich haer soldaten, Seeg en segen van haer keer; Wilt ons hooren, lieve Heer!

Maekt den oversten veracht, Doet verkwijnen syne macht; Maket, dat de burgerye Weygere syn heerschappye. En den Staten hulde sweer; Wilt ons horen, lieve Heer!

Gomt den Spanjaert voor den dach Om ons heyr te bieden slacli Of de steden te ontsetten, Uwe adem mocht hem pletten. En wcchblasen als een veer; Wilt ons horen, Ueve Heer!

¹) Litt. Fant. en Grit, Dl. I, pag. 50.

S? ut hij hen, in haven n-M Wijn ül' voeder, cruyt of loot, Latèt blijven onderwegen, Latet van ons syn gecregen; Smijt syn wapenen omveer; Wilt ons horen, lieve Heer!

Laet Philips van sijnen schat Niet ontfangen dit noch dat Geeft dat hij, na lange hopen hl syn eygen nest gecropen, Suygt syn poten als een beer: Wilt ons horen, lieve Heer!

Maket synen buydel leek Sent hem dierte en gebreck Dat syn chrijchsvolk onbetalet Haren schaed' aan hem verhakt. Die nu teren op haer smeer, Wilt ons horen, lieve Heer!

Jaeget eenmaal uyt den Bos Beyde wollcf ende vos, ' Schickt daer uwe trouwe knapen Weydet de verdoolde schapen Met u Goddelycke leer! Wilt ons horen, lieve Heer!

Zelfs Busken Huet had voor dit schoone stuk diepen eerbied, en erkende hoe deze strofen de zielsveryoering eener geheele natie uitdrukken, die bij het kampen voor hare onafhankelijkheid, zich bewust is te strijden voor al hetgeen den mensch op aarde dierbaar en heilig is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Jacob Ftevius.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken